Van hermetisch naar open en van talig naar persoonlijk

Huub Beurskens (Tegelen 1950) ontving dit jaar de Fritschy Stadscultuurprijs van de stad Geleen voor zijn bundel Hotel Eden. Hij debuteerde in 1975 met Blindkap. Sindsdien publiceerde hij meer dan dertig bundels. Hij ontving onder meer de Herman Gorterprijs voor zijn bundel Hollandse wei, de VSB poëzieprijs voor Aangod afmens en de Jan Campertprijs voor Iets zo eenvoudigs. Ook zat hij zelf in jury’s van literaire prijzen. De ontwikkeling van zijn werk wordt wel eens beschreven als die van hermetische naar open poëzie en van talig naar persoonlijk. Naast dichter is Huub Beurskens ook essayist, romanschrijver, vertaler en beeldend kunstenaar.
Ook onderwees hij jarenlang het vak Kunst op een middelbare school.

Huub BeuskensBen je blij met de Fritschyprijs?
Ja, het is een leuke prijs. De prijs is bovendien vier tot vijf keer toegekend aan een kunstenaar voor beeldend werk en dit is de eerste keer dat hij voor poëzie wordt uitgereikt. Ik ben er ook blij mee dat ik bij de prijs financiële ondersteuning kreeg om een volgende bundel te publiceren. Oorspronkelijk was Hotel Eden eigenlijk twee keer zo dik. Maar omdat mijn poëzie nogal breed barok en complex is, was het te veel om alles bij elkaar in een bundel te zetten. Dan werkt het zichzelf wel eens tegen. Nu kon ik de andere helft van de gedichten publiceren in een nieuwe bundel. De bundel is inmiddels verschenen in een oplage van negentig exemplaren met prenten van mezelf. Het is een meer artistieke uitgave en er komt geen handelseditie van.

In Hotel Eden lijk je te flirten met het geloof, ben je een agnosticus?
Ik heb het katholieke geloof in mijn opvoeding meegekregen en daar blijf je een band mee houden. Terwijl ik geen praktiserend katholiek gelovige meer ben. Ik ga niet op mijn knieën bidden in de kerk, maar heb er wel wat mee. Dat blijft in me zitten. Tijdens mijn kunstopleiding had ik een hekel aan religieuze kunst. Het heeft lang geduurd om van die hekel af te komen. Op de kunstacademie was ik atheïst. Nu hang ik meer tegen het religieuze aan. Na Hotel Eden ben ik vier gedichten gaan schrijven, waarin ik maar even aannam dat God bestaat, want dan kan je er tenminste tegenaan schoppen. Je verzetten. Je moet het spel spelen, alsof je gelooft, om je misgenoegen in taal te kunnen vatten. De Heer en het nihilisme zijn tegenpolen, die staan haaks op elkaar. Eigenlijk geloof ik nergens in, maar dan heb ik geen houvast en ik heb houvast nodig, op zijn minst als hypothese. Zie nihilisme en de Heer maar als twee magneten. Als je die met dezelfde pool naar elkaar toe zet, dan ontstaat er een spanning, je krijgt ze niet tegen elkaar. Ik wil aan geen van beide kanten terecht komen. Die kracht die ertussen zit zou een goed gedicht kunnen zijn. Ik wil allebei de polen problematiseren. Wat is het tegenargument en de tegenbeweging? Je zou ook kunnen zeggen dat het leven zich afspeelt tussen die twee polen. Een spanning  tussen het niets van voor en na je bestaan.

Soms zit er een soort dissonant in je bundel en schrijf je bijvoorbeeld plotseling over een stripboek van Kuifje of je komt ineens met het woord ‘neuken’ of ‘poep’ op een klassiek beeld.
Ja, Kuifje stelt ook vragen, hoor, zoals: waar kom je vandaan en hoe ziet onze wereld er eigenlijk uit? Poëzie is overal te vinden. Die komt bij mij niet voort uit gevoelens, maar uit iets zien, iets beleven of iets lezen. In De geheimzinnige ster is een stuk meteoor op aarde gevallen en op die plek groeit alles mega snel en mega groot. Alle wezens hebben hun eigen klok, hun eigen tempo en een volledig leven. Of het nu een vlieg of hond is. Maar wij zien onszelf als maatstaf. Je kunt niet buiten jezelf denken. Zelfs als je over het denken denkt, doe je dat nog door te denken. Ergens is er een moment bij een gedicht, dat je iets ervan ervaart, iets wat je denkend niet kan ervaren, een vermoedend besef. Dat moet in de ruimte tussen de woorden en de zinnen gebeuren. En soms denk ik: nu wordt het wel heel verheven of plechtstatig, en dan geef ik er een schop of tik tegen, of een draai eraan.

In de bundel Aangod en Afmens zou je je afzetten tegen het wetenschappelijke en intellectuele.
Nee, dat is niet zo. Een dichter is verplicht als hij een woord gebruikt, om er zoveel mogelijk (ook wetenschappelijke) kennis over te hebben. Ik ben allergisch voor mensen die cicades en krekels door elkaar halen of salamanders met hagedissen verwarren. Je mag geen pinguïn op de Noordpool laten lopen uit onwetendheid over pinguïns of de Noordpool. Ik wil wel dat het klopt. Ik kan er niet tegen als er onzin staat, dan haak ik snel af. Ik ben ook allergisch voor waar Ezra Pound al voor waarschuwde: het vermengen van het abstracte met het concrete . Bijvoorbeeld iets als ‘de mistige velden van het hart’ Dat vind ik meestal quatsch. Veel dichters proberen op zo’n manier poëtisch over te komen Poëzie moet geen zweverige of strikt privégebonden poëtische taal zijn.

Vaak kies je voor een strakke, vaste vorm en schrijf je bijvoorbeeld al je verzen in een bundel helemaal in distichons, of juist allemaal in drie regels.
Dat komt mede door mijn opleiding als beeldend kunstenaar, vemoed ik. Ik ben gewend om in kaders, op van tevoren vastgelegde formaten te werken. Ik ben er van overtuigd dat hoe dwingender de vorm is, hoe meer het oplevert. Je komt op ideeën die je zonder die vormplicht gemakzuchtig niet had gevonden. Al zoekend, bijvoorbeeld bladerend in woordenboeken, vind je betere woorden, en zo ontstaan dan ook nieuwe beelden en gedachten. Als je gaat voetballen heb je ook regels nodig, dat is bij het schrijven net zo. Bijvoorbeeld bij het lange gedicht ‘Charm’e wist ik van meet af aan dat het 64 pagina’s lang zou worden. Je ziet het resultaat als het ware al voor je, zoals Michelangelo in een brok steen al een beeld zag zitten. Maar je moet het nog bevrijden en al schrijvend haal je de vormen, bewegingen en kleuren te voorschijn.

Je zou je van hermetisch naar open poëzie en van talig naar persoonlijk hebben ontwikkeld.
Toen ik begon met publiceren had ik de idee dat een gedicht een compact iets moest zijn, los van de werkelijkheid. Het gedicht als autonoom (taal)ding. Daarna ben ik gaan beseffen dat de taal juist altijd een doorgangsgebied is. Een woord als ‘ik’ kwam eerst niet bij mij voor. Dat vond ik te persoonlijk, te privé. Ik wil niet mijn hart uitstorten en mijn roerselen etaleren om maar zo poëtisch mogelijk over te komen. De bundel Liefde sterk vergroot van Leo Vroman was een eye-opener voor mij. Toen dacht ik, zo open en ruimhartig kan het dus ook, en dat versnelde mijn proces weg van het compacte afgeslotene.

Toch laat je niet echt het achterste van je tong zien op het persoonlijke vlak.
Ik vind dat mijn poëzie moet kunnen bestaan zonder dat je mij kent. Ik wil ook dat mensen mijn poëzie leren kennen en niet mijzelf. Zo uniek ben ik niet. Dat mensen continu foto’s van hun kat op internet laten zien, dat vind ik niet eens persoonlijk. Iedereen heeft wel een kat. Dat vind ik oninteressant voor literatuur. Je moet je individualiteit veeleer beschermen. Mensen geven zich nu te veel bloot. Zo van kijk mij eens uniek zijn, maar dat is een beetje zielig, want dat is allemaal nauwelijks uniek. Rembrandt en Vermeer werkten in opdracht, hun persoonlijkheid kwam er vanzelf in. Maar daarom hoef je nog niet over jezelf te schrijven. Ik vind het wel mooi als mijn gedichten herkenbaar zouden zijn als een Beurskens, als ze een signatuur hebben, maar daar doe ik het in eerste instantie niet om. Het moet vanzelf komen, al doende, dus door heel veel te doen. Je moet meters maken om goed te worden en je kunt niet wachten op de goddelijke inspiratie, zonder dat je daarvoor hebt gewerkt. Ik schrijf liefst zo veel mogelijk en dan zit er hopelijk soms iets fraais tussen.

Hoe verhouden zich je verschillende activiteiten tot elkaar?
Door het vertalen blijf ik scherp. Het is een soort training voor je weer zelf gaat schrijven. Zoals hardlopers gewichtheffen. Sporters zijn uren en uren bezig met trainen, met conditie (wat ook ‘voorwaarde’ betekent), terwijl het eigenlijke sportmoment maar heel kort is. Je doet de rest van de week dingen om dat te kunnen. Ik vind mijn poëzie even belangrijk als mijn proza. Ik weet wel hoe het werkt, maar niet waarom. Ik werk in periodes. Als ik met poëzie bezig ben, zit ik voornamelijk gedichten te schrijven. Ben ik met een roman bezig, dan komt er nauwelijks of geen poëzie tussen. Soms heb ik simpelweg geen woorden en dan ga ik schilderen. Zo kun je de tijd totdat zich weer iets in taal aandient goed gebruiken. Ondertussen kan de taal weer gisten. Ik vind het fijn om van discipline te wisselen. Juist door die afwisseling kun je ook productief zijn of blijven. Je ziet dat schrijvers die bijvoorbeeld alleen poëzie schrijven vaak ook minder schrijven. Het verzameld werk van Bloem is niet zo omvangrijk. Maar iemand die meerdere schrijfdisciplines beheerst, zoals Vestdijk, produceert vaak veel. Ach, het zal vooral ook een kwestie van temperament of karakter zijn. Er is iets in mij dat niet stil kan zitten. Ik wil altijd weer iets maken.

Op 30 augustus 2014 verscheen in eenmalige en beperkte oplage de bundel HOE DEED HAN SHAN DAT DAN, inclusief vijf digitaal vervaardigde prenten van Beurskens. Wilt u deze eenmalige kans niet missen? Neem dan contact op met Atalanta Pers – Baarn: info @ atalantapers.nl. Prijs circa 60 euro.

Geplaatst in Interviews en getagd met .