Maud Vanhauwaert – Wij zijn evenwijdig

Het oneindige raakvlak van menselijke betrekkingen

door Levity Peters

‘U kan dit boek lezen als een bundel gedichten, als een bochtig verhaal of als een kleurrijke optocht van droevige moppen.’
Aldus de rugtekst van Wij zijn evenwijdig _  waarmee de dichtbundel van Maud Vanhauwaert al op de omslag begint, om in de kolom ernaast te vervolgen met:

Raken elkaar in het oneindige _

Dat zou dus de titel kunnen zijn.
Volgende bladzijde (eerste kolom):

En we rennen _

(tweede kolom):

Ik schrijf een gedicht. Ze kijkt over mijn
schouder mee en zegt ‘Je hebt toch al eens
een gedicht geschreven’_

De toon is gezet. We zitten in de bundel voordat we het weten. Deze hele dikke bundel door, in telkens twee kolommen per pagina, dist de hoofdpersoon van deze bundel haar ‘ervaringen’ op. Direct na de vorige strofe, op de volgende pagina verklaart zij de vorm van de bundel:

Naast mij zit een vrouw. Ze weent en zegt
‘excusez-moi’. Ik zeg ‘ce n’est pas grave’. Zij
zegt ‘si, c’est grave, vous n’en savez rien’.
‘Dat is waar’ zeg ik ‘ik weet er helemaal
niets van’. Ons gesprek is geen einde geen
begin. Zoals alles in een stad valt het er-
gens tussenin _

Daar zitten we dan, met een bundel, zonder einde en begin. De pagina’s zijn niet genummerd, de tekst begint op de omslag, en lijkt door te willen gaan op de rug
van de bundel:

En we rennen _

We rennen nog steeds…
Een kleurrijke optocht van droevige moppen… Een helse optocht zou ik zeggen. Ik sla de bundel open, ben niet op zoek naar iets speciaals en vind:

Ik draai een flesje open en als het niet lukt
zegt ze ‘denk aan wurgen’ en denkend
aan wurgen open ik het flesje zo _

Ik schoot in de lach. Somberheid troef, alomtegenwoordig gebrek aan communicatie, een overtuigend gebrek aan richting, hier en daar een flauw,
aarzelend lichtpuntje, en soms een grimmig sprankje humor, dat in de grauwe misère oplicht als een bescheiden, stille explosie:

Op de schoot van de wenende vrouw ligt
een grote klomp deeg. Ze begint te kne-
den. ‘Dat doe ik altijd als alles dreigt uit-
een te vallen. Hoe meer je kneedt hoe
beter het kleeft’ _

Een levensles die ook de beperking ervan toont; natuurlijk is investering noodzakelijk om samen te binden, maar wanneer bijvoorbeeld je huwelijk uiteen dreigt te vallen, helpt het kneden van deeg echt niet. Dat weet die vrouw natuurlijk ook wel. Evenals de dichteres. Zo is ook deze strofe weer een staaltje van haar vermogen om in een keer twee kanten van een medaille te laten zien.
Dat doet zij regelmatig:

Na negen maanden komen we buiten. We
zuigen de longen vol en krijgen een kamer,
een binnenste dat groeit. Soms wordt het
zo groot dat je er niet meer buiten kunt _

Dat is mooi! Hoe uitbreiding, verruiming hier samenvalt met gevangenschap; het binnenste waar je niet meer buiten kunt. Prachtig. Zo’n strofe maakt nieuwsgierig naar wat eraan vooraf gaat, dus lees ik:

Stuitliggend in de zetel begin ik bij het
begin. Van bij mijn eerste kamer, toen
mijn eerste schreeuw tegen de steriele
muren ketste, waar mijn moeder plots –
klaps besefte dat ze begon. Hoe mijn
vader de streng doorknipte en dacht ‘dit
is het mooiste eindje’. Groots en slepend
is mijn vader. Gebogen en hij noemt dat
‘schrap als een coureur’_

En ik ben onder de indruk van het onopvallende raffinement van de schrijfster.
De onderkoelde humor waarmee zij het menselijke, vaak onbewuste onvermogen
te lijf gaat. ‘Groots en slepend’: dat is gecamoufleerde onmacht.

Helaasdenk ik nogal dikwijls het beter te weten dan de dichter. Ik denk dat ik voor mijzelf de beste manier om deze bundel te lezen ontdekt heb.
Als toevallige ontmoetingen neem ik de strofen tot mij. Wanneer ik ze volg zoals ze worden opgediend, hinder ik mijzelf met verwachtingen die niet worden ingelost, terwijl ik op deze ad-random manier telkens weer word verrast, en eerlijk gezegd, steeds opgetogener raak over deze wonderlijke bundel.

Anderzijds’, zegt de chirurg tegen de
vrouw wier borsten net zijn geamputeerd
‘Als kleuter was u toch ook plat’_

Wreedheid. Die hadden we nog niet gehad. Je mag ervan uit gaan dat de chirurg de bedoeling had om de vrouw te troosten met het verlies van haar borsten, maar heeft dankzij zijn gebrek aan inlevingsvermogen niet in de gaten dat hij de nadruk legt op haar verlies aan vrouwelijkheid: zij is weer als een kind, beroofd van haar seksuele betekenis.

Ook hier weer, als gevolg van de met deze strofe gewekte interesse, lees ik de voorgaande strofe, en voordat ik het weet lees ik strofe voor voorgaande strofe,
in een steeds nieuwsgieriger zoeken naar het begin van wat nu aanvoelt als een verhaal, er komt geen einde aan, ik ben weer terug bij de eerste strofen van de bundel – letterlijk met terugwerkende kracht ontdek ik hoe knap de bundel is geconstrueerd, en met hoeveel prachtige elementen:

Zullen we wachten? Zullen we wachten
tot de kinderen groot zijn en de aardbei-
en rood, ze zijn te bleek nog, te klein, te
hard. Zullen we wachten tot de avond
valt en de nacht waarover we nog een
keer willen slapen. Zullen we wachten op
een eerste stap zo reusachtig dat je mak-
kelijk een tent tussen onze benen spant
waarin nieuwe kinderen kamperen, aard-
beien rijpen en niemand nog buiten de
zomer kan _

Wachten op het onmogelijke, dat blijkbaar wel voor te stellen is. En lijkt wat je je kunt voorstellen niet werkelijker soms dan wat je hebt waargenomen? Bestaat poëzie niet bij de gratie daarvan? Verbeelding is voor altijd het middel waarmee we de werkelijkheid naar onze hand proberen te zetten. Misschien voelen we ons door het leven beet genomen, verraden, misschien hebben anderen ons het gevoel gegeven van minderwaardigheid, ons met de neus op onze tekorten gedrukt; in onze verbeelding kunnen we het recht zetten. Wellicht is dat het genot dat poëzie ons geven kan. We kunnen ons even als superieur ervaren aan wie dan ook, ook aan de dichter – we gaan mee in het gevoel dat de dichter bij ons oproept, en even krijgen wij zicht op een stukje werkelijkheid dat ons voor die tijd vreemd was, of verborgen.

Sinds de oudheid is ‘het woord’ verbonden met magie. Woorden roepen dingen op. En goede dichters weten je eigen werkelijkheid tevoorschijn te toveren, als nieuw. En ontroering is niets anders dan de ontspanning van wat werkelijk leek, maar verbeelding blijkt.

Tot slot een laatste strofe:

Ik blijf bij een plakje worst staan en vraag
aan een voorbijganger’ weet u wat dit
plakje worst hier ligt te doen’. Zegt die
voorbijganger ‘nee, maar ik weet ook niet
wat ik hier loop te doen.’ Ik zeg dat hij
mijn verwondering niet moet koppelen
aan zijn existentie _

Maud Verhauwaert is goed in het stellen van niet eerder gestelde vragen. Haar verwondering over het bestaan wordt bijna vanzelfsprekend de verwondering van de lezer. Ik kan natuurlijk alleen maar voor mijzelf spreken, maar nog lang nadat ik de bundel had uitgelezen (voor de tweede keer, en in de juiste volgorde) zat ik verstild uit het raam te kijken, mij vooral bewust van de ontzaglijke, onvoorstelbare hoeveelheid leven die mij ontgaat. En van de rijkdom van poëzie die probeert om ons iets daarvan bewust te maken, die dat voor ons oproept.

Dank Maud!

***
Maud Vanhauwaert (1984) is schrijver en tekstperformer. Zij studeerde Taal-en Letterkunde aan de UA) en Drama aan het Conservatorium van Antwerpen. Haar debuutbundel Ik ben mogelijk (2011) kreeg de Vrouw Debuut Prijs. Zij werd finalist van het Wereldkampioenschap Poetry Slam (2012) en van het Leids Cabaret Festival (2014). Sinds 2013 is ze redacteur van Dietsche Warande & Belfort.

Geplaatst in Recensies.