Jacob Groot – Nieuwe zon

Een verzonnen uitzonderlijke zon 
door Levity Peters
Om een punt of een lijn, het maakt niet uit, want een punt
is een lijn die begint, laat een kracht die je verzint je
draaien, en de beweging die je zo verbindt geeft je
macht, alsof je massa dankzij je snelheid energie
verslindt, je hand naar het chroom dingt, het portier
je opent, je zwaai je neervlijt op de kunstzijde
van de zwarte Citroen ID/DS Break, bijgenaamd
snoekebek, strijkijzer, kikker, hoe dan ook, wat jij
benoemt vereer je anders, zodra ze je opvangt
veer je mee, versneld omhelst ze je opdat je haar doopt
in haar naam idée deésse, idee van de godin, zo
schakelt kansloos naar hemels, nadat je bent
ingestapt, pal tegen de kussens, de glijvlucht langs
de snelweg in de vaart terwijl haar kogel naar de einder
schiet, van hier, waar je niet bent, naar daar, waar je
al glanst, en nergens wil je verder zijn, in haar raket
over de Hollandse planeet, alleen aan haar chauffeur
het stuur dat je vervormen laat, door haar godin, in
haar idee, niet door het idee dat ze dat is, godin,
ook niet door haar, ook niet door het idee alleen,
ja, nee, door alletwee, de godin en haar idee
ineen. Haar naam als goddelijk idee? Haar lichaam
als haar naam? Zo sleept ze je mee, je rooie
zonnebal op haar sneeuwende slee, en jij
met allebei je vuisten in haar snee, full speed
tot ze beeft en smeekt of ze smelt maar niet
breekt omdat ze jou haar wonderbare motor geeft

Dit was van het tweede deel ‘wederkeer’ het vierde deel van hoofdstuk ‘N: ik volgde een pijl’, van het megagedicht nieuwe zon (pagina 99 en 100) van Jacob Groot, ongeveer halverwege de bundel, die op de rug wordt aangeprezen als ‘Passieboek, egozang, actualiteitsmythe, allegorie van de samenleving, polygone levensleer.’
Volgens De Groene Amsterdammer is het ‘Een hymne op de overweldigende aanwezigheid van het omringende’ (!) en volgens Poetry International laat de poëzie van Jacob Groot zich lezen als een reddende openbaring. Dat is niet mis.

We hebben te maken met een woorddronken dichter.
Hij houdt van de woorden, en hij houdt van alle woorden evenveel. Stuk voor stuk zijn ze prachtig, en van hun waardevaste waardevrijheid is Jacob Groot bepaald de standvastige meester: de zwarte ‘snoekebek’ die wordt opgeroepen aan het begin van deel vier blijkt even later een rooie zonnebal op een sneeuwende slee, waar jij met beide handen in de snee zit.
Het is duidelijk: niets is wat het is, en alles transformeert.

‘Om een punt of een lijn, het maakt niet uit’, begint hoofdstuk 4, en dan volgt iets dat volgens mij niet waar is: ‘want een punt is een lijn die begint’. Daar zou moeten staan: want een lijn is een punt die wordt voortgezet. Zoals het er nu staat bestaat een punt niet op zichzelf.
Ik ben niet van plan om de hele bundel zo door te gaan, maar het typeert wel waar de woorddronkenheid van Jacob Groot toe leiden kan.
Een kracht die hij verzint laat hem draaien, en bij mij tolde het nogal snel ook allemaal.

Deel 5 begint zo:

Transport is trance
De ziel verhuist
De zilverdans van lijnen over de einder zien we als gouddraad in
de achteruitkijkspiegel verdwijnen
Op haar drempel van room opent de weide tegelijk doorlopend
met een blinkende loper de poort voorbij de horizon waarachter
we worden verwacht.
(..)

Hier kun je dagen over nadenken. Taal losgezongen van zijn betekenis. Ik ken niet zoveel dichters die de vrijheid durven te nemen die Jacob Groot neemt.
Daarbij wordt volgens NRC Handelsblad ‘aan de grenzen van de poëzie gemorreld, maar Groot blijft wonderbaarlijk binnen het territorium van de lyriek.’

Vaak roept hij een beeld op, om het direct te laten volgen door een tegenhanger, zoals gebeurt in het onderstaande gedicht waar het wassen direct gevolgd wordt door het bevuilen.
Elke medaille heeft tenslotte twee kanten:

Maar je vriendinnetje dan?

Om me te wassen bevuilde ik haar en ook zij
waste me door zich te bevuilen maar door elkaar

te wassen huilden we om de haverklap

Heb ik mijn bruid vroeg ik bezocht gekocht
en gemarteld onder m’n ogen heb ik haar

van de hand gedaan bezoedeld met m’n
bloed heb ik haar vlees van haar geest

gesneden toen ik haar aanbad of ik haar
bezat tot ik haar plat in haar bed opvrat?

Ze lijdt hangend aan haar kruis al zegt ze
van niet omdat ze blij is dat ze gedijt

in de markteconomie van het verlangen
maar de pijn is de meester

Mijn zwarte zaad striemt nog de zwarte
daad mijn zwarte karwats ranselt de rode

drab van de morsdode wijn

Want in de hele stad is duister de prijs
maar aan de rand in de keel van haar gitaar

om haar peilloze paleisje zal ik het borstelen haar
bitterzoete haar haar majesteitelijke

goudrobijn in vlekkeloze vlokken

(Deel 1′ uittocht’, hoofdstuk A: ‘ik ademde bedwelming’ pagina 14 en 15)

Ik kan niet volgen waar hij het over heeft. Dit zou een soort liefdesgedicht kunnen zijn, maar wel van een dronken en verarmde dichter (zwart zaad!). Wanneer het om de woordmuziek gaat – muzikaal is hij zeker -, waarom bestaat deze poëzie dan niet uit louter klanken? Dan zijn de mogelijkheden veel groter, en wordt de lezer niet vermoeid met onnaspeurlijke bedoelingen. Intertekstualiteit? Ja vast, ja zeker, het nawoord ‘schatplicht aan bronnen’ bevat nogal wat grote namen. Voor Ludwig Wittgenstein wordt zelfs verwezen naar de zesde paragraaf van zijn Tractatus. Maar poëzie is er niet om onder de indruk te geraken van de eruditie van de dichter. Toch?
Gaat het niet enkel en alleen om de werking van de poëzie, wat je ermee overbrengt?

(..)
Want dit is mijn dilemma als heerser, dat ik heerste zonder
rijk, dat ik rijk was zonder te heersen, dat ik bij de tijd was maar
tijdloos afliep, dat ik articuleerde wat ik verzon door het te
overdrijven zonder iets anders te beweren dan de suggestie van
de nadruk omdat mijn aanspraak een afspraak betrof voor een
onderonsje met mezelf, makelaar in relationbuilding, onder
toeziend oog

M’n hoofd draaide rond in een rad

Daarom los van mijn hals snij ik het af

Met het snoeimes van m’n wonderdal

(uit deel 3, ‘intrede’, X: ‘onder toeziend oog, van het vierde deel’, pagina 197)

Er zijn nog steeds veel mensen die dit soort onzin voor poëzie houden; dit overdreven gearticuleerde onderonsje met zichzelf waarin hij niets anders beweert dan wat hij verzonnen heeft! Het is niet zozeer onnavolgbaar, maar gewoon stupide. Hoe kan het ook anders, onder toezicht, met een los zittend hoofd dat hij van louter ellende maar van zijn romp snijdt. Als hij niet ook dat verzonnen had, dan was het ons bespaard gebleven. Een levendige verbeelding noemen sommige mensen dat. Hij heeft dit toch allemaal maar mooi verzonnen! En alsof er een systeem in zit, heeft hij de gedichten ondergebracht in delen, met hoofdstukken onder al de letters van het alfabet, en met ronkende titels als ‘O: om me zo terug te schenken’; ‘P: mijn gebed is op weg’; ‘Q: om uw harp te bespelen’, enz. waarvan mij de zin en de betekenis eveneens ontging, hoe ik er ook naar gezocht heb, evenals hun betrekking tot de gedichten.

Om aan te haken bij deze actualiteitsmythe wil ik vermelden wat er gebeurde terwijl ik ‘nieuwe zon’ aan het lezen was. In het nieuws kwam het rapport over de treinkaping bij De punt, in 1977. De vraag of de Molukse gijzelnemers geëxecuteerd waren. Brandsporen op de borst van een van de kapers leken daarop te wijzen. Van geen enkele kant werd geopperd dat het ook een genadeschot geweest heeft kunnen zijn.
Hoe een woord als in dit geval ‘genadeschot’ je houding totaal kan veranderen, hoe het je verruimen kan, uit oude overtuigingen kan loswoelen, precies dat is wat ik verlang van poëzie. Jacob Groot schreef opgeblazen, hoog geclassificeerde humbug. Deze soms hilarische lariekoek verscheen in een prachtig uitgegeven bundel:

2

O grammatica!

O mijn moeder!

O mijn modderbron!

Zon waarin ik, homeless in een caravan, het goud zoek van de zin…

O missing link!

O slapeloze!

(pagina 191, Deel 3 ‘intrede’, hoofdstuk W: ‘à propos, before you go’)

***
Van Jacob Groot (1947) besprak Meander eerder de bundels Zij Is Er (2002), Heerlijkheid van luchtmetaal (2005) en Lofzang (2009).
Jacob Groot ontving in 2012 de A. Roland Holstprijs voor poëzie.

Geplaatst in Recensies.