Peter du Gardijn – Wat huid is

De hemelvaart van Du Gardijn

Johan Reijmerink

Er wordt je als lezer niet direct een houvast geboden, als je aan de nieuwe bundel van Peter du Gardijn Wat huid is (2014) begint. Dat ligt voor wat mij betreft in eerste instantie aan de abrupte opeenvolging van uiteenlopende beelden, de stijlwisselingen, de ironische tot cynische ondertoon, de soms wat hoekige wendingen in formulering en/of de associatieve sprongen. Het kwam me bij eerste lezing voor dat de gedichten fragmentarisch waren opgebouwd, er een gebrek aan muzikaliteit was, de in beeld gebrachte situaties ogenschijnlijk los van elkaar stonden, maar ik zag gaandeweg de samenhang binnen de gedichten zich manifesteren en zich voor mij openen, zoals in een gedicht als ‘Universele warmte’ waarin God schrijft dat mensen de kuur moeten afmaken, want

Ik hou van alle mensen, zoals zij klunen in duplo
en zich tonen aan elkaar is meesterlijk. Sprieten op de dijk.

Het is de universele warmte van het lichamelijke
want elke mens is zijn medemens een boemerang.

Overigens, een prachtig en persoonlijk evangelie. De gedichten kregen bij nadere lezing hun structuur in samenhang, tot een bundel in vier afdelingen.
Wat me direct imponeerde, waren zijn trefzekere metaforen, zoals ‘Het licht verkondigt zichzelf boven het IJsselmeer,// lasso’s op de witte prairie.//’ of ‘Ik prikte/ in mijn vinger om/ het bloed te zien waarmee ik bloosde.//’. Maar dan volgt er in hetzelfde gedicht ‘Rechtstreeks’ die absurde, onbedwingbare drang naar het licht toe te willen groeien:

Alle vogelnamen uit je hoofd leren,
zonder nog te willen vliegen. Voelen wat huid is.

In deze versregel valt de titel van de bundel te herkennen. Huid is de grens tussen wat zich onder en buiten haar bevindt. Ze biedt ons bescherming tegen invloeden van buitenaf, maar het drukt ook onze behoefte uit iemand of iets ‘under your skin’ te ervaren, de ziel van mensen en dingen te raken. Sterker nog, het gaat hier om sensibiliteit die eigen is aan de zintuiglijke gewaarwordingen om te kunnen ervaren wat leven tot leven maakt. Daaruit spreekt voor mij het wezen van deze nieuwe bundel van Du Gardijn: het reiken naar wat een ieder voor onmogelijk houdt, maar wat het lyrisch subject onontkoombaar blijft najagen. Hier spreekt voor mij een romanticus ad absurdum tot ons die de bittere en onbegrepen realiteit tot zich neemt en ‘rechtstreeks’ blijft streven naar wat voor hem achter de horizon blijft liggen, moet blijven liggen, zoals hij zelf zegt in het laatste gedicht ‘Landdier’:

Omdat ik driemaal daags een engel teken
word ik steeds lichter.
[…]
Tot het alleen nog maar blauw ziet.

Er zitten in de eerste afdeling ‘Op grijpafstand’ nogal wat gedichten die uit strofen van een, twee of drieregels bestaan. In deze gedichten doet Du Gardijn een poging op tal van verschijnselen, voorwerpen en situaties om de ik-persoon heen te reageren. Zo nu en dan bedient hij zich daarbij van stijlfiguren als repetitio en parallellisme. Die opbouw leidt in enkele gedichten tot de kern van de zaak, zoals in ‘Iemand vandaag’, waar de gelijktijdigheid der dingen de diepste wens is. De korte op zichzelf staand strofen treffen je staccato recht in het hart, maar vinden dan nog niet altijd direct een samenhangende betekenis. Ze lijken soms kleine gedichten op zich te zijn. De associatieve sprongen die er van de lezer worden verlangd, hebben te maken met de absurde wendingen die de dichter zich permitteert:

’s Avonds komen sardines schuilen in het licht
van de vissersboten.

Om zachtere, betere vissen te worden.

Het is zoals ik soms ademhaal onder de bank.

Ze doen denken aan het verhaal- en beeldverloop van pulp-fiction. Het lopen met een zaklamp in de nacht als uitvloeisel van een kinderlijke fantasie, het verkopen van een winnend staatslot als resultaat van een dagelijkse werkzaamheid, de bankdirecteur die jongleert met zijn nudisme als voorbeeld van een ontspoorde fantasie vormen de verscheidenheid aan werelden die we tegenkomen, maar het geldt ook voor de zwarte lelie, de zwarte weduwe Rost van Tonningen, die zich aan geen enkele betekenis wenst te hechten. In de laatste cyclus ‘In Holland’ uit deze afdeling schetst de dichter een divers beeld van Nederland. We komen onder meer tegen de zee met folklore en waslijnen, de lente met prikkende muggen, de polder met ‘Klapperend boven de suikerbieten […],/ […] een volbloed vogelverschrikker […]//’, de Biblebelt met Jezus als een sneeuwende wolk die wit maakt, en Amsterdam met het bedrieglijke sprookje van de red lights. Du Gardijn registreert prikkels afkomstig uit diverse levensgebieden. Hij is een waarnemer met een oog voor bizarre details.

In de tweede en derde afdeling ‘Omstandigheden 1 en 2’ komen verwijzingen voor naar het familieleven en zijn jeugd én naar de grote wereldpolitiek-maatschappelijke onderwerpen: ‘Schaamte was de maat der dingen.//’. Het agrarische dorp Barneveld zien we met zijn Onze vader (en) Jan van Schaffelaar prompt in beeld verschijnen: ‘Wij woonden in een dorp met Jezus op elke tong./’. Misschien is het wel opmerkelijk dat

De dominee […] zijn zegeningen [telde]. De boer […]
zijn varken [kamde]. Later vond ik op straat een veer.

In dit woord ‘veer’ waarmee hij het gedicht ‘Dorp’ afsluit, ligt misschien wel het begin van het schrijverschap van Du Gardijn besloten. In ieder geval laat hij nadrukkelijk ‘de zemelen’ waarin ‘Onze Vader’ bijt achter zich: het gezanik van een preek dat geloofservaring heet. In het afsluitende gedicht ‘Uitkomst’ komt Achterberg nog even om de hoek kijken met die ‘vertegenwoordiger in maatpak’. In dit gedicht seculariseert Du Gardijn ‘de gesp der biblebelt B., als uitverkoren plek waar God zijn spel op aarde speelt. De dichter is er blijkbaar nog niet mee klaar. Zijn toon is onverbiddelijk scherp en ridiculiserend, hij blijft gevoelig voor absurde sprongen:

Ik vroeg me af waar mijn verstand was
en hoe het eruit zou zien in een HEMA-zakje.

De taal van de dominees heeft Du Gardijn niet geheel achter zich kunnen laten, in die zin is de geur niet geheel uit het eerste vat verdwenen: van grazige weiden tot laat de kinderen tot mij komen. Politieke interesse en historisch bewustzijn kunnen hem evenmin ontzegd worden. We kwamen de zwarte weduwe al tegen, maar ook de Val van de Muur als de protestdemonstraties tegen de kernraketten krijgen een plaats, en niet te vergeten de aars van A.Verlinde en zijn liefde voor pulp-fiction met het beeld van een krankzinnige aanvaring van een walvis met een wit zeiljacht. Dat Du Gardijn in alle hoeken en stegen zijn licht opsteekt, blijkt tevens uit een cyclus als ‘Donkere kamers’. Daarin karakteriseert hij personen, situaties, omstandigheden die met hun donkerte aan het licht moeten komen, zoals de soldaten die na Srebrenica van opluchting dansten ‘de temperatuur was om en nabij het jaarlijks maximum.//’. Ratko Mladic die oog om oog tand om tand handelde, moest zich overgeven aan de ‘tandelozen’, de rechters in Den Haag. De jongste generatie krijgt in het gedicht ‘Joy division’ een cynische lofrede op de lonely reader achter zijn computer, ipad of iphone te verwerken:

Levend of dood, wat maakt het uit. Hij bestaat!
[…]
Want het internet is een thuiswedsstrijd op grijpafstand,
Pasen en Pinksteren op één dag,

In deze laatste twee afdelingen staan sterke gedichten met een hoog politiek-maatschappijkritisch gehalte:

Amerika is het christendom vloeibaar gemaakt
op een hammondorgel.

Vegas, surreëel fluweel, een Hopper in een hurricane.
Laat de freaks tot mij komen
en ik zal ze geleiden naar de grazige weiden
van Nevada.

Ook de gulzige multimiljonair ontkomt niet aan zijn bijtend commentaar:

Iedereen, zegt de multimiljonair, heeft het recht
om ene mens op een luchtbed te worden.

Om te eindigen met:

Wij kunnen daar veel van leren.
Alle vluchtelingen op facebook, elke oorlog een app.

Wat er toe doet in het leven, is blijkbaar niet op grijpafstand te verkrijgen.
In de laatste afdeling ‘Buiten gebruik’ staan er de beelden en situaties die wijzen op het gescharrel van mensen en dingen om het lyrisch subject heen, in het besef dat we allemaal ‘onderdeel zijn van dezelfde geborgde/ voedselketen.//’, maar ‘Er is [onder hen] een pijn die zelfs een Rijnaak niet klein krijgt.//’. Op die innerlijke pijn is Du Gardijn zeer betrokken in deze bundel. Hij leest haar af aan wie en wat hem omringt, en daarbij is veel in disbalans. Ik denk dat het een uitdrukking is van zijn eigen lijden aan deze tijd. In de dierentuin vraagt hij zijn dochtertje

of ze ogen ziet
in dit snelkookparadijs.

J.A. dèr Mouw en Achterberg komen in het zeeaquarium even langs:

’t Is een trilkristal en ’t woelt iets los. Zeer

waterproof boekt het voortgang per millimeter
en waaiert haar met vinnen inzicht toe.
Het is ter plekke om haar missing link te zijn.

Om dat levensbegin, dat raadsel is het hem te doen. Het vinden van de missing link om de paradoxen te kunnen opheffen ‘dat ze opwaaien als er iemand in zijn handen klapt.//’. Deze dichter bijvoorbeeld. Daarop is deze scherpzinnige waarnemer voortdurend bedacht geweest. Soms maakte hij daarvoor absurd aandoende sprongen, en zet hij zijn venijnig cynisme in, maar altijd staat het in dienst van zijn sensibele zoektocht naar dat touw omhoog:

Want als er een touw aan de hemel hangt klim ik erin.

De behoefte aan transcendentie is hem met de paplepel ingegeven! Er steekt een Jacob in deze dichter:

Tot het alleen nog maar blauw ziet.

Deze bundel vraagt om meer hemelvaarten op aarde!

***
Peter du Gardijn (1963) publiceerde onder meer verhalen en gedichten in De Revisor, Tirade, Bunker Hill, De Tweede Ronde en De Gids. In 2006 debuteerde hij met de roman Nachtzwemmen. Een jaar later volgde zijn eerste dichtbundel, Onder de dieren (2007).

Geplaatst in Recensies.