Anneke Brassinga – Het wederkerige

De lokstem van het water 

Hans Puper

Taal heeft een bestaan op zich, los van communicatie, en dat is wat Anneke Brassinga, de winnares van de P.C. Hooftprijs 2015, keer op keer demonstreert in haar nieuwe bundel Het wederkerige. Ze is uiteraard niet de eerste die dat constateert: Novalis wist het bijvoorbeeld ook al. Zij laat hem aan het woord in het gedicht ‘Het ware leven’ :

[…]

Wat niemand weet, zei hij, is dat de taal,
abstract van aard, uitsluitend zich bekommert
om zichzelf, zoals miraculeus geopenbaard wordt
zodra iemand maar wat kletst omwille van

de conversatie – dan knikkeren de woorden
in hun eigen ongehoorde glans
om bovenaardse buit en laten zich
daarbij door ons gepondereer niet storen.

De autonomie van taal is een belangrijk motief in de bundel. Zo wijdt Brassinga  in deze bundel ook een gedicht aan Mallarmé. Hij wilde de woorden losmaken van hun gebruikelijke functie: ze zijn niet in staat om dingen te benoemen. Ze hebben alleen betekenis in hun verhouding ten opzichte van elkaar. Die bovenaardse buit was bij hem het Niets, het onaantastbare en hij wist dat hij die nooit binnen zou halen. Zijn gedichten beschouwde hij als vergeefse pogingen.
Ook Brassinga laat het ongrijpbare van de woorden zien, zeker bij het schrijven van een gedicht. Zij toont dat op een paradoxale manier in ‘Elementa’: de vaststelling van die ongrijpbaarheid leidt tot een prachtig gedicht. (Op grond van een drietal andere gedichten in de bundel interpreteer ik de lokstem van het water als het gedicht dat roept en het verschuimen als het dichten zelf).

Elementa

Als ieder ogenblik een ongekend begin is
van nasleep die pas over eeuwen
licht zal werpen op dit nu –

zijn de bekende woorden sterrenschijnsel,
amechtig arriverend, veel te laat.
Waar kunnen we dan nog over praten?

Alleen de lokstem van het water zwatelt
in strikt hedendaagse taal, geen touw
aan vast te knopen; zeker niet

op het razende tijdstip van je verschuimen
in een onophoudelijk liggen gaande
onophoudelijk weer opstekende storm.

Aardig is, dat zij die ‘strikt hedendaagse taal’ verbindt met het archaïsche ‘zwatelen’: zinneloos kletsen.

Brassinga’s aandacht voor de autonomie van taal ligt voor de hand: ze is immers vertaalster. En een goede: de vijf vertalingen achterin haar bundel getuigen daarvan. De oorspronkelijke gedichten van Deborah Digges en Edna St. Vincent Millay ken ik niet, maar ze lezen als oorspronkelijk Nederlands. Het gedicht van Millay, een elegie, is de epiloog van de bundel en vormt daarmee het inhoudelijke sluitstuk: een aantal gedichten gaat over de poging in contact te komen met dierbare doden. Het middel daartoe is het gedicht – voor de duur daarvan, tenminste.
Die gedichten zijn niet per se somber. ‘Nachtpost’ is zelfs uitgesproken humoristisch met het verlichte pennetje waarmee de dichteres te traceren is:

Alle licht gaat ergens heen –
het lampje bovenin mijn pen
gekregen van kees hin de kineast,
schrijft in het donker dit gedicht in spiegelschrift
tussen de sterren, heb ik gedacht;
en op de kop ook nog? zodat jij, verhuisd
naar die omgekeerde averechtse onderwereld boven ons
nu lezen kunt een doodgewoon bericht?
En – vertel – heb je daarginder wel
net als hier de gamma-uil en jotavlinder?

‘Die omgekeerde averechtse onderwereld boven ons’. Je verbeeldt een contact met een verloren vriendin en laat daarmee zien hoe je haar mist. Tegelijkertijd zie je een enorm plezier in taal. En het mooie is, dat het past: het een zit het ander niet in de weg.
Overigens is het treffend, dat dit gedicht door het naar boven wijzende potlood binnen deze context verwijst naar de moordpartij bij Charlie Hebdo. Geheel onverwacht, want de bundel is al in december verschenen. Na publicatie kan een gedicht er betekenissen bijkrijgen en ook dat is poëzie.

De fictie van contact door middel van een gedicht – een vorm van wederkerigheid – werkt niet altijd en dat laat ze zien in de cyclus ‘Orfisch’. Indrukwekkend is het betekenisvolle gebruik van witregels. Het derde gedicht eindigt als volgt:

( … ) velden van vergetelheid,
geen klank
komt er vandaan.

En al mijn leven
zal ik wachten
of mij daar roept

wat zwijgt.

‘Geen klank / komt er vandaan’ en daarachter een punt – de eerste in het gedicht. Die vaststelling is definitief, er is niets meer, het is stil en de witregel maakt dat voelbaar. Vervolgens: ‘of mij daar roept // wat zwijgt’. Stilte na ‘roept’, de stilte van de laatste witregel. Aan de overzijde daarvan, vanuit de velden van vergetelheid, de dood: ‘wat zwijgt’.

Brassinga kun je beschouwen als een klassiek dichter met een heel eigen stem en het is daarom niet verassend  dat zij niet alleen een gedicht heeft gewijd aan Whitman en Mallarmé, maar ook aan Eliot, die van mening was dat je alleen een goed dichter kunt zijn als je de traditie kent en tegelijkertijd als dichter volkomen herkenbaar bent. Brassinga: ‘wat gezegd is blijft, herhaalt // altijd en altijd anders de boodschap / van het furieuze, voortkruipende, onuitblusselijk / dolende vuur.

Het wederkerige is een heel goede bundel die vertalers als Brassinga zelf verdient.

***
Anneke Brassinga (1948) debuteerde in1987 met Aurora. Daarna verschenen Landgoed (1989), Thule (1991), Zeemeeuw in boomvork (1994), Huisraad (1998), Verschiet (2001) en Timiditeiten (2003). Deze bundels werden verzameld (en herzien) in Wachtwoorden (2005). Daarna verschenen nog IJsgang (2006) en Ontij (2010).

Geplaatst in Recensies.