Ilja Leonard Pfeiffer – Idyllen. Nieuwe poëzie

Een machtig vuurwerk

door Joop Leibbrand

Pfeijffer dicht als niemand ooit tevoren, juicht het achterplat. De aanduiding ‘Nieuwe poëzie’ in de titel claimt dus volstrekte uniciteit, en zou niet simpelweg betekenen dat Pfeijffer na de vier bundels die hij tussen 1998 (debuut met van de vierkante man) en 2005 schreef en die in 2008 in De man van vele manieren verzameld werden, los van het Poëzieweek-geschenk Giro giro tondo eindelijk met een nieuwe bundel komt. Maar voor zover deze poëzie ‘nieuw’ is, is dat hooguit binnen het oeuvre van Pfeijffer, en niet omdat met de Idyllen de dichtkunst onvermoede stappen voorwaarts zet. Gelukkig hoeft dat ook helemaal niet.

Bladzijden lange gedichten, regelmatig van leerstellig karakter en een consequent gebruik van gepaard rijm – het is dat de verzen geschreven zijn in alexandrijnen, want anders zou de eerste aan wie Pfeijffer hier doet denken Jacob van Maerlant zijn, de middeleeuwse didacticus die zijn strofische gedichten zo onvermoeibaar liet uitdijen.
Twee anderen lenen zich nog beter voor een vergelijking, niet toevallig te vinden aan het begin en het eind van de bundel. Hiermee gaat die van start: ‘De nacht is aangezegd. De warre uren waaien/ als klamme lakens waarnaar hete handen graaien.’ Het zal toch niet alleen door Pfeijffers huidige fysieke verschijning zijn dat dit de wereld van Marten Toonders Bommelverhalen oproept, dat hier markies De Canteclaer de toon lijkt te zetten?

Valt hier nog over te twisten, het vijftigste en laatste gedicht verwijst onmiskenbaar naar het laatmiddeleeuwse mirakelspel Mariken van Nieumeghen en dan met name naar het referein dat Emmeken daarin dankzij de inblazingen van Moenen (ook genoemd) ten gehore brengt. Het origineel begint met ‘O rethorijcke, auctentijcke conste lieflijcke,’ en Pfeijffer opent met ‘Retorica, mijn authentieke, magnifieke’. Het is alsof hij zich wil vereenzelvigen met Anna Bijns, die wel wordt aangemerkt als de auteur van de Mariken, ook al vanwege de stockregel die het referein beheerst: ‘Doer donconstighe gaet die conste verloren.’

Het is helemaal des Pfeijffers, die als poëziecriticus met enig fanatisme de ‘onconstigen’ de les las en nu, als om voorgoed met hen af te rekenen, ‘het oude’ tot ‘het nieuwste, het beste, het enige’ verklaart. Ging Bordewijks Bint die cirkelgang vanwege de verwildering die hij om zich heen zag, bij Pfeijffer klinkt voortdurend de maatschappelijke onheilsprofetie van de ‘aangezegde nacht’, van een ‘winter’ die dreigt, van een ordeloze, onrustige tijd vol tweedracht en beroering – het is het leitmotiv van de ‘warre winden’ die doorheen de Idyllen waaien.

‘Idyllisch’ zijn de gedichten dan ook allerminst; het zijn geen schilderingen van lieflijke, pastorale tafereeltjes. In een interview in Poëziekrant (januari 2015) zei Pfeijffer hier zelf over: ‘Er zit een licht elegische, apocalyptische ondertoon in, de gedachte dat de wereld zoals we die kennen niet lang hetzelfde zal blijven.’ Dat is mild uitgedrukt als je schrijft over plunderaars met baarden, je een wintertijd voorziet waarin handen aan kalasjnikovs verwarmd worden, omdat voor een jihadist de enige waarheid aanlokkelijk is, ‘want zij is waar’. En ook als je de tragiek beschrijft van de bootvluchtelingen, de Palestijnse kwestie, de strijd in het Midden-Oosten. Als geen andere dichter haalt Pfeijffer de wereld binnen, en hij roept de werkelijkheid waarin wij leven tevens op door het terloops en volkomen vanzelfsprekend te hebben over Easyjet, CNN, You Tube, Albert Heijn, Lingo, I-phones, Twitter, Facebook, selfies en smiley’s, etc. etc.

Het is maar één van zijn invalshoeken, want de bundel is ongelooflijk gevarieerd. Om daaraan recht te doen, is het dan wel nodig alle vijftig gedichten te lezen, en niet Pfeijffers eigen methode toe te passen, zoals hij die beschrijft in gedicht 9:

[…]
Je ziet, ik heb klassieke talen gestudeerd.
Het woord ‘te gronde richten’ heb ik daar geleerd,
alsmede de van pas komende vaardigheid
om met een indrukwekkende deskundigheid
te praten over iets wat ik nooit heb gelezen.
[…]

Idyllen is in de eerste plaats te beschouwen als één groot zelfonderzoek. Er zit daarmee heel veel Pfeijffer in de bundel, maar dat is vanwege een flinke dosis zelfrelativering allerminst een straf, ook al omdat veel regels een aforistische kracht hebben. Ik geef wat losse citaten: ‘Ik weet niet hoe ik mij moet zijn.’, ‘We zijn al lang ons eigen wezen niet meer machtig.’, ‘Ik wil leren zijn wie ik geworden ben.’, ‘Een ieder die bestaat, wil van bestaan genezen.’, ‘Ik ben mij evengoed als ik mezelf niet ben.’ ‘Er is iets wat niet klopt met mij. Er is een muur.’

Idyllen gaat verder met veel durf en in grote vrijheid over het schrijverschap en de dichtkunst (met veel verwijzingen naar andere dichters: Achterberg, Van Ostaijen, Nijhoff vooral. Pfeijffer moet zich als levensreiziger verbonden voelen met Awater.

In gedicht 7 neemt hij zichzelf en anderen de maat:

Maar vrienden, lieve dichtertjes van Nederland
en België, ik moet met jullie praten. Want
het weer is omgeslagen. Winter komt. De nachten
[…]
Wie nu nog durft te schrijven, heeft de dure plicht
iets méér te leveren dan een zesmingedicht
dat met verwondering naar de ontroering kijkt
en zeer ontroerd verwonderd echt op alles lijkt
wat eerder al ten onrechte werd aangezien
voor poëzie. (…)
[…]
Wie iets te zeggen meent te hebben, moet iets zeggen.
[…]
Geen deconstructies meer, geen cryptogram, geen quiz.
We zullen moeten leren zeggen hoe het is.
Ik heb het zelf in het verleden fout gedaan,
ontwortelaartje dat ik mij daar was. De waan
dat ik toch al losse schroeven nog meer moest
ontregelen en hoopjes zekerheden woest
moest ondergraven, heeft de zaak geen goed gedaan.
[…]
Dus vrienden, grote dichters van heel Nederland
en België, waar wordt geschreeuwd is taal vacant.
Ik vraag niets, wil niets, heb niets uit te leggen.
Maar kunnen we misschien beginnen iets te zeggen?

En Idyllen gaat over alles: over leven en dood (‘De dood is iets waaraan je levenslang moet wennen.’), de liefde (‘Wat liefde heet, is altijd een karaktermoord.’) en dan ook nog en in ruime mate – wellicht dankzij Genua – over de zee.
Het is lastig om alle Idyllen onder één noemer te brengen. Ze zijn lang niet allemaal moraliserend of satirisch; vele hebben het karakter van grotesken, nochtans zonder daarin vrijblijvend te zijn.
De virtuoos toegepaste vaste vorm overtuigt, de taal houdt de tekst overeind, soms met een bombardement van rijmvormen dat, omdat rijmdwang inventief doet zijn, regelmatig zorgt voor grote woordenrijkdom.

In gedicht 34 deed Pfeijffer zichzelf deze belofte:

Ooit maak ik nog een echt gedicht dat als een uurwerk
zijn kleinste wieltjes knarst en als een machtig vuurwerk
uiteenspat in patronen die patronen braken,
zoals wiskundige formules waarheid maken
die elke waarheid schitterend vermenigvuldigt.

Wat mij betreft heeft hij haar met Idyllen al ingelost.

***
Ilja Leonard Pfeijffer (1968) schrijft romans, verhalen, gedichten, columns, essays, kritieken, theaterstukken en songteksten en is ook nog bloemlezer. Het overzicht van zijn bij De Arbeiderspers verschenen werk telt inmiddels 22 titels.

Geplaatst in Recensies.