Gedichten

Kikker gooit handgranaat

1

Een manufacturenzaak in Oost, groot gezin,
met een broer sliep ik in het schuurtje.
De muizen, steeds. Vliegende muizen, zeiden wij.
’s Ochtends in je hemd door het gras
naar de gootsteen in de keuken.

De buurman had een kolenhok.
In onze tuin wrikte ik een plank los, onderaan,
dan schepte ik wat kolen weg, niet veel,
hij mocht de voorraad niet zien slinken.
Als je geen plezier had, lag het aan jezelf.

Veel op straat, laat op school.
De Berlagebrug stond open –
de broeder zei het eerder nog dan wij.
Lachen, streken, kleine rottigheid.
Scheldnamen, elke jongen. Ik was Kikker.

2

Bij Bertels stonden olietanks
met kranen buiten, aan de Keulsevaart.
Bij die fabriek met Duitsers,
daar liet je ’s nachts je pannetje vollopen.

Je ging de leeggehaalde huizen in,
je zocht naar penningen voor gas en licht.
Ik heb nog een matras gestolen van een schuit
met spullen uit die woningen:
Liebesgaben aus den Niederlanden.

De onderduik in Brabant, later, bij een boer.
Spruitjes plukken, koude handen.
Paard voor het karretje, tweewielig,
dan fluitend naar de markt.
Je droeg een hoed, een sjaal,
want jong zijn was gevaarlijk in die tijd.

3

Achttien was Fons, mijn broer.
Hij moest naar Duitsland.
We hoorden niets van hem.
Pas later kwam het nieuws:
bombardement op zijn fabriek,
waar ze machines maakten.

Ik heb betaald en hij is opgegraven.
Elk jaar ging ik naar Loenen,
bloempotje zetten in het gras.
Zwart van de mensen zag het dan.

Mijn zoon, die regelt alles nu,
hij krijgt elk jaar
de giro voor het onderhoud,
ik krijg elk jaar een foto.
Het ziet er keurig uit bij Fons.

4

Er was muziek in Medan, aan de kade,
dat was je welkom, maar wij mochten niet van boord.
Tyfus. Een dode jongen voorbij Port Said.
Dat een, twee, drie, in godsnaam voor altijd in je hoofd.

Geen gevechten meegemaakt, ik was chauffeur,
een beetje roken in zo’n legertruck, verboden, ja hoor,
dan zei ik dat mijn sigaret niet brandde.
Als je geen plezier had, lag het aan jezelf.

Soms, in een bocht, gooide ik een handgranaat
naar hutjes waar geen mens meer woonde,
het leek een aanval uit een hinderlaag.
Dan vuurden ze, de jongens achter mij, dan vuurden ze.

Geplaatst in Gedichten en getagd met .