‘Ik keer weer terug naar de vormvaste gedichten’

Hoe begint een aspirant-dichter met zijn eerste gedicht? In wiens traditie schrijft hij en wat zijn de regels? Weinig dichters vroegen zich dit af bij het schrijven van hun eerste werk. Voor hen en voor ieder die volgt is er nu Jos Versteegens toegankelijke poëzieboek De bliksem in je pen, met de basisregels en –begrippen voor iedereen uitgelegd.

Jos VersteegenJos Versteegen (Helden, 1956) publiceerde al zes dichtbundels en hij doceerde al lang poëzie op de Schrijversvakschool toen de vraag kwam van een redacteur van Meulenhoff of hij dat lesmateriaal niet eens wilde bundelen voor een boek. Daarom is er nu De bliksem in je pen¸ van de maker van dichtbundels als Slapen bij een warme man en Een huis verlaten (uitgeverij Nieuw Amsterdam). Kenners van de poëzie van Versteegen zullen niet vreemd opkijken van de grote aandacht voor metrum, stijl en regels in het boek. Van sonnetten tot parlando en van blank verse tot light verse: een beter boek voor aspirant-dichters verscheen er nog niet.

Dat was ook de bedoeling, aldus Versteegen, een goed boek schrijven voor beginners. ‘Ik wilde dat het voor iedereen geschikt zou zijn, niet alleen voor intellectuelen of ingewijden. Simpelweg beginnen met de vraag: wat is poëzie? Wat vinden mensen poëzie? Vaak zijn dat emoties. Ik probeer het beeld van poëzie dat bestaat te laten zien en dan hoe je de basis kan leren beheersen.’

Bij café Dwaze Zaken, vlakbij het Centraal Station in Amsterdam, zit hij achterover en vertelt over wat hij tijdens zijn cursussen en lessen tegen is gekomen. ‘Emoties anders uitspreken, indirect zijn, metrum of enjambementen gebruiken. Veel pubers schrijven gedichten die vol emotie zitten, maar te letterlijk zijn opgeschreven. Ik bedoel: je kunt wel opschrijven: ‘Ik voel me ellendig’ of ‘Ik voel me gelukkig’, maar dat maakt geen indruk op de lezer. Emoties zul je op een andere manier voelbaar moeten maken. Proberen om emotie in gedichten te krijgen vind ik goed; ik kan zelf ook niet goed schrijven als ik er niet echt iets bij voel. Dit boek kan op middelbare scholen gebruikt worden. Als ik docent zou zijn, zou ik humoristische poëzie laten lezen, waarbij leerlingen toch de techniek meekrijgen, bijvoorbeeld iets van Jan Kal. Geen moeilijke sonnettenreeksen.’

In het boek zitten veel voorbeelden van hoe goed om te gaan met zaken als metrum, rijm en beeldspraak, van Nijhoff tot Drs. P. Handig voor de beginnende dichter, meteen veel namen om meer over op te zoeken. Maar hoe zoek je uit de enorme schatkist van de poëziegeschiedenis de juiste namen en gedichten? ‘Ik ben uitgegaan van de techniek die ik wilde overbrengen en daar heb ik voorbeelden bij gezocht. Soms kwam het in me op en soms bladerde ik door bundels tot ik een treffend gedicht vond. Niet met elke dichter heb ik evenveel. Met dichters als Nijhoff en Ida Gerhardt bijvoorbeeld wel. En met Hans Warren, op hem ben ik destijds afgestudeerd bij Moderne Letterkunde. Dit boek was ook een kans om in oeuvres van dichters te duiken.’

Naast veel hoofdstukken over de techniek van het dichten, geeft Versteegen ook liedteksten de ruimte, evenals publicatietips en een beknopt overzicht van de afgelopen honderd jaar in de Nederlandstalige poëzie. ‘In de afgelopen eeuw is alles langsgekomen. Het sonnet is in de mode geweest, evenals poésie pure, experimentele werken, postmoderne poëzie, light verse. Alles zit in die eeuw, en het laat je zien wat er mogelijk is. In al die genres kun je het ideale gedicht nastreven – ook al is dat misschien onhaalbaar – en ondertussen je eigen toon te hopen te vinden. Mensen hebben een karakter – hun poëzie moet dat ook hebben. Iemand als Reve had dat heel duidelijk, iedere alinea van hem is ‘vintage Reve’. Daar houd ik van.’

Als Versteegen over zijn eigen werk praat, wordt duidelijk waarom hij dit boek heeft geschreven. ‘Toen ik begon met het schrijven van gedichten, was ik heel vormvast bezig. Het metrum vond ik belangrijk. Nu noem ik dat meer de muziek in de tekst. Het blank verse vind ik prettig, ik voel me daarin thuis.’

Wanneer de plannen voor 2015 en 2016 doorgaan, kan Versteegen nog steeds groeien in zijn carrière. ‘Ik werk voor de Poule des Doods en schrijf dus gedichten voor eenzame uitvaarten. Toen ik een gedicht schreef voor een vrouw uit een verzorgingstehuis ben ik met haar verpleegsters in gesprek geraakt. Ik dacht, al schrijvende over overleden mensen, waarom probeer ik niet levende mensen te vragen naar bijzondere gebeurtenissen uit hun bestaan en daar een gedicht over te schrijven? Het zijn soms heftige verhalen die ik te horen krijg: een man verloor zijn broer in de oorlog en later zat hij op een schip naar Indië waar tyfus uitbrak. Daar vertelt hij over en ik maak daar een gedicht van. Oude mensen praten graag over de grote gebeurtenissen uit hun leven, maar als ze eenmaal overleden zijn, is er geen back-up. Dan verdwijnt alles. Met mijn dichtbundel probeer ik daar iets tegenover te stellen, ik probeer iets vast te leggen. De bundel moet in het najaar van 2016 uitkomen bij Nieuw Amsterdam. Daarnaast ben ik bezig met het vertalen van de sonnetten van Hans Keilson, een Duitse Jood die voor de oorlog naar Nederland is gevlucht. Via deze teksten – geschreven voor de vrouw van wie hij hield – kom ik weer terug bij de vormvaste gedichten.’

Het boek De bliksem in je pen is uitgegeven door Meulenhoff. Versteegens dichtbundels verschijnen bij Nieuw Amsterdam.


Geplaatst in Interviews en getagd met .