Piet Gerbrandy – Voegwoorden. De gedichten

Twerkzucht van woorden

door Hans Puper

Kleppert uw briefbus heft zich reikhals uw roede
Lichamen zwellen gedwee waar berging gloort voor hun omvang.
Tegen twerkzucht van woorden zijn geen principes gewassen.

(Kelderwijn, p. 634)

Ook als je alleen deze regels op een stukje papier zag staan, zou je direct weten dat ze van Gerbrandy zijn: de nieuwvormingen, de taal als onweerstaanbare verleidster, de noodzaak van een passende vorm – de glorende berging -, zijn humor, zijn zichtbare plezier in de formulering. Dit zijn constanten in zijn werk en dat blijkt nog eens overtuigend uit zijn verzamelde gedichten die in januari verschenen onder de titel Voegwoorden. De gedichten, met daarin de bundels Weloverwogen en onopgemerkt (1996), Nors en zonder haten (1999), De zwijgende man is niet bitter (2001), Drievuldig feilloos vals (2005), Krang en zing (2006), Scheiden wij (2007), Vriendinnen (2008), Morgen ben ik vrij (2010), Smijdige witheid (2011), Vlinderslag (2013) en twintig nieuwe gedichten onder de naam Kelderwijn (2014). Achterin het boek is een uitgebreide verantwoording opgenomen, inclusief de door Gerbrandy vertaalde Griekse en Latijnse citaten.

Hoewel veel van zijn gedichten helder zijn, wordt hij beschouwd als een ondoorgrondelijk dichter en dat komt doordat het bij hem in de eerste plaats gaat om het fysieke van de taal; de betekenis geeft zich daardoor vaak moeilijk prijs. Hoe hij dat fysieke oproept, is bekend: hij dwingt de lezer de taal op zichzelf te ervaren doordat hij compact schrijft, vaak lidwoorden en leestekens weglaat, de syntaxis overhoop gooit, archaïsmen gebruikt en nieuwe woorden vormt. Als je vervolgens hardop leest om de ambiguïteit van regels en, op zijn minst, een deel van de betekenis tot je door te laten dringen, word je meegevoerd door een wisselend ritme:

Memmen verleer me de taal van uw hui
die niet botert met wrongel verhaal
me hoe onder uw romig lommer

vandaan ik op jacht moest naar spraak
om het zijnde te schiften. En zie

huid werd schors armen takking van deelzaam
geritsel en struikeling wekkende wortels

vliegden wand voor mijn opper van blad plag
mos waar ik snijdende lijnen korf in mijn tors
tweevuldig de neg van mijn zakmes.

Stremde bloed wat het zong was uw blauw.

Wordt rokopwaartse blik ooit gestuit doe in tetragonale
arrondisementen vol jurisprudentie perfect cycloïden
beschrijvende pendels ik zaken met hektische vaders.

Vooralsnog stem ik in met uw tongen.

leiblauw tegen de groene regenlucht

(Drievuldig feilloos vals, p. 223)

Verhelderend is een interview met Henk van der Waal (in: Henk van der Waal en Erik Lindner, Gesprekken en essays over de kunst van het dichten. Querido, Amsterdam, 2009). Hij vertelt daarin dat hij als jongen van zeven graag dominee wilde worden, omdat het hem fijn leek om iedere zondag op de kansel te staan bulderen – een geamuseerde terugblik van een volwassene die het gereformeerde geloof uit zijn jeugd allang achter zich heeft gelaten. Vervolgens vertelt hij dat bijbeltaal hem ontzettend aansprak vanwege de onbegrijpelijkheid. Ook toen al ging het om de magie van de taal en niet zozeer om de betekenis.

Maar een dominee die zijn toehoorders laat sidderen met het luid en met nadruk uitroepen van onbegrijpelijke woorden die rechtstreeks afkomstig lijken te zijn van een toornige god, kan niet zonder hen en Gerbrandy niet zonder lezers: hun retorica zou in het niets verdwijnen. En een retoricus is Gerbrandy: met zijn taalgeweld houdt hij ons moeiteloos in zijn ban. Schijnbare orakeltaal, vaak in combinatie met de gebiedende wijs, speelt daarin een onmisbare rol.

Het gedicht staat tussen de dichter en lezer in, het is geen middel tot direct contact. In het allereerste gedicht schrijft hij:  ‘Wel bevindt zich tussen u / en mij een withete stalen plaat / waarop wij spugen voor de gezelligheid.’ In Drievuldig feilloos vals geeft hij hem een actieve rol: ‘De dichter slaapt je / lezen zal hem wekken / vriend ( … )’ Dat ‘vriend’ heeft iets dreigends: misschien roept de lezer onheil over zich af. In Vlinderslag blijkt dat inderdaad zo te zijn: een goede dichter verlamt zijn lezer als een sidderrog, omdat hij hem de duisternis in zichzelf laat ontdekken. Hij brengt die aan het licht, maar wel zo ‘dat ze hanteerbaar blijft. Zonder koele vorm werkt het vuur uit de afgrond verlammend’, laat Gerbrandy de Romeinse dichter Claudianus zeggen in een fictieve dialoog. In het motto van Kelderwijn, bestaande uit vijf regels van Bernardus Silvestris, benadrukt hij die noodzaak van een strakke vorm opnieuw. In de vertaling van Gerbrandy: ‘Kale materie, vormloze chaos, strijdige dichtheid, bont gelaat van het zijn, dissonante klomp – woelig wenst zij orde, onbewerkt vorm, ruig verzorging, en in haar begeerte te ontkomen aan de aloude beroering verlangt zij ambachtelijk tellen en boeien van harmonie.’

Gerbrandy wil dat een gedicht het volgende doet:

Bevestig een klikslot dat uit liefde zich opent.
Verstop je diere gelden vindbaar ontneembaar.
Versleutel je taal laat je wachtwoord ontbloot.

Geef ‘s nachts op wat je ’s avonds hebt gedronken.

Bevestig alles wat tegen je wordt gebruikt.
Ga in aanval om verlies te oogsten
pyrrha in de triomf van je bloedrode omkomst.
Weerleg je meest sexy hypothesen.

Waar grammatica kiert kent lichtval een uitweg.
Niemand kiest vrijwillig onkraakbare codes.

Bouw gebouwen die afbreekbaar zijn
brouw synthesen die afbreekbaar zijn
knoop connecties die afbreekbaar zijn.

Koop kousbanden om ze af te stropen.
Verhul je schoonheid om te openbaren.
Wijs mij af opdat ik je verover.

(Kelderwijn, p. 627)

Fietsen is een metafoor voor dichten. In Weloverwogen en onopgemerkt schrijft hij:  ‘Fiets langer dan wie ook in storm – / toch kom je, knapt er niets, (niets / aan te doen) steeds aan.’ Dat is niet genoeg, dat zie je aan de ontwikkeling in zijn poëzie. Wat is geweest, verliest zijn aantrekkingskracht en de dichter moet daarom nieuwe wegen inslaan:  [De weg] ‘is in zoverre bepaald dat ik uiteindelijk wil uitkomen waar ik vertrokken was. Omdat de tijd beperkt is en het aantal paden en wegen eveneens komt er een moment waarop alle mogelijke routes gereden zijn. Dan moet je verhuizen. Of opnieuw beginnen. Verhuizen is beter.’ (Vlinderslag). Zolang hij leeft, eindigt dat proces niet. De laatste strofe van Kelderwijn : ‘Voor je uit fietst steeds langer je schaduw. / Je tracht hem voor nachtval nog in te halen / al wijst hij een weg die jou zoekt.’

In de vorm zie je die nieuwe wegen terug en nu je alle bundels in een band hebt, zie je hoe Gerbrandy varieert, speelt en experimenteert en dat met een verbazingwekkend technisch vernuft. Hij gebruikt ‘bodems’ (cursieve citaten na de gedichten, onder aan de pagina), gedichten die eindigen in titels – in Krang en zing 52 dikgedrukte werkwoorden in de gebiedende wijs, die ook zijn te lezen als zelfstandige naamwoorden of bijwoorden, zoals ‘Brand’, ‘Hang’, ‘Laaf’, ‘Schouw’, ‘Juk’, ‘Jen’ ‘Zing’, ‘Niet’. ‘Laaf’ is niet alleen een gebiedende wijs , maar ook een ‘scheldnaam voor eene vrouw of een meisje dat dom is of zich slecht gedraagt’ (WNT); ‘juk’ niet alleen een zware last, maar ook de gebiedende wijs van jukken (‘jeuken’- WNT); ‘jen’ niet alleen de gebiedende wijs van ‘jennen’, maar ook  ‘grap, aardigheid; pleizier’(WNT); ‘niet’ zowel bijwoord als gebiedende wijs van ‘nieten’. En in iedere woordsoort passen ze bij de gedichten.
Vanaf Vriendinnen tot en met Vlinderslag neemt hij proza op. Ik laat in het midden of je hier van proza, prozagedichten of een combinatie daarvan moet spreken. Zeker is, dat je het zeer geconcentreerd moet lezen. Een voorbeeld uit een tekst van tweeënhalve pagina:

Ik schrijf je. Jou wordt door mij geschreven? Ik vorm je met de machine die mijn zintuigen vervangt. Zo zie ik je. Zo vrij ik je. De grammatica van het vrijen ligt niet vast. Het komt erop aan de juiste fouten te maken. Mij te ontrukken aan de regels van mijn kamer.

(Vriendinnen, p. 356).

In Smijdige witheid zijn de weinige gedichten in hun geheel opgenomen in proza. Opmerkelijk is het gedeelte ‘Zonder kleerscheuren’, dat is gepresenteerd als een eenakter. Een zinnetje over mensen die op een terras wezenloos voor zich uit staren zal ik niet meer vergeten: ‘Hun blikken zijn naar buiten gericht want binnen valt niets te beleven’. In de eenakter en de pleitrede ‘Fluisterende lippen’ hoor ik de echo van Rupert van Pfeijffer, maar voor het waarderen van deze gedeelten hoef je die niet op te merken. Ik ga ervan uit dat hetzelfde geldt voor de allusies die aan mij voorbij zijn gegaan en dat moeten er vele zijn, gezien de belezenheid van Gerbrandy.
Kelderwijn bestaat weer uitsluitend uit gedichten. Zonder af te doen aan het proza, moet ik zeggen dat die me toch het best bevallen. Kelderwijn gaat onder andere over het schrijven van poëzie, de tegenwerkende omstandigheden daarbij en die desondanks ‘met de regelmaat van een IJslandse geiser [wordt] afgestoten’. Deze laatste formulering is afkomstig uit ‘Weemoedig en zonder wrok’, waarin Gerbrandy bij wijze van nawoord schrijft over zijn ‘futiele existentie.’ Een mooi stuk, waarin hij ‘doet alsof hij doet alsof’, zoals Karel van het Reve het gedrag van Frits van Egters in De Avonden typeerde. Zijn eerste bundel komt daarin voor als ‘Opdringerig en onwaardig’ en zijn proefschrift De gong en de rookberg als ‘Het honk en de rookpaal’.

Opvallend is zijn verwantschap met Reve, met name in Weloverwogen en onopgemerkt en Nors en zonder haten. Net als hij is Gerbrandy een romanticus, met humor en zelfspot als wapens tegen een barre buitenwereld. Hij schrijft over alcohol, seks, wanhoop, weerzin en masturbatie en heeft, zoals Reve dat zo mooi formuleerde, talent voor ‘geoudehoer waar zegen op rust’: ‘Wij zitten, lul ter hand, op rug / van wijzen danig om ons heen / te denken. // Zo vinden wij de boomgrens / goed geregeld en waarderen wij / ontbreking van de dood.’
De humoristische formuleringen vormen een constante: ‘de beet ( … ) in romige stolpen van klier; Aan zijn onderbuik was vlees / bevestigd dat bestierf, hoe eetbaar / ook voor niet kieskeurigen; scheer mijn grijze schedel raspend; ‘Graag hielpen wij winkeldochters uit hun te strakke / koopjes dotterden hun tasjes met genoegen’.

In deze recensie heb ik noodzakelijkerwijs veel ongeschreven gelaten, omdat Gerbrandy’s poëzie zo veelzijdig is. Lees Voegwoorden, zou ik zeggen. Dat boek is van een man die tussen nu en vijf jaar de P.C. Hooftprijs zal winnen, niet alleen vanwege zijn poëzie, maar ook door zijn talrijke studies, essays en recensies.

____

Piet Gerbrandy (2015). Voegwoorden. De gedichten. Atlas Contact, 672 blz. € 39,99. ISBN 9789025445546

Geplaatst in Recensies.