Antjie Krog – Medeweten

Goedschikse verkloters

door Joop Leibbrand

Medeweten luidt de titel van de nieuwste bundel van Antjie Krog. Het is een begrip dat veel verder gaat dan ‘medeleven’, dat weker is, slapper; invoelend en goed bedoeld, maar ontdaan van de verantwoordelijkheid die mede-weten door de rationele component wel impliceert. En over verantwoordelijkheid en bewuste stellingname – betrokkenheid vanuit politiek bewustzijn en doorleefde menselijkheid – gaat het in dit werk, of het nu maatschappelijke verhoudingen of menselijke relaties betreft. Alles is een kwestie van zich rekenschap geven, consequenties doorzien, betekenis toekennen, deelnemen, partij zijn en daarvoor kan de aanleiding zowel in het heden liggen, bijvoorbeeld een schokkende misstand ten gevolge van het ongelijkheidsdenken en falende rechtspraak, maar ook in het verleden, zoals bij een sterfgeval (er wordt in de bundel ruimhartig gestorven).

Het opvallendste kenmerk van Krogs poëzie is de intensiteit ervan. Zij verstaat de kunst woorden te doen zinderen van spanning. Het zit in de scherpte waarmee zij scènes tekent, de vrijmoedigheid waarmee zij schrijft, haar directheid, vooral de absolute overgave aan de taal. Het is poëzie die in alle opzichten geëngageerd is en waarin zij zelf dus volop aanwezig is.

In zijn Volkskrant-column van 28 februari wijdde Remco Campert bewonderende regels aan ‘om bemin te word deur ‘n digter’ (blz. 224). Feilloos wees hij daarmee op wat inderdaad een van de beste gedichten van de bundel is. In de krant liet Campert zes regels weg, hier volgt het helemaal:

 

bemind worden door een dichter

vlak bij de Meir loop ik Veerle tegen het lijf
bruin haar     scheve baret     laarzen jas

hoe gaat het? ze vertrekt haar mondhoek
even maar alsof het er niet toe doet

haalt haar schouders op en knikt we groeten
en lopen ieder een andere kant op

ik kijk nog eens om maar ze is al verdwenen
gewoon tussen de anderen als de anderen

en niemand weet dat zij ooit is besnuffeld
door goddelijke hersenen dat zij gerafeld

van passie uit haar lakens is getuimeld dat
zoveel geilheid in haar holtes is gedroomd

zoveel landschappen tussen haar benen open
gesnorkeld zijn dat elke dag elke kant op kon kantelen

gestuwd werd zij door
een begaafde onder de goden

nu is hij dood      ze heeft hem tot het einde toe bijgestaan
en loopt gewoon als gewoon mens tussen anderen

(Antwerpen 2008)

Een overrompelend realistisch gedicht, waarin Krog zich in volstrekte vrijheid het onderwerp – de haast goddelijke erotische oerkracht van de dichter – volledig toe-eigent. Zij lijkt in de korte ontmoeting met de wat schuw reagerende weduwe Claus op afstand te blijven, als óók een gewoon mens, maar in wezen gaat het om wat zij in zichzelf ervaart en teweeg zou willen brengen. Dat maakt de haast schokkende kracht ervan uit.

Krogs poëzie lezen vereist concentratie; zij is een talige dichteres, met een zich virtuoos vernieuwende woordenschat. De vorm zet zij naar haar hand: in de versregels staan vaak extra spaties om woorden of zinsfragmenten apart te zetten, op die in eigennamen na ontbreken hoofdletters, komma’s zijn een zeldzaamheid en eindpunten ontbreken ook, hoewel punten soms wel binnen de versregel opduiken. Het maakt dat iedere keer weer de volledige nadruk op de woorden valt.

Medeweten begint imponerend met de dertiendelige cyclus ‘die werf’ (‘het erf’), waarin de geschiedenis verteld wordt van de ‘plaas’ (de boerderij) die sinds 1861 familiebezit was. Het eerste gedicht, ‘ek wil ‘n graf hê om van om te draai’, doet in tien strofen van zes regels beeldend verslag van de begrafenis van haar vader:

‘ik wil een graf hebben om van weg te gaan’

de lijkwagen rijdt langzaam door rijpwit winterveld
binnenin hobbelt de grenenhouten    kist de zoons en kleinzoons
van mijn vader      zakdoek om de hand gewonden
tillen de kist aan touwen op en dragen hem naar het graf
waar drie dagen over gedaan is om het in basaltsteen
uit te houwen                                  een ijzige zuidenwind snijdt

door ons gezan: nader, naderbij
mijn broers huilen als afgesnedenen     de dood
duwt ineens in ieders rug     U doorgrondt
en kent mij      er valt een pasgeschoren schapenvacht
over de kist     de dominee leest de Oude
Vertaling zoals mijn moeder opgedragen heeft

Krog beschrijft verder hoe het ‘in het snijdend koude Vrystaatse schitterlicht’ is alsof er ‘iets zuchtends’ uitgaat ‘van ons Afrikaner geweten onze taligheid onze witheid’. Het schrijnt dan ook, als Hendrik Nakedi ‘in een van Pa’s oude ribfluwelen jasjes’ naar voren komt ‘met grond in zijn eeltige hand’ en even later Kapi, ‘pa’s trekkerrijder’ integen stelling tot de broers wél met de schop kan omgaan om het graf te dichten.
De slotstrofe verwoordt indringend het sprakeloze onvermogen dat onlosmakelijk aan de situatie verbonden is:

hij is weg en we drijven al uiteen      wat
we ook al wilden       elk treurend woord
elke vergiffenis elke liefdesverklaring die we wilden
afgeven komt te laat jeetje Pa stuur iets                      gewoon iets
waaruit blijkt dat je het vóélt: de keiharde onstuitbare
kielhaalaard                  van rouw

Ik vind Krog het sterkst in deze heel sobere, directe gedichten. Ze ademen urgentie. Maar ze heeft ook een lyrische kant en dan krijgt haar poëzie iets exuberants, wordt haar taal van een bijna orgastische weelderigheid. Een mooi voorbeeld daarvan is het begin van ‘leef de mythe’, het zesde gedicht van de ‘Erf’-cyclus:

hoe oneindig duizelt het uiteinde van de grond-als-die-van-ons
eucalyptus-wilg- populiermonogrammen van wij-zijn-hier
geplant     de beek lauw ‘s avonds van amandellicht en hier geboren
sterren parelhoenders en kieviten die al eeuwen uit het gras zwemen

Of lees hoe zij in ‘Verlies’ geëmotioneerd afscheid neemt van haar zoon die het huis verlaat:

[…]

hij draait zich om naar zijn tassen
en mijn lijf scheurt van voren naar voren open
de naden van mijn armen barsten open

en kwetsen bloedend achter zijn liefhebbende nabije lijfelijkheid aan
zijn lijfzijnde lijfheid die uit mij geworden is
uit alles wat gloeiend als kool in mij was en onbevaren
onaflosbaar openbarend was zijn lijvende geliefdheid

dit kind dat ik ook met mijn armen heb gekoesterd
en zijn luidkeelse heelhuids zingende wangen

kind
kind van mijn borst
laat me niet alleen
mij en dit brandende ontworde onuitgesproken godvergalde vaderland

De laatste regel roert een van de belangrijkste thema’s aan van de bundel, de in te nemen positie tegenover het geliefde maar zo getormenteerde vaderland. Indrukwekkend is hoe zij uit naam van slachtoffer Cynthia Ngewu in ‘hou jou oor teen die skeur van my land’ schrijft over ‘verzoening’, hoe zij in ‘mirakel’ stelt ‘ik behoor toe aan dit land/ het heeft mij gemaakt// ik heb geen ander land/ dan dit land’, terwijl zij weet: ‘maar onze begraafplaatsen blubberen van de veronachtzaamde/ geïnfecteerden de vermoorden de verkrachten de diepbedroefden’.
Van ongemene kwaadheid getuigt ‘Vrouwe Justitia geblinddoekt’, dat keihard en met alle grofheid die nodig is niet alleen de misstanden in Zuid-Afrika aan de orde stelt, maar vooral wat er politiek-maatschappelijk mis is in de hele wereld. Machthebbers zijn verkrachters, hebben een leugentronie, zijn Heer Edelachtbare Boerenlul, Hoogwelgeboren Droplul, Weledelgestrenge Oetlul (respectievelijk ‘Boerpiel’, ‘Soutpiel’, ‘Akkerpiel’). Het zijn geen woorden die je in een poëziebundel verwacht, maar daar heeft Krog duidelijk lak aan, ze straalt iets uit van ‘als het je niet bevalt, lees je het maar niet’ en weet zich daarbij gesteund door de schrijvers (o.a. Coetzee) op wier teksten zij zich baseert. Ze besluit de tekst tamelijk illusieloos met

[…] uiteindelijk blijven, waar je ook bent, de
fundamenten waarop alles rust corruptie en medeplichtigheid
maar de gevaarlijkste van deze zijn de schone handen

Zelf haar handen in onschuld wassen, is wel het laatste wat ze zou willen. Wit, hoog opgeleid, behorend tot de bezittende klasse, het zadelt je op met een maatschappelijke schuld die niet de jouwe is maar waarvoor je wel de verantwoordelijkheid draagt. Het is de spagaat waarin Krog zich regelmatig aantreft en die ze indringend verwoordt.
‘Grond hoort niemand toe’, schrijft ze enkele malen, maar ze is met hart en ziel in haar Afrikaanse land geaard.

Medeweten is een rijke bundel, bijna overdadig. De 66 vaak lange gedichten snijden een veelheid van thema’s aan: familie en (klein-)kinderen, de verhouding baas-bazin, landschap en natuur, erotiek en seksualiteit, de kwetsbaarheid van het eigen lichaam, de dood (met bijna heiligende gedichten voor Mandela). Daarbij durft ze volop te experimenteren met de versvorm en is het duidelijk dat ze er zelf van geniet de grenzen van de taal op te zoeken, zoals ze dat met name in de laatste gedichten doet, ‘pogungen tot linguïstische synaps-opsporing’. De tussen haakjes geplaatste slotregel daarvan is onthutsend: ‘we behoren uitgeroeid te worden liefste/ als zintuigloze haatdorvende gierschijtende dozen goedschikse verkloters)’.

Medeweten werd vertaald door Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer. Er wordt niet verantwoord wie wat deed, ze zullen dus als vertalerscollectief gezien willen worden. Op de even bladzijden links staat steeds de Nederlandse tekst, rechts het origineel. Haast automatisch lees je daardoor de gedichten twee keer en voelt het Afrikaans al snel vertrouwd.

In ‘een mens te eten geven’ stond eerder: ‘voedsel in gulheid te wikkelen is een morele daad’. Zo zou je het aanbieden van zoveel bijzondere poëzie ook wel kunnen beschouwen.
Dank, Antjie Krog!

***
Antjie Krog (1952), die al op haar achttiende debuteerde met de dichtbundel Dogter van Jefta is uitgegroeid tot een van de belangrijkste dichters van Zuid-Afrika.
Naar aanleiding van de verschijning van Medeweten en aan de vooravond van Poëzieweek had Sander de Vaan voor Meander een gesprek met haar. Lees hier het interview en hier een drietal gedichten uit de bundel.

 

Geplaatst in Recensies.