Gedicht

Opnieuw wonen

  1

Laten we weer gaan wonen in het oude
huis ook al is het beschadigd, dat
herstellen we wel, later, en dan nemen we de oude
hunker als bed, gaan zitten in oude verhalen, zetten
de borden tussen de butsen op tafel, scheppen ze vol

met wat we vroeger ook aten. En zo
worden we bijna gelukkig misschien, koesteren
de doden stil in hun graven, schoffelen die elk
seizoen met een ander soort weemoed terwijl
we verzinnen wat ze nu zouden. Laten we

weer gaan leven op de krakende vloer
als vanouds wat rag in de hoeken.

  2

— Nee, dat gaan we niet doen. We bouwen
een nieuw huis, maken een nieuw
kind en dat geven we een nieuwe naam.

We gaan niet met roestige teilen, emmers en heimwee
sjouwen onder een lekkend dak, niet langer
kermen om hoe het was, de stad
is verwoest ja, en ja een voltreffer gooit
ook de inboedel plat van het hart. We gaan

dansen onder een nieuw
dak en onder nieuwe lakens onstuimig
een liefde uitvechten, nieuwe borden volscheppen
met onbekende gerechten.

  3

— Vanwege? Opdat? Laat die
oorlog toch zitten gekkie, hou op met je
hooggehakt droefzwart strompelen over die catwalk
alleen om schamel applaus en gejoel van een
schimmenpubliek binnen te slepen. Stamp

liever blootvoets stamp
tot een onhoudbaar ritme door je benen je bloed
swingt je longen vult, uit je poriën dampt. Wij

hebben genoeg huiver
door ons lijf voelen trekken, bang bang
bang kun je zijn voor wat ons straks zal kortsluiten.

   4

— Goed dan, we laten de muren staan, lappen
de ramen, boenen de bloedvlek niet weg maar
gooien de tobbe de deur uit slopen de bedstee+het
armoedige aanrecht vanwege onze huidige
passie en kost. Akkoord, die

tafel met butsen mag blijven, ja ja ook
een hoekje met spinrag, we bouwen
er wel een altaartje onder met

parafernalia foto’s en kaarsen, oké die
horen erbij tot ook wij.

Geplaatst in Gedichten.