Albert Hagenaars is op de eerste plaats dichter maar was ook jarenlang poëzierecensent voor De Haagsche Courant en NBD Biblion. Hij publiceerde in bladen als De Tweede Ronde, Maatstaf en Raster en in tal van bloemlezingen. Enkele van zijn bundels verschenen in een andere taal (Engels, Indonesisch en Roemeens). Ook werd poëzie van zijn hand op muziek gezet, tot dusver door componisten Wim van den Boom, Dirk Stromberg en Jan Walraven. Hij heeft een fascinatie voor niet-westerse culturen en verblijft beurtelings in Nederland en Indonesië. Als vertaler werkte hij, samen met zijn vrouw Siti Wahyuningsih, voor onder meer The Maastricht International Poetry Nights, Read my world en Poetry International en met John Irons voor Poetic Synapses.
foto © Ning Magnolia
Uit zijn JAVAANSE SUITE vier gedichten:
–
Vergulde garnalen klampen zich vast
op de siertorens van het witgekalkte stadhuis,
tere rivierkreeften die een stad voortbrachten
–
met niet minder dan drie kratons, ontelbare intriges
en aas waar machten hun tanden om sloten
–
en doorbeten en vraten en doorvraten:
–
zo de Chinese admiraal met zijn immense vloot,
verstuiver van het zaad van het zuiverste geloof;
–
zo de vroegoude planters met hun zwoegers
in dienst van durfinvesteerders aan de Zuyderzee;
–
en zo de British-American Tobacco Company.
–
Toch bleef Cirebon Cirebon; haar kieuwen
zogen zich onder de ragfijne pantserplaten
–
vol, spogen invloeden van verre uit.
–
–
–
–
SEMARANG
–
De pit: de school van de profeet, geplant
door zijn missionaris. Verjaagd uit Demak
verzadigde hij zich hier aan de smaak van wraak.
–
De groei: schepen vol virussen van de VOC
meerden aan, handel in zijde en koelies om de gunst
van de sultan in de verre bamboestad nam toe.
–
De bloei: golvende tabaksvelden, derdehands
zweet, de koppeling van wegen en spoor
en de blanke zuilen van de nieuwe stand.
–
De roede: de Rode Stad van de PKI,
haar dram van gelijk en gelijkheid gesmoord
in het vereffenen van veel persoonlijker schulden.
–
Het lot: vluchtende ratten, verzakkende
fundamenten, het gegorgel van weggepompt
wordend water, dit alles verbeten vastgelegd
–
door de oude ambtenaar die begin en einde
van de steden aan deze kust kent maar ’s nachts
als dichter ook de prijs van genadebrood.
–
Strijdbare strofen gaan zijn rapporten dan te boven.
–
–
–
–
JEPARA
–
Hout woekert in de valleien, op de flanken,
voedt een stad van bijlen, zagen en beitels.
–
Het kappen en hameren klinkt door tot
in het verre huis van de regent, haar vergulde kooi.
–
In de taal van de bezetter schrijft ze
over wetten en rituelen, hekelt de veelwijverij
van de adel en het lot dat vader haar aandoet.
–
In stijve bruidskleding brengt ze het ten uitvoer,
paart en baart maar bezwijkt in het kraambed.
–
Meubels uit Jepara staan in de halve wereld,
haar naam blijft door de brieven bewaard
in prijzen, een gecorrumpeerde nationale dag
–
en inslagkrater Kartini op Venus.
–
–
–
–
MALANG
–
Malangkuceswara, onthult de verweerde steen:
God straft de onreinen, sterkt de verkorenen.
–
De naam in de annalen laat evenmin te raden
over: opstandig, lastig te veroveren gebied.
–
Hij hoort beschadigde stemmen opstijgen
uit lagen lavazand, zaad en bloed
–
en zakt tussen gelijken van kaste kniediep
in de modder. Genadeloze zon. Kleurenblind
–
bukt hij en plant en ervaart, levenslang
gebogen, in de kiemen de drift van voorvaderen
–
die zijn have en goed moet vrijwaren
voor de vijand, zijn nageslacht voor de grillen
–
van het hof: onschuldig glimlachende
edelen op schimmelende foto’s in het museum.
–
Bij de uitgang keer ik terug en bevestig
alsnog mijn bezoek in het gastenboek;
–
ontdoe hun heden van ons verleden.


