LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Daan Cartens – Slagveld tijd

6 apr 2026

Poëzie omrand met klatergoud

door Taco van Peijpe




Daan Cartens schreef van 1988 tot 2025 vijf dichtbundels, die werden uitgegeven door zijn ‘broer en meest kritische lezer’ (aldus de Verantwoording). Bij zijn afscheid als conservator bracht het Literatuurmuseum deze bundel Slagveld tijd uit, waarin de genoemde bundels zijn samengevoegd. Deze muzikale verzen over thema’s als liefde, leven en dood zijn geschreven door een onmiskenbaar belezen en taalvaardige dichter. Een aantal eenvoudige gedichten vind ik goed geslaagd, vooral in de bundel Op pauwenkussens zacht, opgedragen aan de nagedachtenis van de man van de dichter.

Als voorbeeld citeer ik het gedicht waarmee die bundel opent en ook weer afsluit.

I

O liefste
die nu ligt op pauwenkussens
zacht, je keizerrijk was hier,
van deze aarde, aarde zacht,
waarin ik je nu rusten laat,
in houten nachten lang, droom
van alles wat je had,
maar niet alleen, in deze aarde
zacht, slaapt ons beider
hart.

De overleden geliefde wordt betreurd in vloeiende verzen. Met milde woorden worden het graf en de houten kist aangeduid. In de vierde regel verschijnt de ‘aarde’ als de wereld waar het leven zich heeft afgespeeld en meteen daarop als de zachte grond van het graf, waarin de nabestaande zijn hart meegeeft.

Ook mooi vind ik dit liedje uit 2007.

SLAAPLIEDJE

Scheep mij dan af met slaap. Jouw slaap.
Sleep mij dan zwevend door de nacht. Jouw nacht.
Ik sla een hand om jou, mijn waan wil
waar jij heen wilt gaan, nooit zul je ergens
zijn dan waar je naam je scheep laat gaan.
Nachtkompaan.

Op de toon van een kinderliedje met weinig pretentie, maar welluidend, vol met weinig opvallend rijm en een origineel slotwoord wordt het beeld opgeroepen van een intiem en liefdevol samenzijn.

In veel andere gedichten in deze bundel mis ik het streven naar perfectie dat bij het maken van goede gedichten hoort. Dat blijkt bijvoorbeeld uit te opzichtig en vaak ook te zeer voor de hand liggend rijm: ‘September was het en september zal het zijn. / En elk jaar dezelfde druiven en dezelfde wijn / geschonken om te stillen het scherpst venijn (…)’. Er komen ook veelvuldige herhalingen voor die misschien in een voordracht wel effect sorteren maar storend worden bij aandachtig lezen en herlezen. Bijvoorbeeld in één gedicht: ‘In de morgen hoor je me, hoor / je me stamelen, o liefste, (…) maar niet je bloed, jouw bloed. (…) Bij het ochtendgloren roep ik je / roep ik je naam,(…)’. Elders: ‘een zon die meedogenloos klom en klom,’ en ‘En toen en toen en toen.’ of ‘van al, van al, van alles’.

Cartens is een muzikale dichter; hij gebruikt woorden die zich goed voegen in de voorafgaande en de volgende klanken, maar bij zijn woordkeus had hij mijns inziens meer aandacht moeten besteden aan de betekenis en interne samenhang van de gedichten. Verspreid over de bundel staan citaten van beroemde auteurs in vier talen en in enkele gedichten ook stukken kerklatijn. Dat vormt niet meer dan een glanzende randversiering bij deze poëzie, want de gesuggereerde diepgang heb ik niet vaak kunnen vinden. Een cyclus met korte gedichten over masochistische genoegens kreeg als titel ‘IN DE BORDELEN VAN DE CHARLUS’ Het klopt wel dat de Baron De Charlus volgens zijn geestelijke vader Marcel Proust zich graag aan zulke genoegens overgaf, maar verder hebben de gedichten niets te maken met dit intrigerende romanpersonage of met het werk van de beroemde franse schrijver.

Ter illustratie van mijn kritiek bespreek ik twee gedichten, die ondanks de ook aanwezige goede kwaliteiten naar mijn oordeel toch onder de maat blijven.

DIDO’S DROOM

Wilde ik, wilde ik dan einde-
lijk de twijgen breken die mij ook
vannacht de slaap beletten, tralies voor
een visioen van schuim. Boten voor dit raam
varen elke avond van afvaart naar aanleg,
mijn tocht is korter: ik brak twijgen om mijn
droom te zien, een ruw beslapen bed.

Wilde ik, wilde ik je eindeloos
te spreken krijgen, anderen ver-
zwegen jouw verhaal dat de tijd
de meren binnenhaalt, het anker
metterdaad; wilde ik je listen
horen fluisteren over brakke wateren,
boten ver van de opgedroogde taal
van de zandbanken voor deze verstilde stad.

Liet je mij, liet je mij dan toch
de plooien van het beeld dat de slaap
ontwierp, openen, de sluier van
het hemelbed dat ik jaren voor je bewaakte;
liet je mij het zilte van de haven zien,
jouw tong die Carthago likte tot de stad
als een jonggeborene opdroogde, glom.
Vertel je mij dan eindelijk het verhaal
hoe twijgen in de ochtend openspringen
om in paleislijk vuur te worden opgerakeld.

Dit verhaal van een vrouw die treurt om het vertrek van haar geliefde is ontleend aan Vergilius’ Aeneis. Daarin wordt Dido verscheurd door gevoelens van liefde en haat jegens Aeneas die haar verlaat om op bevel van de goden zijn roeping te volgen. Wroeging om haar verraad aan de nagedachtenis van haar vroeger vermoorde man, wie zij eeuwig trouw had gezworen, drijft Dido ertoe zich van het leven te beroven bovenop een brandstapel waarop zij de geschenken heeft laten leggen die zij van Aeneas kreeg. Cartens neemt het beeld van de treurende Dido over, maar zegt niets over tegenstrijdige gevoelens. Zodoende haalt hij de psychologische spanning eruit. In een volgend gedicht gaat hij nog een stap verder, door Aeneas aan te laten sturen op een happy end: ‘Ik ben gekomen, Dido, en ik blijf, ik heb je lief.

Er is niets op tegen oude poëzie te gebruiken als uitgangspunt voor iets nieuws. Marjoleine De Vos deed dat onlangs heel mooi in haar cyclus ‘Odysseus keert niet terug’ en Ovidius gaf een aantal prachtige voorbeelden (waaronder een brief van Dido) in zijn Heroides. Cartens geeft wel een poëtische parafrase van de feiten, maar laat na een nieuwe invalshoek of uitwerking te bieden. De tekst roept vragen op. In de tweede strofe worden ‘meren’ (meerkabels?) binnen gehaald en het anker ‘metterdaad’. Dat laatste lijkt me niet méér dan een welluidende stoplap. En is Aeneas in de laatste strofe een moederdier en Carthago haar pasgeboren jong? Of heeft Aeneas de stad met lovende woorden gelikt? Hoezo is de stad daardoor dan opgedroogd? In de slotregel zie ik een verwijzing naar het vuur dat Dido’s lijk zal verbranden, maar waarom worden twijgen opgerakeld in plaats van het vuur?

Nog een voorbeeld:

COGITO ERGO SUM

Na de wereld het boek,
na het boek de gedachte
aan honden die kwijlen en bijten,
aan de valk die bidt om een muis.

De monnik reist in zijn denken,
vast met de riemen van woorden,
opziener in zijn eigenste nis,
het denken is denken aan ons.

Dachten wij niet, zijn wij god, één
met de paarden die draven en draven
door de woestijn zonder schedel,
op drift naar het beeld van een mens.

Het eerste dat mij opvalt is het strakke metrum met de dactylus als overheersende versvoet. Ook de titel past enigszins in dat metrum. Strak is ook de indeling van de tekst, want bijna elke regel bevat een afzonderlijke mededeling, totdat in de laatste drie regels de paarden gaan draven. Bij eerste lezing troffen mij enkele elementen die op inhoudelijke samenhang duiden: gedachten, denken, bidden, god, mens. De slotregel sluit enigszins aan bij de titel, een leus van Descartes, die zijn bestaan afleidde uit de veronderstelling dat hij een denkend ‘ik’ was.

Het gedicht opent met een reeks, lopend van concrete werkelijkheid (wereld) naar toenemende abstractie (boek en gedachte). Voor de kwijlende bijtende honden in de volgende regel heb ik in het gedicht geen aanknopingspunt gevonden. De biddende valk in de vierde regel roept het beeld op van een roofvogel, die heftig wapperend met zij vlerken speurt naar buit op de grond. Dat deze vogel tegelijkertijd in gebed verzonken is en aan god verzoekt hem een muis te schenken – hij bidt om een muis – lijkt ongerijmd. Wel wordt zodoende een verbinding gemaakt naar de (biddende?) monnik in de volgende strofe, maar dit gaat ten koste van samenhang tussen de beelden. Dat de monnik reist in zijn denken is mooi gezegd, maar ‘vast met de riemen’ doet te zeer aan een vliegtuig denken om hier goed op aan te sluiten. De monnik is ‘opziener’, dat wil zeggen: toezichthouder. Maar op wie of wat moet hij toezicht houden in zijn nis? Of moeten we begrijpen dat hij opziet naar God? ‘Eigenste’ lijkt alleen ten behoeve van het metrum te zijn toegevoegd. De mededeling dat de monnik ‘aan ons’ denkt is op zich betekenisvol, maar ik mis weer een verband met de rest van het gedicht. De paarden die ‘draven en draven’ in de laatste strofe zijn kennelijk uit de koers geraakt, want ‘op drift’. ‘Drift’ past mooi bij ‘draven’, maar als de koers verlaten is kunnen de paarden niet op weg zijn naar het beeld van de mens. Of is bedoeld dat ze op drift zijn, zoals ook de mens op drift is? De ‘schedel’ in de voorlaatste regel doet denken aan de dood of aan een kadaver in de woestijn, maar ook hier mis ik een inhoudelijk verband met het geheel. Kortom: veel suggestie maar weinig samenhang.

Bij eerste kennismaking vond ik dit een indrukwekkende bundel met goed klinkende gedichten, maar bij herhaald lezen is de inhoud mij toch tegengevallen.
___

Daan Cartens (2025). Slagveld tijd. Uitgeverij Literatuurmuseum, 231 blz. € 25,00. ISBN 978 9460000409

     Andere berichten

Fernando Pessoa – Faust

Fernando Pessoa – Faust

Een metafysische Faust door Hettie Marzak - - De figuur van Doctor Faust weet nog altijd mensen te fascineren. Het verhaal is welbekend:...

Evi Aarens – Fausta

Evi Aarens – Fausta

De wording van een dichterschap door Johan Reijmerink - - De sonnettenkransbundel Disoriëntaties van Evi Aarens zorgde in 2021 voor ophef....