Wouter Godijn – De professor en de hyena

Het Ecce Homo van de hyena

door Levity Peters

Met taal kun je alle kanten uit.
Wanneer je denkt aan het verschil tussen de toespraken van Martin Luther King, en die van Adolf Hitler en je realiseert je hoe enthousiast zij menigten wisten te krijgen, dan besef je wat voor een wapen taal kan zijn, en hoe je er mee kunt manipuleren, ten goede of ten kwade.
Wanneer je beseft dat sommige teksten zelfs in vertaling invloed uitoefenen, over eeuwen – dat ze mensen weten te overtuigen van een waarheid die zij als de enige, als diepste waarheid zien, waardoor de waarheid van anderen vanzelfsprekend als inferieur, als onwaarheid wordt gezien en als verderfelijk –
Wanneer je poëzie benadert met deze wetenschap in je achterhoofd dan kan het niet anders dan dat je de meeste poëzie af kan doen als slechts spel. Spelen met taal. Volstrekt onschadelijk.

Alles kan en alles mag in de poëzie van Wouter Godijn. Hij kon het zo gek bedenken als hij maar wilde: hij neemt je mee zijn persoonlijke, soms angstwekkende universum in. Maar er is ook nog die zogenaamde werkelijkheid waarin hij zich bevindt, en die veel lijkt op de onze. De dagelijkse werkelijkheid.

We kennen het allemaal: je fantasieën worden telkens weer terug geroepen door die beperkende werkelijkheid. Niets aan te doen. Maar hoe ver kun je gaan in je fantasieën, zonder de draad die ze met je werkelijke leven verbindt door te knippen? Het uiterste bereik ervan is vervreemding, en daarmee gebrek aan betekenis. Of raak je juist daar aan een werkelijkheid die we doorgaans negeren? Dat is een vraag die zich na lezing van deze bundel aan je opdringt.

Het is een soort koorddansen waarvan we getuige zijn, tussen zin en onzin, tussen de vervreemding waar we toe worden uitgedaagd, en de relatieve veiligheid van onze vertrouwde wereld, waarin de dingen eruit zien alsof ze normaal zijn. Zolang je fantasieën verontrustender zijn, is die werkelijkheid geruststellend. De vervreemding van Godijn is immuniserend:

BIJNA WULPS GEZWEM (MET VERVOLG)

Na het optrekken van de rolgordijnen vastgesteld:

huis ‘s nachts verplaatst!

Naar onder zee, tuin vol haaien.
Toonden die starre, wezenloze grijns – had ik ook zoveel en uitbundig gemoord, zou ik
waarschijnlijk ook zo lachen.
Eenmaal gewend aan het bijna wulpse gezwem
van het onderwatergedierte in mijn tuin, kwamen er zoals gewoonlijk
gedachten bij me op, de goddelijke zondeval enzovoort, zou het niet beter zijn als er niets bestond,
geen heelal, geen parallelle universa, – álles
schrappen, achterwege laten.
Vervolgens kreeg ik medelijden: met de hertjes, de lammetjes, de vogelbek- en schelpdieren en ook
met Hollands next topmodel,
kortom; met alles wat niet kon bestaan
– dat leek me zo sneu.
Ik besloot om dan toch maar in te stemmen
met de schepping, op één voorwaarde:
dat ik zelf niet mee hoefde te doen.
Ik begreep meteen dat zich hier iets openbaarde
wat veel overeenkomsten vertoonde met een logische tegenstrijdigheid. Tegelijk met de
opwindende achtergrondmuziek gepaard gaande gedachte:

als je deze tegenstrijdigheid ontraadselt
zul je iets heel belangrijks hebben ontdekt – in plaats van ‘ontdekt’
zou het misschien beter zijn ‘bereikt’ te schrijven.
De haaien waren nu ook in de huiskamer
en daarom ging ik op een drafje naar het toilet
waar ik me opsloot, om rustig verder te kunnen denken, maar weet u, ik kom er niet uit, als een
zeeslang blijft de hierboven beschreven
tegenstrijdigheid
om me heen draaien, de haaien
duwen telkens met hun snuit tegen de wc-deur.

‘Kom eruit!’ roepen ze. ‘Kom eruit!’

Het lijkt alsof er een soort patstelling is ontstaan.
Dat het sneu zou zijn, als al die hoop op leven, gelukkig, onbezorgd leven niet zou bestaan. Zolang hij zelf maar niet hoeft mee te doen.
De dichter weet te goed dat het leven levensbedreigend is: terug getrokken in het enige hokje van het huis waar je privacy (min of meer) gewaarborgd is, waar je je kunt ‘ontlasten’ roepen de haaien hem om naar buiten te komen, om zich in te laten met de dreigingen van de alle veilige perken te buiten gaande werkelijkheid. Ontsnappen is onmogelijk, zelf wanneer je van prooidier zou veranderen in roofdier:

TEDDY

Toen ik, man ondergedompeld in een zinvol bestaan, wilde gaan slapen
trof ik in mijn bed een hyena aan
die zodra ik binn3enkwam uitbarstte in excuses:
niet kwalijk nemen kééééééfkefkefkef nergens plaats kééééééfkef kef kef
en geklaag: niemand houdt van me kééééééfkefkefkef sta overal alleen
                                                                                kééééééfkefkefkef.
Al goed, antwoordde ik, moe. Geen tijd
voor je gedoe – en ik ging liggen.
Misschien omdat ik de hyena als een teddybeer omklemde,
vermengde hij zich gedurende de nacht met mijzelf:
de hyena fröbelde aan gedichten terwijl ik onvermoeibaar rende
over door de zon gegeselde Afrikaanse vlakten
achter allerlei beeldschone, slanke, vredelievende, vegetarische dieren aan
die hun verbijsterde blikken in mijn geheugen griften (als een soort hoefafdrukken)
terwijl ik hun sappige, slangachtige, glimslierterige, Jezus wat een ellende!
Ingewanden ruktesleurde uit hun bevallige lijfjes.
Nu sla ik gggggrrrrrr een stukje over

en ga verder als ik de volgende morgen onderuitgezakt
ontbijt (de zachte hertenblik van nageslacht en vrouw
die ons wilde liefdesspel van de afgelopen nacht nog voelt
schrijnen) Niet zo’n trek, merk ik.
Op naar kantoor! De opwinding van een bunker, nee bánkgebouw, oprijzend,
blinkende god, uit het schuimwitte morgenlicht. Barbaars,
bruut en volmaakt. Broos en eeuwig. Binnen:
een bak bloederige drek.

Een echt menselijke, geordende samenleving waar in elk segment ervan het dierlijke onontkoombaar opduikt als een vorm van geweld. Zelfs het liefdesspel schrijnt na. De steriele tegenwoordigheid van een bankgebouw dat de hoofdpersoon van dit gedicht zo veilig van de buitenwereld lijkt af te kunnen schermen, barbaars, bruut en volmaakt, een niet te nemen bunker, blijkt tevens broos en eeuwig. Kwetsbaar als hij is, deze man, ondergedompeld in een zinvol bestaan; kan niets hem afsluiten van of afschermen voor wat er van binnenuit komt. Opnieuw speelt het ontlasten een rol, maar nu is het openbaar: in de bankensector niets dan roofdieren.
Wat zij afscheiden: bloederige drek.

Tot zover de hyena uit de titel van de bundel. Nu de professor:

3.

De professor bedenkt dat er een tijd is geweest
waarin alle speelgoeddieren écht levend waren
een Disneyfilmachtige tijd – alleen minder
wreed, gezelligheid en vrolijkheid
overheerste en de Schepper van Hemel en aarde moest nog beginnen

aan de opwindende en gevaarlijke ontdekkingsreis
die Hem uiteindelijk, na vele omzwervingen
naar Zijn eigen kwaadaardigheid zou leiden: de prinses
die hem opwachtte aan het einde van zijn avontuur.

Wat aan die tijd herinnert: één:
dat alle dieren en mensen als ze jong zijn op speelgoeddieren lijken – twee:
dat de meeste exemplaren de rest van hun leven in meer of mindere
mate
teleurstelling uitstralen.

Omdat de professor begint over te hellen naar het stoïcisme
(alles komt terug – en nog’s en nog’s)
Lijkt het hem waarschijnlijk dat de heerschappij van de speelgoeddieren
op zekere dag opnieuw zal beginnen.

Een zeer amusant en ernstig gedicht. Het is niet mis wat de dichter hier met elkaar verbindt; Walt Disneys zoete wreedheid, met die van de Bijbelse Schepper van Hemel en aarde; de belofte van de prinses aan het einde van het sprookje ter compensatie van het doorstane leed. Om te eindigen met de hoop van de professor op een wereld zonder kwaad, onder de heerschappij van de onschadelijke en niet te kwetsen speelgoeddieren.
Het blijft een gruwelijk sprookje!
We weten inmiddels dat er bij Godijn meer op het spel staat dan alleen taal. Net zo goed als de sprookjes van Grimm en Andersen aan een grond van ons bestaan raken, doet ook de poëzie van Wouter Godijn dat. Er is geen eind goed al goed bij hem, of liever: je kunt niet ontkomen aan de werkelijkheid:

18.

De dichter die eigenlijk de professor die eigenlijk de hyena is
heeft een droom (is het wel een droom?)
doorlooptdoorsukkelt steppeachtig land (uren druilen eindeloos
traag voorbij).
Bewapend
met een bijl, nou ja in ieder geval iets hakkerigs ziet hij
onder wat struikgewas de hyena, vast in slaap
denkt hij: eindelijk, nu! nu! nu! zal ik hem!
Maar dan, nadersluipend,
ziet de professor dat de hyena de gazelle is
dat hij zelf de gazelle is
en de hyena
en de dichter en de lezer, dat zij allen slechts maskers zijn
en dan, vlak voor hij wakker schiet, beseft hij:

de maskers zullen vallen.

Toen gingen bij mij de haren overeind.
De professor en de hyena is een montere bundel. Je leest er het taalgenot van de dichter vanaf. De regels ervaar je als vertrouwd, terwijl de dichter nergens in clichés vervalt. Een prestatie op zich.
Maar de essentie van deze bundel gaat daar ver bovenuit: hij weet aan dat mysterie te raken waar we doorgaans aan voorbij gaan: dat we onszelf niet kennen, niet weten wie of wat we zijn, noch wat de reden is van ons bestaan. (Omdat de schepper eenzaam was, dachten de Hindoes.)
Als de maskers vallen, (áls de maskers vallen!) zijn we er dan dichterbij? Zijn we dan uit de droom? Wanneer Wouter Godijn gelijk heeft dan zullen we het ooit weten. Lotgenoten.

***
Wouter Godijn (1955) woont en werkt in Groningen. Hij schrijft romans, waarvan de laatste, Hoe ik een beroemde Nederlander werd, de shortlist van de AKO Literatuurprijs haalde. Daarnaast heeft hij zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste en meest bijzondere hedendaagse dichters. Zijn bundel Hoe H.H. de wereld redde werd bekroond met de Jan Campert-prijs.

Geplaatst in Recensies.