Bouli van Leeuwen – Tempels in woestijnen

Woordhoppen in een lamgeworden lichaam

door Ivan Sacharov

Wat wordt bedreigd met uitsterven als (de natuur van) de taal gaandeweg verandert? Sommige formuleringen, opvattingen wellicht. Een lezer mag zich gelukkig prijzen als hij – ontdekkingsreiziger op papier nog altijd – per ongeluk een bedreigde soort tegenkomt:

Moeder van mijn moeder

Perkamenten handen, lichte vleugels op mijn ogen,
Tastend naar mijn wangen, zoekend langzaam.
Boven uitgebluste holten vorstelijke wenkbrauwbogen;
Grote vrouwenziel, gekerkerd in lamgeworden lichaam.

’s Avonds als de snelle schemer op de zonverdorde bodem glijdt,
Zit ik naast haar bed en baar.
De porceleinen schouders schokken als ze schreit
Met de volgedragen smart van uur en dag en tachtig jaar.

Hooghartig reikt deze aristocraat
De schuwe dood haar tere hand;
Een vorstin wordt niet gedwongen maar zij gaat.

In de wenteling der dingen
Grijpen dood en leven
In elkaar als ringen.

Ik vind dit een mooi gedicht: met die perkamenten handen die als lichte vleugels op de ogen aan een engel doen denken. Het leven gespot op het moment van de dood, die als schuw wordt voorgesteld: alsof deze hooghartige aristocratische dame hém over de streep moet trekken! Zij was gewend om het voor het zeggen te hebben tijdens haar leven en nu, bij haar dood, is dat niet anders: zij sterft zoals zij geleefd heeft. Dáárom grijpen dood en leven dus in elkaar als ringen: ze passen bij elkaar. En zelfs het gedicht blijkt een ring: het grijpen in de laatste strofe doet weer denken aan de handen uit het begin.

Een apart gedicht ook: door de ouderwetse taal die wordt gehanteerd. Wat een goede vondst lijkt van de dichter want vorm (gedicht) en inhoud (vrouwenziel) sluiten zo beter op elkaar aan (inderdaad: alwéér als ringen).

Maar dit is niet bedoeld als ouderwetse taal. Dit werd geschreven omstreeks 1947, toen dit taalgebruik nog heel gewoon was. De tijd knaagt blijkbaar niet aan alle dingen; werkt soms zelfs in hun voordeel.

Over welke dichter gaat het hier? Niet over iemand die in de eerste plaats als dichter bekend is geworden: de Curaçaose schrijver Boeli van Leeuwen (1922-2007). Zijn bundel Tempels in Woestijnen, aangevuld met het verhaal Onkel Patrice, is bij In de Knipscheer opnieuw uitgegeven. Nou ja, opnieuw: er was sprake van een eerdere poging, zoals uit ‘Onkel Patrice’ blijkt. Maar die pakte mede dankzij een paar leeshongerige kakkerlakken niet al te gunstig uit.

Een prozaïst dus, van wie de vroege gedichten bereikbaar zijn gemaakt voor een groter publiek. Het werk van deze schrijver moet blijkbaar tot zijn obscuurste uithoekjes toegankelijk worden gemaakt. Maar ik geef ze geen ongelijk: want wie zou het oordeel over zijn werk alleen aan een paar stoffige heren willen overlaten? Nog maar een gedicht:

Luchtgevechten boven een krankzinnigengesticht

Ze zitten dichtgemetseld in het binnenhof
En strelen met verheugde handen over de verminkte bomen.
Een grijns van opgewondenheid hangt in de tuin en dof
Staan anderen verstard te dromen.

Met een juichendhelle kreet, een hand omhoog gegroeid,
Blaft een mens de dood in ’t gezicht,
Die in zijn vuren mantel tot een kramp verschroeit,
De kiem die naar de zon en naar het leven was gericht.

In plotseling ontzettend angstverstijven,
Klappen zij hun kaken op elkaar en kruipen
Handenklauwend in het geelverschroeide gras en wrijven

Hun gekwelde ogen in de dorre grond.
En de tranen van een scheefgeslagen ziel
Die God hun uit de hemel zond.

Afgezien van de cosmetica (hoofdletters, interpunctie en samengestelde woorden als juichendhelle) is het nog niet zo gemakkelijk om uit te leggen waarom dit gedicht als een bedreigde (dicht)soort kan worden beschouwd. Is het met die ‘scheefgeslagen ziel die God hun uit de hemel zond’ nog teveel gedrenkt in een op christelijke leest geschoeide cultuur? Misschien. Maar dan hebben we het wel over een externe factor die de inhoud beïnvloedt. Echte vernieuwing moet uit de taal zelf komen om erin te kunnen zitten en lijkt als zodanig meer een zaak van vorm dan van inhoud.

Voor poëzie is vooral belangrijk wat zich tussen woorden afspeelt. En dáár blijkt het tijdsgebondene van bovenstaand gedicht: alle woorden volgen op een tamelijk gangbare manier op elkaar. De bruggetjes ertussen zijn ons vertrouwd: we staken ze al (te vaak?) eerder over. Maar omdat lezen heel goed kan worden beschouwd als een vorm van woordhoppen is dat best lekker: het maakt de tekst gemakkelijk (helemaal natuurlijk als het onderwerp ons boeit). Leuk. Alleen gaat het bij de meeste moderne (Nederlandse) dichters daar niet om: want poëzie moet in de eerste plaats vernieuwend zijn; en in de tweede plaats ook. En dat ‘nieuwe’ blijkt het vooral te moeten hebben van ‘andersoortige relaties’ tussen woorden: verbindingen die we niet gewend zijn en die poëzie moeilijker maken. Ja, Ilja Leonard Pfeiffer had wel een beetje gelijk toen hij zei dat hoe moeilijker poëzie is, hoe beter! Hij verwarde alleen vernieuwend met goed. En helaas voor hem is ‘goed’ nog altijd een breder begrip dan ‘vernieuwend’.

Terug naar Boeli: hoewel zijn gedichten (nu) niet meer vernieuwend zijn maakt ze dat dus nog niet slecht. Ze getuigen in elk geval van lef. Want wat voor mens durft de dood in het gezicht te blaffen? Durft dat te schrijven: met die juichendhelle kreet, die op het laatst meer hel dan juichend moet zijn geweest. De lezer moge het zelf ontdekken.

Geplaatst in Recensies.