Minika Rinck – Honingprotocollen. Zeven schetsen voor gedichten die uitstekend zijn

De rustige zekerheid van het onmogelijk kunnen begrijpen

door Levity Peters

Wanneer er wordt beweerd dat een bepaalde poëzie ‘gelaagd’ is, heb ik de vervelende reactie te denken dat ze werkelijk onbegrijpelijk is, maar dat de commentator bang is om voor dom te worden gehouden. Want wat zelden of nooit gebeurt, is dat die gelaagdheid toegankelijk wordt gemaakt. Wanneer dat wel gebeurt, wordt direct duidelijk waar mijn domheid vandaan komt.

Hans Groenewegen besprak ooit in Schuimen langs de vloedlijn de vijf De weg naar Egypte genoemde dichtbundels van Gertrude Starink. Na de vijfentwintig pagina’s van zijn tekst was ik diep onder de indruk van zijn eruditie, en had ik de slappe lach. Bepaalde zinnen wil ik nooit meer vergeten: ‘De poëzie van Gertrude Staring is de poging van een mens het mysterie te ontcijferen door zich er aan gelijk te maken.’
Duidelijk?
Wanneer je om die poëzie te doorgronden, naast talloze andere informatiebronnen, zowel kennis van de gnosis nodig hebt als van het Egyptische dodenboek, dan schiet je mijns inziens je doel voorbij, want het blijft een onmogelijkheid om je aan het mysterie gelijk te maken dat je, hoe dan ook, bent en blijft…

Volgens de inleiding van de bundel Honingprotocollen stond mij een soortgelijke confrontatie te wachten: ‘De honingraat is het collectieve geheugen van het bijenvolk waar het functioneren van elke individuele bij in opgeslagen ligt. Rinck is overduidelijk het opperhoofd. Zij trekt scènes op uit een zinnelijk vocabulaire dat alle kanten op kan bewegen. Achter elk vers gaat een filosofisch of linguïstisch vraagstuk schuil. Naarstig adopteert ze het buitensporige. Ze vertrekt vanuit misverstanden en laat betekenissen tegen elkaar inzoemen. Haar versregels houden elkaar als het ware voor de gek, maar blijven bijeen als de raten waarin de honing wordt verzameld. Aldus de vertaalster Mieke Zwamborn. Dat scheelt. In de filosofie ben ik niet thuis, en de linguïstische vraagstukken kan ik ook laten voor wat ze zijn, aangezien ik hier met een vertaling te maken heb.

Met een opgewekt gemoed begon ik aan de Honingprotocollen; en al stelde de titel mij direct voor een raadsel, ik liet haar onbekommerd voor wat ze was.

De poëzie van Monika Rinck doet denken aan haute cuisine. Niet dankzij de karigheid van de gedichten – ze zijn behoorlijk vol – maar door de manier waarop zij zijn samengesteld. Alle ingrediënten zijn met zorg samengebracht om een hechte, complete smaak te creëren.
Dat gevoel van ‘heelheid’, van ‘compleetheid’ is een genot op zich. Ook zonder je druk te maken over de eventuele betekenis kun je je op de tekst laten drijven, zeker op de Duitse. Eén van de prachtige zinnetjes uit ‘Unio Wezel’ is Birken imitieren Lichtmachinen.
‘Lichtmachinen’? Nooit van gehoord. In het Nederlands vertaald blijken het dynamo’s te zijn. Dat is nou jammer, weg betovering. Weg heerlijke smaak.

‘Poëzie is wat verdwijnt bij vertaling’, dacht Robert Frost. Voor deze keer gaf ik hem gelijk. Van de oplichtende berkenstammen is niets over. Hiermee beweer ik niet dat de vertaling slecht is; zij blijkt onmogelijk. In het Nederlands wordt het andere poëzie, leg je andere verbanden.

De neiging tot ordening is mensen aangeboren. Wanneer we geconfronteerd worden met iets vreemds, iets onbekends, proberen we het altijd in kaart te brengen door middel van iets dat we kennen; we associëren er lustig op los. Dat is waar de poëzie van Monica Rinck toe uitnodigt:

Stro

Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen, nu heeft de gevoeligheid
zich uitgestrekt, nu heeft ze alle ruimtes overspannen en aangestoken.
Aardse treurigheid, de berken vergrijsden, de hond heeft een oog verloren.
As, vlokkend talmen, verzoening, vermoeidheid, verdriet misschien, je plicht
is er toch doorheen te gaan, als was het licht waarin de ellende staat, met handen
die jij gebonden denkt. Dan zie je: het wordt minder, het begrijpen.
Helderheid ontstaat alleen nog door de intensiteit van de schok. Een geruisloze knal.
Je kunt het niet meer bevatten, bent ongedurig en in een poging toch te begrijpen
kom je er aan de andere kant weer uit, reliëf dat niet bestaat,
tremolo dat niet bestaat, als had je tevergeefs in de nevel gegrist,
een nevelpaardje gegrepen (huuhot, de grijze brengt me ten val,
ik val door hem heen) en bent diep beneden, gevoelig, onbegrepen,
in afwachting van de schok. Maar plotseling, hier, alles geel, vol stro!

Wat er ook gebeurt, je staat met lege handen. Dat is waar de honingprotocollen op lijken te doelen. Je wordt geconfronteerd met een sfeer van mist en grijsheid, waarin je rondtast, een nevelpaardje grijpt, er doorheen valt om in het gele stro te belanden. Het leven doet met jou wat het wil; als de ogenschijnlijk willekeurige elementen in de poëzie van Rinck, botsen we op al dan niet vreemde elementen waarmee we voor langere of kortere tijd een constellatie vormen die ons beïnvloedt, verandert.

De oplichtende berken uit ‘Unio Wezel’, zijn in ‘Stro’ vergrauwd, maar geven de lezer, wel het gevoel van vertrouwdheid. ‘Te midden van vertrouwde dingen lijden mensen niet.’ wist Machiavelli.
De verontrusting blijft.

‘Horen jullie dat? Zo honen honingprotocollen (..)’ zo beginnen de meeste van de gedichten in deze bundel. Zoals bekend zijn protocollen een reeks afspraken over de manier waarop communicatie en gegevensoverdracht plaatsvindt. Ze honen niet voor niets deze protocollen. Hoe kun je communiceren wanneer je elkaars taal niet spreekt? Wanneer zelfs in vertaling de betekenis van grote delen tekst onduidelijk blijft?

Kalokagathie

Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen: het gaat slecht met de schone ziel.
Ach, als ze zich niet had, knapte ze op. Wij geven een teken: subjectiviteit, adieu!
De instorting van het vermogen was het einde voor het idee van de schone ziel
die zich niet laat opgeven. Doet zij geen afstand, is zij weliswaar mooi,
maar onbewust voor mij. Doet zij geen afstand, dan is zij niet meer mooi.
Ha, wat een hoon: ik ben niet langer baasje van mijn zintuigen, ben het
mogelijk nooit geweest. Maar dat geeft niets. De meeslepende gratie
bekommert zich weinig om hen die zij in verrukking brengt. Integendeel, ze komt
zelfs mee naar beneden, de afgrond in en wijdt zich daar aan haar volgelingen.
Tua Res Agitur. Wanneer jouw buurman brandt, wordt jouw zaak verhandeld.
Het is de gratie om het even. In plaats daarvan: starre stomme grappen maken.
Weet je wat, we korten ze in. We nemen dat centrale affect van ons:
verkwisting, en zeggen: ja. In de ontluistering zou alles weer helder zijn.
Te zien. Wat pijn deed. Wat niet. Wat daarom des te pijnlijker was.
Op je knieën. Maar je knielt machteloos vis-à-vis. In het stalen omhulsel.
De onttoverde wereld. Jij zonder slipje. Met je weggegeven ziel.
De kapotte blaasbalg. Het verkwiste geld. En nu samen, verdomme:
het stalen omhulsel. De onttoverde wereld. De kapotte blaasbalg.
Wij zonder slipje. Van schoonheid ontdane zielen. Verbras het geld!

Tua Res Agitur: dit gaat ook jou aan. Op de een of andere manier kreeg dit gedicht mij te pakken: al voordat ik probeerde er grip op te krijgen, voordat ik probeerde te begrijpen waar het over ging.
Het was mij duidelijk dat het over verlies ging, en over schaamte. Verlies van schoonheid, van ziel. Opnieuw is het een uiting van machteloosheid: ‘ik ben niet langer baasje van mijn zintuigen’. Misschien was ook dat al een illusie.
Dit is een gedicht over verdriet. De gratie waar wij van onder de indruk waren, liet zich niets aan ons gelegen liggen. Dat brengt mij bij de titel: ‘Kalokagathie’, het ideaal van de afgewerkte persoonlijkheid, harmonieus naar lichaam en geest, het Griekse ideaal van goedheid en schoonheid. Dit gedicht gaat over het failliet ervan: ‘Wij zonder slipje. Van schoonheid ontdane zielen.’ En dan: ‘Verbras het geld!’ Ons centrale affect: verkwisting.
Het onvermogen om wat we hebben meegekregen betekenis te geven, een zinnig, zinvol doel… Het is een bitter gedicht. Wellicht daarom dat het mij raakt. Dit gaat ook mij aan. Als we niet in bedrog willen leven, ons voedend met allerlei illusies, dan is het leven een uitzichtloze en volstrekt zinloze woestenij. We zijn tot zelfbedrog gedoemd.

Dit gedicht wordt direct gevolgd door een carnavalslied dat ook als titel ‘Kalokagathie’meekreeg. Tussen de gedrukte muziekbalken waarop de melodie is uitgeschreven, staat deze tekst:

Boem boem de scho – ne ziel
trekt om de huizen en rond – om de sta – len
om – hul – sels boem boem de scho – ne zielen de ka – pot – te
blaas – balg no -di – gen uit een boem tot
een po – lo – nai – se door de ont – to – ver – de we – reld, een
toost op de van al – le schoon – heid ont – da – ne
ziel – en een toost boem ook op het ver – bras – te
geld boem boem boem een toost op het boem
ver – braste boem geld.

Banaler kan het bijna niet. Dit is een viering van stompzinnigheid. We weten dat we onszelf bedriegen, maar we kunnen niet anders. Met hoeveel zorg is dit niet samengesteld! Ik vermoed dat niemand die enigszins muzikaal onderlegd is het zal kunnen laten om op keyboard of piano uit te proberen hoe dit klinkt. Voor de liefhebber zijn er nog een paar liedjes uitgeschreven. Muziek is de meest betoverende van de kunsten. Ik ken mensen die elk vervelend gevoel weg zingen.

Was ik zonder grote verwachtingen aan deze bundel begonnen, nu ik hem een aantal malen gelezen heb, ben ik verkocht. Zeg maar: in de ban. Was ik in eerste instantie behoorlijk sceptisch over een zo cryptische bundel in vertaling, inmiddels ben ik er zo door geraakt dat ik hem wel kan blijven lezen. Wat een rijkdom! Geen moment heb ik mij gehinderd gevoeld door mijn onbegrip. Telkens was Monica Rinck in staat om mij lang genoeg te boeien om de emotionele grond van haar gedichten in mij bloot te leggen.

Al had ik medelijden met de vertaalster vanwege de de onmogelijkheid om deze gedichten in het Nederlands recht te doen, ik ben haar meer dan dankbaar dat zij zich eraan heeft gewaagd. Chapeau dame! Wanneer je onderstaand gedicht leest, vergeet je dat het een vertaling is, zo perfect weet het te raken wat door Monica Rinck geraakt wilde worden:

Willen

Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen, zij wil nu heel liefdevol
met alle mensen zijn, zij wil ook liefdevol met de grammatica zijn.
Ze wil alles leren, ze wil oefenen, ze wil iemand zijn die alles doet
en nooit voor iets anders dan genade. Ze wil lief voor
alle mensen zijn. Ze wil grote ogen opzetten en wil altijd zeggen:
dat is toch heel mooi! Ze wil grote ogen opzetten en zeggen:
maar precies dat is toch mooi naar het mooiste toe gericht
en graag, jazeker – maar ja, vanzelfsprekend – en zeggen:
maar dat heeft toch ook met ontlasten te maken, wil zeggen: ja, maar,
dat is de structuur en zeggen: ja, maar u beseft uw moeite niet
die u toch al en ga zo maar door, dan wil ze ogen zien
die oplichten en dan wil ze vreugde zien en zich daarin
fotoabsenteren, dan wil ze dat net deze onderwerping haar
een equivalent van de door haar ondervonden liefde terugspeelt en niet
de aanvaarding, niet de afstand, in ruimte noch tijd.

Fotoabsenteren! Wat een geweldige vondst! Voor mij is dit een liefdesgedicht. Niet gericht tot een bepaald persoon, maar tot iedereen die beseft lotgenoot van iedereen te zijn. Misschien ben je een klootzak, een onmens, een doetje, ik geef om je, ik wil niets liever dan dat jij gelukkig bent, en daarvoor zal ik mij inspannen, met overtuiging liegen desnoods.

***

Monika Rinck (Zweibrücken, 1969 in) studeerde religiewetenschappen, geschiedenis en Duitse literatuur in Bochum, Berlijn en Yale en is werkzaam als essayiste en als vertaalster. Publicaties o.a.: Verzückte Distanzen (2004); Ah, das Love-Ding (2006); zum fernbleiben der umarmung (2007); Helle Verwirrung / Rincks Ding- & Tierleben (2009) en Honigprotokolle (2012).
Miek Zwamborn vertaalde eerder de Sez-Ner trilogie van de Zwitser Arno Camenisch. Zij publiceerde de romans De duimsprong (2013), Vallend Hout (2004), Oploper (2000) en de dichtbundel Het krieken van sepia (2008).
Honingprotocollen werd met steun van het Goethe-Institut uitgegeven door Perdu, het Poëziecentrum Gent en het tijdschrift Terras, een nieuwe samenwerking voor vertaalde poëzie.

 

 

 

Geplaatst in Recensies.