Nick Muller (sam.) – Gedichten die mannen aan het huilen maken

Treur niet om mij

Journalist Nick Muller (1992) maakte met Gedichten die mannen aan het huilen maken een Nederlandse variant van de succesvolle uitgave Poems That Make Grown Men Cry van Anthony en Ben Holden (Simon & Schuster, 2014).
Hij kopieerde simpelweg het Engelse recept door in zijn geval aan een flink aantal ‘vooraanstaande’ Nederlandse en Vlaamse mannen te vragen waarom een bepaald gedicht iets voor hen betekent, hen misschien wel elke keer als ze het lezen, ontroert.
Muller verstuurde ruim 150 uitnodigingen aan min of meer publieke figuren – auteurs, acteurs, muzikanten, kunstenaars, politici en sportmensen – en daarop kwamen 63 bruikbare reacties binnen. Het mooie aantal van honderd van de Engelse uitgave haalde hij dus bij lange na niet, wat vooral kwam door de geringe respons uit de twee laatste groepen; van de veertig aangeschreven sporters reageerde er zelfs niemand.

De gedachte achter deze bloemlezingen is dat dankzij de persoonlijke introducties de gedichten een bijzondere meerwaarde krijgen en de gekozen gedichten iets speciaals zeggen over degenen die ze kozen.

Lang geleden (1981) hoorde ik in Joop van Tijns middernachtelijke radioprogramma Rust zacht Joop den Uyl een gedicht voordragen dat me sindsdien niet meer verlaten heeft: het sonnet ‘Soms loop ik ‘s nachts naar het Victorieplein,’ van Ischa Meijer. Het was alsof de persoon van de politicus Den Uyl het gedicht een extra dimensie gaf, maar omgekeerd het gedicht ook iets vertelde over de man die het voorlas, alsof die zélf ‘een jongetje dat alles goed zou maken’ werd. (In een aflevering van De Avonden bij de dood van Meijer in 1995 werd het fragment herhaald – doorspoelen naar 1:16:00.)

De combinatie gedicht – bekende Nederlander kán dus werken (in het geval van Den Uyl zelfs door het alleen maar te lezen), maar daarvoor moet niet alleen het gedicht van een bepaald niveau zijn, maar moet er ook interesse kunnen zijn in de persoon die de keuze deed en geloof in de oprechtheid van wat hij beweert. Niet het een of het ander, maar allebei, want anders had de bloemlezing geen zin.
Zo wil ik best benieuwd zijn naar wat Alexander Pechtold te zeggen heeft, maar hij maakt zijn nogal brave, politiek correcte opmerkingen bij een goed bedoeld maar nogal onbeholpen gedicht van de nauwelijks bekende Tim Stoop, een oom van hem. Hoe oprecht ook, het komt toch gekunsteld over.
De enige andere actieve politicus die reageerde was Emile Roemer. Hij koos voor Gorters ‘Mei’ en zegt daarover dat de kracht daarvan hem inspireert, iedere keer weer wanneer hij dit gedicht leest. ‘Iedere keer weer’? Ik denk dat Roemer hier wat overdrijft… Zij zijn de enigen bij wie ik het idee had dat het hier vooral om hun eigen imago ging.

Ik moet zeggen dat de bloemlezing waarover ik toen zij werd aangekondigd nogal sceptisch was, mij zeer meeviel. Er wordt weinig gehuild en er is weinig ijdel vertoon.
Natuurlijk wordt in het algemeen voor bekende gedichten gekozen, maar gelukkig niet op ‘Jonge sla’-niveau en regelmatig is er een verrassing. Matthijs van Nieuwkerk bijvoorbeeld, die verstandige dingen zegt over ‘Zelden heeft de sprong van een panter’ van Hans Faverey, acteur Gijs Scholten van Aschat, die een persoonlijke geschiedenis verbindt aan ‘je hebt me alleen gelaten’ van Hans Lodeizen of Willem Nijholt, voor wie ‘Kampbegrafenis’ van Willem Brandt nog altijd werkelijkheid is. Bennie Jolink bevestigt dat Willem Wilminks ‘Ben Ali Libi’ voor altijd verbonden is aan de voordracht door Joost Prinsen, die zelf koos voor ‘Dood’ van Eddy van Vliet.
Wilmink is met vijf gedichten trouwens duidelijk favoriet.

Eén gedichtje mag hier wel geciteerd worden, omdat het ooit in de krantenkolommen zal opduiken. Dries van Agt, die als oud-politicus ook nog altijd zorgvuldig zijn image bewaakt, koos voor een van de ‘Nestoriaanse kwatrijnen’ van de Surinaamse dichter Hugo Pos:

Beloof me, kind, als ik van hier verdwijn
treur niet om mij, straks bloeit weer de jasmijn
en geurt de kamperfoelie. Erger zou het wezen
als zij verdwenen waren, – ik er nog zou zijn.

Van Agt schrijft: ‘Wel curieus dat ik u dit schrijf op de dag dat ik 84 jaar word, besef ik nu. Dit is namelijk de tekst die straks op mijn eigen overlijdensannonce zal worden gezet.’

De bundel kreeg een nawoord mee van Remco Campert (Joost Zwagerman koos diens ‘Lamento’) en Muller zelf schreef het voorwoord. Daarin noemt hij versregels ‘strofen’. Dat Henk Schiffmacher en Ed van Thijn dat óók doen is opmerkelijk. Ik zie er het bewijs in dat Muller de bijdragen flink geredigeerd zal hebben. Dat mag, maar doe het dan zonder zo’n rare fout.
Los daarvan: Gedichten die mannen aan het huilen maken is een bloemlezing om veel plezier aan te beleven. In ieder geval is het niveau opmerkelijk hoog.

 

Geplaatst in Recensies.