Onno Kosters en Peter Drehmanns (red. en sam.) – Terrible beauty | Barre schoonheid. Het Utrechts Stadsdichtersgilde ontmoet W.B. Yeats

Reacties op een barre schoonheid

door Johan Reijmerink

De bundel Terrible beauty/Barre schoonheid (2015), uitgebracht door Het Utrechts Stadsdichtersgilde, biedt ons een ontmoeting aan met de poëzie van de Anglo-Ierse dichter W.B. Yeats (1865-1939). Yeats, T.S. Eliot en W.H. Auden behoren tot de invloedrijke dichters van het Engelse taalgebied uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Het zijn grootmeesters die door het brede spectrum van hun poëzie naar vorm en inhoud bij veel dichters binnen het Engelstalige en daarbuiten gevoelens van verwantschap oproepen en die daardoor een breed spoor van invloed hebben getrokken in de wereldpoëzie. Ook veel Nederlandse dichters hebben in hen ‘tijdgenoten’ ontdekt en zich mede dankzij hun poëzie een eigen stem kunnen verwerven.  Daarom verdienen deze modern-klassieke dichters in elke generatie opnieuw onder de aandacht gebracht te worden van lezers, vertalers en dichters. Dit Utrechtse project biedt dertien min of meer ervaren dichters de kans – zoals Jorge Luis Borges dat ooit in zijn essay over ‘Kafka en zijn voorlopers’ heeft geformuleerd – om hun eigen voorlopers te creëren. Op die manier komt de op zichzelf staande identiteit van een dichter minder in beeld, maar ontstaat er bij hen een besef in een ruimer verband van de traditie te staan. Daarom is het goed dat het Utrechts Stadsdichtersgilde dit initiatief tot een uitgave met reacties op het werk van Yeats heeft genomen.

Yeats was een veelzijdig dichter die leefde in een tijd dat er een sterk geromantiseerd beeld van de eigen Ierse geschiedenis op geld deed. Zijn leven voltrok zich in de periode dat Ierland worstelde met zijn verleden, heden en toekomst als kolonie van Engeland. Die worsteling kreeg zijn climax in de Paasopstand van 1916, het uitroepen van de Ierse Vrijstaat in 1922, de daarop volgende burgeroorlog en ten slotte een nieuwe grondwet in 1937. Pas in 1949 zou de huidige Republiek Ierland een feit zijn. In deze politiek roerige periode van groei naar een nationaal bewustwording en verzelfstandiging ontwikkelde Yeats een belangstelling voor de volksverhalen van Ierland, in het bijzonder uit het streek rond Sligo aan de Atlantische westkust.

De poëzie van Yeats bestrijkt de voorchristelijke Keltische cultuur tot aan het Ierland met zijn innerlijke politiek-maatschappelijke spanningen. In zijn werk wist hij niet alleen een symbolische verbinding te leggen met de natuur, maar ook zijn gematigd politiek-maatschappelijk engagement te verbeelden.  Kort voor de Eerste Wereldoorlog wist de jonge  dichter A. Roland Holst (1888-1976) zich naast de Griekse mythen ook aangeraakt door de Keltische sagen. Hij studeerde vanaf 1908-1911 Keltische letteren in Oxford. Dat alles droeg bij aan het mystieke karakter van zijn poëzie. Later herkende Ida Gerhardt zich eveneens in dit symbolische en mystieke karakter van Yeats’ poëzie.

De dichters die zich in deze nieuwe bundeling hebben verbonden met het werk van Yeats, hebben ieder een gedicht uitgekozen en daarop hun reactie gegeven. Die reacties zijn niet alleen bepaald door hun eigen stem en het bestaande oeuvre, maar ook door het gedicht van Yeats. De gekozen gedichten volgen goeddeels het leven en de poëzieontwikkeling van Yeats die zich gaandeweg wist te bevrijden uit het nationalistische korset van zijn tijd. Dat neemt niet weg dat de Grote Oorlog en de nasleep daarvan beslissende slagschaduw over zijn poëzie heen heeft geworpen.

De reacties van het Utrechts dichtersgilde zijn uiteenlopend van aard. Ze volgen Yeats op titel, thematiek, motief of versvorm of een combinatie van die aspecten. Ze blijven soms in de spoor van de ernst die Yeats etaleert of bewegen zich badinerend, ironisch, humoristisch, satirisch of speels op weg door de tekst van Yeats.  Maar alle dichters onderkennen zijn meesterschap en tonen in het eigen gedicht hun eigen worsteling met zijn tekst van Yeats en de poëzie in het algemeen. Ze bieden met elkaar een interessante inkijk op het poëtisch palet van Yeats.

Zo speelt Vrouwkje Tuinman met de retorische vraag van Yeats waarom oude mannen al dan niet gek worden door alles wat ze beleefd, gedroomd en gedacht hebben. Haar badinerende visie op die ouderdom en de daaruit voorkomende wijsheid impliceert een ongecontroleerd en ongecensureerd gedrag: ‘Nu alle andere verwachtingen gebroken zijn is er niets/ dat in de weg zou hoeven staan. […]/[…]/[…] Voortaan grijp je naar borsten/ en naar konten./ Mooi dat ze er niks van zeggen./ Probeer het maar. Liever vandaag dan gisteren./’. Maar zo handelend loop je het risico dat ze voor ziek en gek verklaren.
Alexis de Roode borduurt voort op ‘The Apparitions’ van Yeats in zijn ‘Demonologie van het dagelijks leven’. De absurdistische droomverschijningen van Yeats maakt De Roode tot duistere sprookjes die ‘werden geboren, ze stierven nooit,/ ze vervaagden alleen, behalve de vijfde,/ maar over de vijfde mag ik niks zeggen.//’.
Onno Kosters herinterpreteert één van Yeats’ bekendste gedichten afkomstig uit ‘The Wild Swans at Coole (1919), het anti-oorlogsgedicht ‘An Irish Airman Foresees His Death’. Yeats’ tekst is een elegie voor Robert Gregory, de zoon van zijn dierbare vriendin lady Augusta Gregory die op 23 januari 1918 als luchtmachtpiloot aan het Italiaanse front om het leven kwam. Begint Yeats zijn gedicht met een fatalistische zin: ‘I know that I shall meet my fate/’, Kosters begint daarentegen met een versregel waaruit een rechtvaardiging van het slachtoffer opklinkt: ‘Wie denkt dat ik mijn tijd verdeed/ aan vijand, glorie, vaderland,/ vergeet het maar./’. Nee, de glorie van de held weerklinkt. Geen ‘brisante retoriek/ of steekhoudende logica/’ joeg mij voort maar ‘een stille dorst/ naar roes joeg mij,// hoe ik mijzelf verlost werd/ de aanvurende ademstoot/voor onze dood/ in ruil voor god.//’. Kosters kiest de rol van de held die opgaat in zijn roes voor de levensbedreigende strijd, terwijl Yeats vanuit zijn oorlogservaring zoekt naar een evenwicht tussen zijn ademtochten tussen het leven naar de dood.
Peter Drehmanns ontknoopt in zijn gedicht ‘Houtje-touwtje’ de ‘Coat’ van Yeats op een iets andere manier dan Yeats het zelf doet. Yeats roept zijn lezers op de jas die hij zijn gedicht heeft aangetrokken vol appendices, ontleend aan allerlei mythologieën, vooral aan te trekken. Drehmanns weet dat creatief te gebruiken in een gedicht, gehavend door de tijd, waarin diezelfde tijd met haar tanden de dichtgeknoopte jas lostornde en ontrafelde, aangezien ze ‘bekleed [was] slechts/ met welsprekende littekens//’.
Baban Kirkuki weet het beroemde vers ‘Down by the Salley Gardens’ waarin ‘my love’ de ik oproept ‘take live easy, maar ‘I was young and foolish, and now am full of tears.//’, te bewerken tot een vers waarin de ik moet vergeten dat de liefde geen strijd is van gedachten: ‘Zij groeit zonder verwachting./’. De ik verstaat de taal van de liefde niet, waardoor de blik van de liefde zijn behoedzame hart niet kan treffen.

Uit deze voorbeelden blijkt dat de gedichten van Yeats door de reacties en ‘herwerkingen’ opnieuw een kans krijgen tot leven te komen, waardoor ze onze tijd kunnen worden binnengeleid. Daarmee is maar weer eens aangetoond dat sterke poëzie de tijd kan trotseren.

Geplaatst in Recensies.