Gedichten

Thebe

*
Aan het spit draait het lam, poten
gebonden, kop nog verbijsterd. Denk

eeuwen aan tijd weg, sta je plots naast
een oud offer: een lam voor een gedachte
een kind voor gunstige wind, het hart
van een wiegeling om eigen lijf
veilig te stellen. Denk

de discomuziek op de bergrug weg, blijft
het vertrouwde gezoem van bijen, mus
en zwaluw hun nest en de angst om de wind
in het zeil te verliezen, eigen ziel
te zien vliegen. Liefste

laten we met het hoofd naar het oosten
een zoon maken.

*
En hij bestond. We pakten hem
op, zwierden hem in het rond en
nog eens en hij kraaide want hij was
in lievelingshanden en toen was het

hup de wereld in met je hart
dat men afpakken kan, kan breken
in een hoek smijten: niks waard zo’n

hart geen porselein of goud, meer een roestig
soort klei en je hebt er zoveel van, ook het jouwe
gaat straks op de schroothoop. Maar hij

wilde niet weg, hij wilde
groeien en blijven waar het goed was en goed
wilde hij worden met vileine streken. Schulp

is een woord als schuld, de kom waarin elk
rondkruipt, telkens opnieuw het lichaam
verkent: ben ik dat, een soort groot

gebaar waarmee ik soms iemand
in het gezicht sla?


Vrijspraak voor Kaïn

de zoon

Schuld is een afspraak. Ondanks
alle heimweeverhalen van onze ouders
over hoe vrede o vrede eruitziet moest hij
het lam grijpen en slachten om zelf hoger

te stijgen. Het zwerk, hoger en sterker dan alle
op aarde gemaakte goden, is mijn getuige.

Restte as + rook die wegdreef met zijn geprevel

waarvan ook geen syllabe bleef hangen.
Offer: een leven voor een gedachte.

Dacht: schuilt er dan een belofte
in dood? Ik, zijn hoeder, zal hem uit erbarmen
van zijn povere staat hier op aarde
verlossen.

Wij waren de naamloze dochters van Adam
werden in stilte geboren, baarden

geen opzien, deden verstomd
onze plicht bij het vuur. Zonder ophef

raakten we zwanger, baarden en zoogden
onnozele wichten, poogden ze ampel

voor ramp te behoeden.
Stierven geruisloos.


Zog

Was ik een zeedier geweest met meer dan
zeven tentakels, ik had zonder bedenken
het stof van ze afgewaaierd zodat ze

konden ademen. Maar ik moest het redden met enkel
één hart wat hersens en deze twee handen.

Ik heb ze gekoesterd gevoederd gevoed met
gedachten aan later, maar iets in ze wilde niet
groeien, is lummelig misgegaan. Badwater te

warm of te koud, foute sokjes aan? Te weinig
of juist te veel doodgeknuffeld, haartjes te
kortgeknipt of te strak in vlechtjes gedaan?

Maar al wouen ze niet, ze moesten en zouen, ik heb ze
gelukkig gescholden gedwongen terwijl ik wel wist
hoe het leven je soms. Slavenwerk, dwangarbeid.

Vier gedichten uit de bundel ‘Archaïsch de dieren’,
bekroond met de VSB Poëzieprijs 2015
Geplaatst in Gedichten.