Eric Spinoy – Nu is al te laat

Buiten de greep van de tijd

door Johan Reijmerink

De dichter Bernlef laat het alter-ego Meneer Cogito in zijn gedicht ‘Meneer Cogito in Rotterdam’ uit de bundel De noodzakelijke engel (1990) tegen het lyrisch subject zeggen, dat ‘de puzzelstukjes van zijn bestaan/ door anderen gelegd [zijn] // Tot een beeld dat hij/ denkt te herkennen/ op één stukje na//’. Deze uitspraak die teruggaat op de poëzie van de modernistische Poolse dichter Zbignew Herbert, illustreert het vraagstuk van de identiteit waarmee de dichters vanaf de Romantiek hebben geworsteld. Wie ben ik? Heb ik wel een identiteit? Is er zoiets als een bewustzijn?

Erik Spinoy staat te boek als een postmodernistisch dichter die de positieve antwoorden op die vragen wenst te betwisten. Hij is als dichter, literatuurwetenschapper en essayist een kenner van deze filosofische problematiek. Hoewel de postmodernisten ons voorhouden, dat we met ons vermeende bewustzijn niet verder kunnen geraken dan te komen tot een subjectief en gefragmenteerd beeld van onze werkelijkheid, blijft het toch een streven van menig dichter de puzzelstukjes van zijn voorbijflitsende verbeeldingswereld in een zekere samenhang op te tekenen. De erkenning van de overvloedige instroom van woorden en beelden en het arbitrair zijn van de gecreëerde samenhang kan de onderliggende neiging om de inspringende ideeën te omlijsten in een gedicht blijkbaar niet ongedaan maken. Deze paradox is ook aan alle kanten merkbaar in de poëzie van Spinoy. Zijn woorden en beelden laten ons in ons denken de ene paardensprong na de andere maken.

Van Spinoy is bekend dat hij afkerig is van een dichterschap dat aan deze paradox voorbij wenst te gaan. Hij wenst daar middenin te staan, hij zou niet anders kunnen en willen. Dat alles maakt zijn poëzie in zijn nieuwe bundel Nu is al te laat (2015) daarom wederom spannend, avontuurlijk en in zekere zin ook onoverzichtelijk. De titel van de bundel bewijst al wat hij als dichter voorstaat: zelfs wat zich op en zeker moment in zijn verbeelding aan hem voordoet, is al verzwolgen door wat wij tijd noemen. Er is geen ervaringsmoment door de dichter één op één op papier vast te leggen. De titel van de bundel heeft hij opgenomen in het gedicht ‘Adolf groet ’s morgens de dingen’. Daarin refereert hij aan Van Ostayen, een dichter met wiens poëzie hij een grote affiniteit heeft, en aan Gerrit Kouwenaar die met zijn bundel Totaal witte kamer (2002) naar aanleiding van het overlijden van zijn vrouw een magistrale samenballing van zijn oeuvre op papier bracht.

Adolf groet ’s morgens de dingen

Het spant erom, nu komt het erop aan, het is dus
nu of nooit.

Een klap in het gezicht van de goede smaak?
Een klap in het gezicht maar

nu is al te laat.

Zoologischer Garten : brandbommen en kanisters fosfor
wisten er wel raad mee.

Apen zwierven door de stad, exotische vogels kozen
schreeuwend het luchtruim. Leeuwen stikten
en verkoolden in hun kooien.

Krokodillenstaarten smaakten haast als kippenvlees.
Berenham en berenworst: het bleken lekkernijen.

In de kamer die geen witte kamer is machinekamer is
valt lemmerhard het zomerlicht

valt op een stijf smetvrij katoenen hemd dat
vloekt bij vlekken rimpels kerven in
genadeloos blote nieuw

gebruinde huid.

Er zit in dit gedicht niet alleen een politiek-maatschappijkritische ondertoon in die hij veelal een ironische tot cynische representatie geeft, maar ook dat het in deze tijd moeilijk blijkt de weg naar de verwondering te vinden. De aangepaste titel wijst daar al op: de naam Adolf in plaats van die van Marc. Saillant detail is dat de dichter van Marc, Paul van Ostayen, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog een tijd lang inwoner Berlijn is geweest. Het cynisme dat bij Adolf (Hitler) past, manifesteert zich in het intermezzo over de bommenregen, de loslopende dieren uit de Zoo en het gebrek aan voedsel voor de overgebleven inwoners van Berlijn aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. In onze tijd, nu spant het er opnieuw om, of het zoeken naar Marc en de dingen zal slagen nu de dichter zich daaraan wenst toe te vertrouwen, zich wenst over te geven aan zijn onbevooroordeelde verwondering. Het is nu of nooit. Maar zijn onbarmhartige conclusie in het derde deel is helaas, dat het ook nu niet tot de mogelijkheden behoort: ‘In de kamer die geen witte kamer is machinekamer is/ valt lemmerhard het zomerlicht//’. Zoals in het gedicht ‘Totaal witte kamer’ van Kouwenaar het niet meer mogelijk blijkt voor de geliefden de tijd terug te draaien naar het paradijselijke geluk van toen, zo stelt het lyrisch subject uit Spinoy’s gedicht vast dat het binnenvallende licht hardvochtig en genadeloos de vlekken, rimpels en kerven zichtbaar maakt die de tijd heeft bewerkstelligd op de ‘gebruinde huid’. Nu is al te laat, laat staan nadien!

De lezer moet zich er in deze bundel zeer voor inspannen het breed uitwaaierende palet aan thema’s, ideeën en benaderingen dat Spinoy beheerst recht te doen. Hij bezit een klank- en kleurrijke woordenschat die hij met grote lenigheid beheerst en toepast. Er is hard gewerkt aan deze poëzie. In die zin overheerst de logos, het cerebrale in deze verzen. Dat valt af te lezen aan de opbouw en de inhoud van de verzen. Tegelijkertijd kan niet ontkend worden dat het pathos, de ironie en de humor zo nu en dan de ernst stevig belagen, zoals in een gedicht als ‘Offer van het offer’:

Het moet bijna onzichtbaar zijn:

broodmagere student die onder schot gehouden
en ontkleed bij cameralicht wordt weggeleid.

Soms blijft het helemaal buiten beeld:

door wilde donkere haren overgroeid
geen veertig kilo voor één meter drieëntachtig
nu geen drieëndertig jaren achteloos neergelegd.

Blogt u over beauty?

Lang slapen, altijd zonder make-up. Wat
concealer anders tegen donkere kringen.

Chance ook van Chanel en Bioderma H2O,
het geheim van elk model.

En liters liters witte thee.

Spinoy staat met deze bundel midden in zijn tijd. Dat blijkt uit beeld, woord en onderwerp. De actualiteit van IS en de broodmagere modellen op de catwalk, maar ook de nieuwtestamentische figuur van Jezus van Nazareth schemeren in dit gedicht tussen de coulissen door. De spanwijdte van Spinoy reikt ver de traditie en de actualiteit in. Opvallend aan zijn taal is zijn veelvuldige gebruik van kwalificerende bijvoeglijke naamwoorden: ‘Op de roltrap: haar opaak gekouste brede benen staan daar/ als gebeeldhouwd.//’. Dat is de schilder in Spinoy. Parallellisme en herhaling zijn stijlmiddelen die hij veelvuldig gebruikt om structuur en ritmiek aan zijn teksten mee te geven: ‘Dokter Jos beveelt u dingen aan./ Tatoeëren is voor het leven./ Tatoeëren hoort er nog niet werkelijk bij./ Tatoeëren is een vorm van zelfexpressie soms./ Tatoeëren is bij alle voorzorg toch behoorlijk invasief.//’. Dat is de architect in Spinoy. In alle beschrijvingen maakt hij nogal eens schielijke overgangen, zoals van een technische aanduiding naar een lyrisch ontboezeming: ‘De machtige V8-motor wordt gestart en in zijn/ lichte ogen glanst blauw dashboardlicht.//’. Dat is de non-conformist in Spinoy. Hij werkt ook met diverse taalregisters naast en over elkaar heen, zoals in het gedicht ‘Vlaamse lemming’: ‘Matigheid: deugd die de razende dans/ der zinnen bedwingt.//’ naast ‘Golfplaat lekt en druipt op ruw beton de vloer de naakte trap/ een stapel hout die geurig bloeit van witte schimmel.//’. Dat is de taalvirtuoos in Spinoy. Hij is een dichter die de traditie nodig heeft en recht doet, maar hij geeft tevens aan de zelfwerkzaamheid van de taal de ruimte in het creatieve proces. Daarin verenigt Spinoy invloed en intertekstualiteit in zich.

Dat hij zoekt naar samenhang, blijkt direct uit de wijze waarop hij gedichten heeft opgebouwd. De meeste gedichten bestaan uit een drieslag. Na een titel die veelal zo aan de spreektaal ontleend kan zijn, zoals ‘Oké, maar waar is uw hamster?’, volgt in los van elkaar geformuleerde verzen een karakteristiek van de titel. Dat mondt weer uit in een typografisch ingesprongen intermezzo dat in veel gevallen zo uit de krant of van het internet geplukt zou kunnen zijn. Wat dat aangaat, is Spinoy zeer bij de tijd. De afsluiting springt qua inhoud opnieuw ver bij de eerste twee afdelingen vandaan. Het in betekenis uiteenlopend zijn van de afdelingen en verzen onderling verraadt de associatieve kracht van Spinoy’s poëzie. Het onderstreept dat hij niet ontkomt, niet wenst te ontkomen, aan de versplintering die optreedt zodra hij de pen op papier zet. Zijn gedachten gaan alle kanten uit. Daarbij bezit hij over een brede kennis en oriëntatie. De literaire traditie waait op allerlei momenten zijn poëzie binnen, direct of indirect verwijzend naar de verzen van Apollinaire, Van Ostayen, Gezelle, Kouwenaar, Faverey en Van Wilderode, maar ook naar allerlei wetenswaardigheden uit het leven van alledag: ‘Zo iemand met een exclusieve smaak in mannen vrouwen/ in naar haaien tijgers of insecten vormgegeven auto’s.//’. 0f ‘Vlees en sufgekookte groenten: buitenmate succulent.//’.

De nieuwe bundel van Spinoy is veeleisend en laat zich lezen als een zoekplaatje, dat zijn geheimenissen niet zo gemakkelijk prijsgeeft. Het is bepaald geen ‘sufgekookte’ poëzie die de bedoeling heeft het de lezers uitsluitend naar de zin te maken. Hij wil vilein, brutaal, onverschrokken, beeldrijk en intelligent zijn spiegelgevechten met de tijd en zichzelf aangaan, en die festijnen aan ons tonen. Om al doende toch die witte kamer te bereiken en uit de greep van de tijd te geraken.

***

Erik Spinoy is hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Luik, dichter en essayist. Steevast tot het postmodernisme gerekend, maakt zijn poëzie echter een heel eigen ontwikkeling door. Zijn bundel Dode kamer (2011) werd bekroond met de Jan Campert-prijs. In 2012 schreef Spinoy ook het gedichtenessay As/zteken.

Geplaatst in Recensies.