Op ooghoogte

Gedichten kan je gewoonlijk lezen in een boek, een tijdschrift of op een scherm. Maar tegenwoordig ook op veel andere plaatsen. Edith de Gilde vertelt op welke openbare plekken haar gedichten zoal te zien waren.

Een gedicht gaat pas leven als het gelezen wordt. Soms doet iemand na het lezen nog iets meer met een gedicht, maakt het zichtbaar voor andere ogen. Dat is geluk. Soms had ik geluk.

De eigenares van een feestartikelenwinkel in Sint-Niklaas, bijvoorbeeld, kalligrafeerde ‘Ik stelde in gedachten’ en hing het in haar etalage, als onderdeel van ‘De Min’, een manifestatie van Philip Meersman c.s. in 2003.

ik stelde in gedachten
uit de minnaars van mijn leven
de ideale minnaar samen

van een nam ik de warmte in zijn ogen
het welkom in zijn armen
en van jou…

van een de lust waarmee hij vrijde
zijn lijf, zijn geur, zijn stem
en van jou…

van een de troost als ik die nodig had
de ruimte om te ademen
en van jou…

van een nam ik zijn fantasie
het altijd onverwachte
en van jou…

van jou neem ik alles
en alles en alles
en meer en meer en meer

‘Bakterion’ reisde in 2006 door het land als onderdeel van een tentoonstelling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
‘Hoe het was begonnen’ hing in hetzelfde jaar in het kader van de tweejaarlijkse poëzieprijs  van Oostende in de bibliotheek Kris Lambert, vergezeld door een prachtige foto van Michel Maes.

hoe het was begonnen wisten we niet
de woensdagen bleven maar komen
vaker en vaker en niemand begreep het
al deed de minister alsof maar ook hij
wist niet waar de knop zat

en de woensdagen raakten losser en losser
dinsdagen hadden er niets mee van doen en
donderdag wist zich geen raad
treinen bevroren vliegtuigen ontspoorden
er kwamen nog wolkjes uit monden
maar geen enkel goed woord

kinderen kenden de waarheid als altijd
maar ook zij willen warmte en warmte was weg
en plotseling bleven de woensdagen weg
en toen pas, toen pas

Voor de PoëzieLeesRoute in Amersfoort in 2009 plakten bewoners van de Muurhuizen gedichten op hun ruiten.

 

‘Cirkel’ lag, ook in 2009, in een lezenaar op de Groeneplaats in Den Burg, Texel.

Een van de mooiste voorbeelden dateert uit 2012,  toen Octavia van Horik voor de tentoonstelling ‘Tableau Turkije’ in de bibliotheek aan het Haagse Spui een gedicht van Necip Fazil Kizakürek met mijn ‘Eerste gastarbeider’ samenbracht in één indrukwekkend beeld.

/

EERSTE GASTARBEIDER, 1965

ik zag hem vaak in de Stationsstraat,
schouders opgetrokken, winterjas
als opgezette veren om zich heen.

hij keek niet op of om. gesloten deuren
links en rechts. ook als de zon scheen
liep hij in de regen.

ik zag hem, maar ik wist niets van
de open huizen in het land
achter zijn ogen, van de verre vrouw.

het grauwe waas dat hem omringde
verried de kleuren van Turkije niet,
hield de verloren warmte binnen.

Er waren tentoonstellingen in Assen, Scheveningen, Vught, nog eens Oostende en nog eens Den Haag. Er waren beschilderde deuren in Haarlem, er was een beschilderde kamermuur in Soest. Henk Dillerop maakte een gedichtenboom in Leeuwarden.Van dit alles resten brochures, catalogi en foto’s. Dat geeft niet; ik houd van het tijdelijke. En er is één uitzondering, al bevindt die zich in zekere zin meer in de ‘private’ dan in de publieke ruimte. In 2014 maakte Carlijn van Vlijmen uit werk van haar medeleden van de Haagse Kunstkring collages in de beide wc’s van het HKK-huis aan de Denneweg 64. Voor die van de dames koos zij,  onder veel meer, de eerste strofe van ‘Cirkel’. Een fragment werd onderdeel van een nieuw kunstwerk, dat per definitie alleen gezien wordt door bezoeksters van de Haagse Kunstkring. Maar voor wie op de daartoe bestemde plaats zit, wel mooi op ooghoogte.
Geplaatst in Gedichten.