Martijn Benders – Sauseschritt

Het gevecht met de aartsengel

door Johan Reijmerink

We hebben in deze bundel van doen met een soort logboek, zoals in het mottogedicht van de Servische dichter Novica Tadic staat vermeld. De bundel bevat twee omvangrijke hertalingen: de derde en vijfde afdeling. De algehele atmosfeer in deze bundel is emotionerend en heftig te noemen. De gedichten uit Sauseschritt suizen in sneltreinvaart aan je voorbij. Martijn Benders bedient zich van een grote toon en zou te typeren zijn als een poëtische straatdichter, een performer, een dichter voor het gemene volk, maar wel met een fonds aan interessante invalshoeken, gekwelde voorbeelddichters en existentiële inzichten en oog voor het diepliggende verdriet dat onder de mensen en het leven schuilgaat.
Benders heeft de neiging grote cirkels te trekken, werelden die elkaar vreemd zijn te omspannen, weidse perspectieven op te roepen, de wereldomspannende emoties onder de woorden te krijgen. Deze Benders wil poëzie schrijven, die nog niet eerder geschreven is. Enige megalomanie is hem niet vreemd. Hij ervaart de leegte en de eenzaamheid van het dichterschap. Hij verfoeit het onbegrepen zijn van zijn positie als dichter, maar wentelt zich er graag in rond, op zoek naar het beste ‘zombiewoord’. Zijn mate van onaangepastheid is nog net niet zo groot dat hij niet meer in staat zou zijn poëzie te schrijven. In die zin lijkt hij op de nieuw-Griekse dichter Yannis Ritsos. Zijn verlangen naar de leegte van de dood reikt nog niet zo ver als die van de dichter Rogi Wieg, maar we hebben wel van doen met ‘zo’n gevalletje/ van een gevoelige ziel, die een betere wereld wil.//’.
Benders is een wereldverbeteraar tegen beter weten in. Een echte poëet dus. Romanticus op en top, en hij weet het, maar wil het tegelijkertijd ook niet zijn, omdat hij midden in het leven wil staan, en het wil snappen, het voor wil zijn, en bovenal doorgronden. Hij is eigenlijk bang voor de wereld van de anderen. Hij wil zijn angst voor hun wereld overwinnen. Daarom staat hij zo nu en dan in deze bundel wanstaltig te schreeuwen en te oreren. Hij vloekt zich een weg door de jungle die leven heet. Hij wantrouwt ook zijn lezers, met ‘hun liefde in hun lichtgevende ogen/ en doodwolkjes in de mond,/’. Het blijkt ook een schreeuw om aandacht en liefde van deze verloren zoon, de dichter die een moederskindje lijkt te zijn. In de laatste afdeling zet hij zich in de rol van die legendarische verloren zoon. In de dialoog tussen moeder en zoon overweegt hij terug te keren naar zijn oorsprong. Daarmee doet Benders in deze bundel een allesomvattende poging om het leven met de dood, en de dood met het leven te verzoenen. Dat geeft de bundel een mythische spankracht, ondanks al het spetterend taalvuur dat niet overal even geslaagd te noemen is. Naar inhoud en vorm bedient hij zich zeer vrij van allerlei benaderingen.
Het logboek Sauseschritt bestaat uit vijf afdelingen: ‘radio’, ‘het dode huis’, ‘lectuur uit een ijzeren long’, ‘verdieping’ en ‘herz’. Het betreft verdichtingen die door zijn psyche zijn verwerkt tot leeswaardige poëzie. Fris, direct van toon en zegging, heftig van onderwerp.

De eerste afdeling ‘radio’ bestaat deels uit eerder verschenen gedichten, bewerkingen gebaseerd op gedichten van Otto Orban, al dan niet vertaalde liedteksten van George Brassens, Bonnie Prince Billy en Zeki Müren. Hij wil een dichter zijn die gezien wil worden. Het is enerzijds heerlijk ‘om vergeten rond te lopen’, maar anderzijds heerlijk door ‘Ooit zal ik af zijn, perfect, paspop in de grote wereldetalage./’. Hij is ondertussen een dichter die heel intensief beleeft dat de wereld van de liefde bij hem binnendringt. Zo kan een pokdalig meisje dat ‘fakking goed kan dichten/’ hem danig van zijn stuk brengen. Dichterschap en liefde strijden in deze afdeling om de voorrang. Daarnaast spelen paniek en angst een voorname rol: ‘Paniek en angst moet je niet verwarren./ Paniek inspireert en angst doet verstarren.//’. Voor hem is de liefdespoëzie terug van weggeweest. Tegelijkertijd beseft hij in het gedicht ‘Liefde in tijden van grote poëzie’ dat poëzie de wereld niet kan veranderen, zelfs niet als de dichters over de liefde schrijven.

Natuurlijk, poëzie kan niets veranderen. Ze staan er, allemaal.
En onder de grote adelaarsvlag kussen soldaten hun meisjes onder
lamplicht en schrijven de dichters steeds vlijtiger over steeds
universelere onderwerpen: de liefde, de liefde de grootste kracht,
de kracht die alles schaft.

En toch is de liefde ‘profetisch van eeuwig goed’. Tussen het dromen over en schrijven van poëzie door rakelt de ik zijn liefdesperikelen op: zijn wanhoop, conflicten en teleurstellingen over zijn geliefde, zijn en haar gevoelens voor elkaar. Ondertussen gebruikt hij verrassende metaforen: ‘Het sterfelijke, waaraan niemand herinnerd wil worden / als ze een boek lezen met de vertraging van een vliegtuig’. Of : ‘Langzaam verdwijnt alles / in de stropdasachtige schaduwen.’
Als de liefde eenmaal daar is, trekt ze als een onopvallende revolutie aan hem, een ieder voorbij: ‘Iets was niet hetzelfde. Maar niemand kon zijn vinger erop krijgen./’. ‘In het Art Hotel’ trekt de ik 50 euro uit zijn zak, vouwt geëngageerd een vliegtuigje, ‘dit is de MH17’, terwijl hij hem zachtjes in de balie laat landen. ‘We zullen de onderste steen bovenhalen!/ We zullen niet rusten tot het eindje boord is.//’. In deze afdeling is de inleving in de ander zo ver gegaan, dat de ik het moeilijk vindt de ander, de vreemde nog aan een andere vreemde te moeten geven. Een empathie die tot ernstige zelfvervreemding kan leiden.

In de tweede afdeling ‘Het dode huis’, een hertaling van het gedicht van Yannis Ritsos, beschrijft de wederwaardigheden van een familie die aan oorlogsgeweld op twee zussen na ten onder is gegaan. De ik spreekt met de zus die een tijdje onder de druk der omstandigheden krankzinnig is geweest. Het huis symboliseert in al zijn hoeken en gaten de geschiedenis van het huis. Het verleden speelt tegen de wanden van het onheilspellende huis op. Alles heeft hen verlaten. Er heerst een ‘netelige, vreemde sensatie, van horror en slacht, / een blinde, fijne geur van grenzeloze schoonheid / en naakte absentie. Zo is het. Alles verliet ons.’
De wrede aanwezigheid van soldaten geeft aan het huis een onheilspellende sfeer mee: ‘een plek vol ontwijkende eenzaamheid en oprechtheid./’. Een noodlottige plek beschreven als een Griekse tragedie die staat voor de menselijke conditie. Een moderne Griekse mythe. Als in de ‘Aantekeningen als uit het dode huis’ van Dostojewski. Deze aantekeningen maakten het de ik gemakkelijker om weer aan zijn eigen leven te beginnen.

In de derde afdeling ‘Lectuur voor in een ijzeren long’ neemt Benders zichzelf op de korrel. Er is de dichter Benders en de persoon Benders, die de hele dag bezig is hoe hij mensen kan uitleveren aan de woorden. Hij houdt hierin een poëtisch pleidooi voor de kunst om de verwoesting die haast maakt ongedaan te maken. ‘Toen jullie vroegen om poëzie die zich bemoeit met de wereld/dacht ik: die zijn aan het juiste adres. Ik ben een leunstoel generaal/als geen ander. Ik meander volledig in uniform, maar het is saai/de baas van het internet te zijn. Het internet is voor mij te klein. //’

Beeldspraak aan deze tijd ontleend, megalomaan en egocentrisch van inhoud, humoristisch van toon, geëngageerd van intentie. Dat proef je deze hele afdeling door. Daar tussendoor zinspeelt hij op de rol van de seksualiteit als perpetuum mobile die als een ruitenwisser werkt. ‘De lul sponst door het bestaan,/’ […] ‘En elke dag opnieuw:/ putten op de rits.//’. Deze afdeling staat bol van seksuele verwijzingen: ‘een beetje liefde is al snel/ net zo kittelorig als kippenvel/’. Het blijft heel dubbel als hij zich voorstelt dat de vogeltjesdans op zijn graf wordt gedanst: ‘Wou dat ik een vak had geleerd.//’. Maar ook

Ik ben overal tegen.
Tot ik een gedicht schrijf, dan ben ik voor.
Lijkt me logisch.

In poëzie moet iets gebeuren
voordat er iets gebeurt.

Hij beschouwt zijn poëzie als ‘een isoleercel voor oude koningen die een bloedhekel aan/ Gesamtkunstwerken hebben. ‘Ik sloot ze op voor jou.//’. En in dit gedicht komen liefde en poëzie weer bijeen. Zijn grootspraak blijft: ‘mocht ik ooit de nobelprijs voor literatuur krijgen, dan ga jij van mijn bangalijst. Maar ook de Martijn Benders Dag.’ Hoewel Benders niets van hermetische poëzie moet hebben, blijft er in zijn dialogische, anekdotische, geëngageerde en mythische poëzie nog genoeg te raden over. Alleen wil hij niet dat lezers zijn poëzie niet begrijpen, en zich erin zouden gaan opsluiten.

In de vierde afdeling ‘Verdieping 13’ heeft Benders wat zoekplaatjes uitgeschreven. Stukken geïnspireerd door de sciencefictionschrijver R.A.Lafferty, vertaling van werk van Zabolotsky en Roethke in verkleinde lettergrootte afgedrukt, met een vergrootglas te lezen. Poëzie die op afstand blijft, als je het raadsel niet onder ogen wil zien.

In de laatste afdeling ‘Herz’ een hertaling van een werk ‘De jongen die in een Hert veranderde schreeuwde door de Geheime Poort’ van de Hongaarse dichter Ferenc Juhasz. De gelijkenis van de verloren zoon, de mythe van Narcissus schemeren tussen de regels door in dit hertaalde gedicht. Een moeder roept haar zoon toe tot haar terug te keren, waarop de zoon in alle toonaarden aangeeft dat niet te willen en te kunnen. In een mythologische context roept zij hem tot zijn oorsprong, zijn bron. Zij voelt haar levenseinde naderen. Ze voelt zich vol met visioenen en wil zich daarvan bevrijden. Op haar verzoek hangt de jongen zijn hoofd boven een poel en verandert in een hert. Vanaf dat moment is hij bang haar te verwonden. Het sprookje van de gouden vogel komt het gedicht binnen. Hij blijft vrezen voor haar vernietiging als hij haar zou ontmoeten. Wanneer zij hem herinnert aan zijn vroegere vriend en vriendin, neemt zijn afkeer alleen maar toe. De moeder probeert de zoon uit zijn versteende wereld terug te roepen. Alleen om te sterven is hij bereid terug te keren.

Het anekdotische karakter met mythische spankracht verleent aan deze poëzie een grillig vormelijk geheel. Het is poëzie die zich goed leent om op het podium voorgedragen te worden om nog beter uitdrukking te kunnen geven aan het geëngageerde karakter. Gelet op zijn bediening van een omvangrijk taalregister maken we kennis met een zeer taalvaardige dichter.

De derde afdeling toont Benders gevecht met het eigen dichterschap om zijn lezers uit te leveren aan de woorden en etaleert de vraag in hoeverre hij zich met de wereld moet en kan bemoeien als dichter. Veel gedichten in strofen met een maatschappelijke oriëntatie; hij is overal tegen, totdat hij een gedicht schrijft. Een gedicht als ‘Aantekeningen uit de isoleercel’ is een voorbeeld van een caleidoscopisch gedicht waarin hij liefdesperikelen en maatschappelijke thema’s tot een bruisende cocktail weet te mixen. De centrale thematiek lijkt voornamelijk ‘liefde en verdriet in tijden van grote poëzie’ te moeten zijn. Daarin schuilt de nodige ironie naar de dichter zelf, zijn collega-dichters en zijn lezers toe. Bovenal is Benders in deze bundel in gevecht met zijn eigen dichterschap, zijn aartsengel.

***

Met deze bundel Sauseschritt (2015) publiceert Martijn Benders zijn vijfde bundel. Hij wordt tot één van de meest originele en onberekenbare dichters van zijn generatie gerekend. Hij debuteerde in 2009 met Karavanserat en werd ervoor genomineerd met de C.Buddingh-prijs voor Nederlandstalige poëzie.

Geplaatst in Recensies.