Poëzie werkt als er een dissonant in zit

Sander Meij (Nijmegen, 1980) is redacteur bij Unieboek | Het Spectrum. Daarnaast is hij tekstschrijver en dichter. Sander won in 2005 de Meander poëziewedstrijd voor jongeren. Hij trad op verschillende grote festivals op, zoals Crossing border en De nacht van de poëzie. Op 17 september jongstleden lanceerde hij in Perdu zijn debuutbundel Nieuw eiland.

In een interview met Meander zeg je dat je bent begonnen met dichten uit ergernis.
Mijn goede vriend Bernard Wesseling deed jaren terug mee met veel slams en ik ging dan mee. Ik kende dat fenomeen toen nog niet zo goed. Maar wij waren fervente lezers. We moesten soms lachen, maar ergerden ons ook wel dood aan de pathos en quatsch die tijdens die slams gebracht werd. Toen dachten we redelijk overmoedig: dat moeten wij toch beter kunnen.

Je bent afgestudeerd in de Nederlandse taal en cultuur met een scriptie over de Vlaamse auteur Gust Gils. Wat sprak je aan in zijn werk?
Gust Gils was een voorloper van de zestigers en een van de oprichters van het experimentele tijdschrift Gard Sivik. Een beetje anti- establishment, anti-lyriek en wellicht ook anti-Claus. Hij trok op met Paul Snoek, Hugues Pernath, Sleutelaar, Vaandrager, Armando. Zijn werk sprak mij aan, omdat het heldere poëzie is, en tegelijkertijd volstrekt enig in zijn soort. Het is zonderlinge poëzie die bestaat uit weinig woorden, maar die bij tijd en wijle een enorme zeggingskracht heeft.

Mijn poëzie is vrij kaal, met een eigen logica. Het moet autonoom zijn en niet vervallen in anekdotiek. Verder ben ik niet of nauwelijks geëngageerd als dichter, een beetje tegen de tendens in misschien Een gedicht moet een gebeurtenis op zich zijn. Je kunt natuurlijk wel elementen uit de werkelijkheid gebruiken in een gedicht, maar het moet geen beschrijving zijn. Een gedicht moet je anders naar iets laten kijken. De vanzelfsprekendheid van het heden ontmaskeren. Bijvoorbeeld door een paradox te zoeken. In het gedicht ‘Geen gezicht’ keert terug dat mensen van mijn eigen generatie misschien zo uniek mogelijk proberen over te komen op sociale media en in het echte leven, maar daarin zijn ze eenvormig in hun uniciteitsgevoel geworden: je kunt ze wat dat betreft zo tegen elkaar wegstrepen.

 Je hebt ook moderne Franse letterkunde gestudeerd. Heb je nog andere, of Franse, voorbeelden?
Michel Houllebecq qua uitgangspunt. Omdat hij controversiële onderwerpen aansnijdt, maar geen stelling kiest. Hij laat bijvoorbeeld zien dat er vraag en aanbod is voor sekstoerisme in Afrika en aan de andere kant dat dat moreel en ethisch misschien onjuist is de ogen van sommigen. Maar hij kiest hierin geen positie. Hij postuleert fenomenen naast elkaar en laat die botsen. Dat mensen daarover daadwerkelijk vallen, is natuurlijk schitterend. Daarbij beoefent hij verschillende stijlregisters, dat zou ik ook wel willen durven. Zijn schrijfstijl is niet consequent en verandert steeds. Als je het snel leest kan het oppervlakkig en slordig overkomen en verkeerd begrepen worden.

Een groot thema dat mij bezighoudt is: wat is de werkelijkheid? Er zijn verschillende filosofische zienswijzen daarop van Pascal naar Schopenhauer en terug en die zienswijzen weet Houllebecq overtuigend in fictie in elkaar over te laten gaan. Ik vind dat moeilijk, die verschillende stemmen, om dat overtuigend te doen maar misschien probeer ik het wel in mijn volgende bundel

In het eerder genoemde interview met Meander vertelde je dat je een gedicht van jezelf graag zou terug zien op een pak gestampte muisjes: koop dit en uw leven zal nooit meer hetzelfde zijn. Een beetje narcistisch. Ben je een beetje narcistisch?
Iedereen die wil schrijven en uitgegeven worden is wel een beetje narcistisch denk ik. Want waarom zou je de wereld anders willen opzadelen met je eigen hersenspinsels, werk, gedachtes? Je ziet dat soms met de dichters die optreden bij Festina Lente – Sander zit al jaren in de jury van de Festina Lente poëzieavond en won die twee keer red. –. Eerlijk gezegd wordt de spoeling dunner en is de kwaliteit, het niveau, wel achteruit gegaan de laatste jaren. Nogal wat performers noemen zich dichter, maar hebben soms zelfs, zo blijkt dan bij navraag, nog nooit een gedicht gelezen. Maar elk jaar komen toch weer enkele pareltjes bovendrijven, zoals Marieke Rijneveld, Kira Wuck of Martijn Teerlinck, die begonnen bij Festina Lente en hopelijk eindigen in het eeuwige pantheon der poëzie. Die spanning maakt het altijd wel weer de moeite waard.

Ik wil iets schrijven, dat op papier overeind blijft en het niet alleen goed doet op een podium. Als je meer diepgang in een gedicht wilt krijgen en overbrengen, dan is dat toch een heel andere tak van sport dan performancepoëzie. De connectie van de lezer met het gedicht bepaalt deels wat uiteindelijk het thema van het gedicht is. Je kunt als dichter wel sturen, maar de richting bepaalt de lezer.

Ben je zelf actief bezig geweest om een uitgever te zoeken voor je debuut?
Iemand heeft een uitgever gewezen op mijn werk. Als die persoon dat niet had gedaan, dan had ik nu nog steeds aan mijn werk zitten schaven. Ik weeg mijn woorden zorgvuldig. Over ieder woord is wel nagedacht, het is nog net niet met een woordenboek erbij geschreven. Belangrijk vind ik, dat er geen woord te veel instaat. Je moet een gedicht tien keer kunnen lezen en dan nog steeds iets nieuws kunnen ontdekken. Het is heel gecondenseerd.

Wat moet je dan doen om als dichter door te breken? Er wordt wel eens door dichters geklaagd dat er alleen nog maar jonge, mooie meiden worden uitgegeven.
Ik ben toch ook geen mooie jonge meid? Je moet op de eerste plaats goed zijn, een verhaal hebben en geen enorm ego, maar misschien helpt een vlotte babbel en overal naartoe gaan wel. Zichtbaar zijn. Nieuw dichttalent wordt voornamelijk gescout, heb ik me laten vertellen. Maar misschien is het inderdaad voor een mooie jonge meid makkelijker om in de schijnwerpers te komen en op te vallen.

Had je vanwege het winnen van de Festina Lente poetry battle niet al eerder kansen om te publiceren?
Ik werd op een gegeven moment wel benaderd om wat te doen, maar ik heb kansen laten liggen en daarna te sporadisch serieus wat gedaan met poëzie. Ik heb jaren niet aan een bundel gewerkt, wel veel opgetreden. Ik ben pas begin 2014 begonnen met deze bundel en toen was er al contact met uitgeverij Nieuw Amsterdam. Die stimuleerden mij. Ik wilde altijd al een bundel uitgeven, maar geloofde er eigenlijk niet in. Ik dacht steeds: dan beland ik natuurlijk op zo’n slush pile (een stapel ongevraagd opgestuurde manuscripten). Dat was m’n eer te na. Ik had iemand anders nodig die daarin het voortouw nam en dat was Pim te Bokkel.

Leverde het winnen van de Meander poëzieprijs voor jongeren je wat op?
Het leverde me een zekere mate van geloofwaardigheid en bevestiging op en daardoor ben ik meer gaan schrijven. Het was een stimulans, omdat ik in mezelf ging geloven.

Er is een interview van jou met Herman Brusselmans?
Dat is een fictief interview, dat ik heb geschreven over wie je held is. Het bestaat volledig uit citaten van Herman Brusselmans, die ik op zo’n manier achter elkaar heb gezet, dat je een nieuw ‘interview’ krijgt. Brusselmans is niet écht een held van me, maar als hij al een held is, dan komt dat omdat hij al vijfendertig jaar zijn middelvinger tegen iedereen opsteekt en soms de meest afgeraffelde kutboeken uitgegeven weet te krijgen. Al moet gezegd dat hij de koning van de openingszinnen is. De eerste zin van Een kus in de nacht, een roman van meer dan 600 pagina’s, is wat dat betreft wel geniaal: ‘En alweer heb ik niets te melden.’ Dat vind ik vrij hilarisch.

Heb je nog andere interesses dan schrijven, redactiewerk en dichten?
Ik speel wat gitaar en ik fiets veel. Tijdens het fietsen rumineer ik, dan krijg ik betere ideeën. Het is alsof je een register in je hoofd laat bladeren. Zo ben je soms met een gedicht bezig en weet je het niet meer en opeens valt het kwartje. Als een soort nulpunt in de zin van ‘nu begrijp ik pas waar ik het over heb.’ Het komt dan wel voor dat een gedicht ineens in drie gedichten uiteenvalt.

In je bundel lijkt psychische kwetsbaarheid een rol te spelen.
Ja, dat heeft ook met een gevoel van uitsluiting en pesterijtjes en dergelijke te maken. Ik heb daardoor als grondhouding een totale argwaan naar mensen toe in het algemeen. Ik ben, hoewel sociaal best vaardig, niet echt een mensen-mens. Ik ben heel kritisch met wie ik toelaat in mijn leven. Het hoort trouwens gewoon bij het leven dat je teleurgesteld wordt door mensen. Je wapent je daar op den duur tegen en gaat ervoor waken dat je jezelf niet te snel te veel bloot geeft. Ik durf mij in een gedicht beter bloot te geven dan in het echte leven. Maar volgens mij is echt contact tussen mensen iets onmogelijks. De paradox is dat taal pur sang niet het instrument is om de werkelijkheid te beschrijven, en dat het al helemaal onzinnig is om dat te proberen in een gedicht. Je kunt toch nooit één op één overbrengen wat er aan de hand is. En tegelijkertijd is de ultieme, meest uitgekristalliseerde vorm van taal de poëzie, doordat je zulke weloverwogen keuzes maakt in een gedicht. Ja, zelfs als het geïmproviseerd is.

Wij maken concepten en kunnen de werkelijkheid niet kennen?
Ja, dat sluit daar mooi op aan. Ik geloof dat poëzie niet vrijblijvend, maar ook niet dichtgetimmerd moet zijn. Voor poëzie geldt minder dan voor proza dat geen mus van het dak mag vallen zonder dat het betekenis heeft. Het gaat bij een gedicht pas werken als er een dissonant in zit, het liefst eentje die nieuw licht werpt op al het voorgaande…

 

 

Geplaatst in Interviews.