Peter Holvoet-Hanssen – Gedichten voor de kleine reus

Spelen met de woorden van andere dichters

door Romain John van de Maele

Bij het lezen van de nieuwste bundel van Peter Holvoet-Hanssen (1960) heb ik meermaals aan Homo ludens (1938) van de Nederlandse cultuurhistoricus Johan Huizinga gedacht. Huizinga beschouwde het spel als een essentiële bouwsteen van de cultuurontwikkeling. In de jaren 1960-1970 probeerden de provo- en de kabouterbeweging het spel in het politieke leven te introduceren. Als tegenculturele beweging heeft het samenspel – waar Roel van Duijn bij betrokken was – ook een en ander gerealiseerd. Huizinga zag voorbij de politieke horizon en bracht spel in verband met de rechtspraak, de wijsheid en ook de poëzie. Hij wees erop dat dichten in de spelsfeer tot stand komt en altijd in die sfeer thuis blijft. ‘Om poëzie te verstaan,’ schreef hij, ‘moet men de ziel van het kind kunnen aantrekken als een tooverhemd en de wijsheid van het kind aanvaarden boven die van den man’ (Verzamelde werken V, 1950, p. 184). Mijn verwijzing naar de stelling van Huizinga betekent niet dat ik die zonder meer aanvaard.

Of Holvoet-Hanssen, in 2010-2011 Antwerps stadsdichter, met de ideeën van Huizinga vertrouwd is, weet ik niet, maar Gedichten voor de kleine reus, zijn nieuwe dichtbundel, beantwoordt in grote mate aan de uitgangspunten van de Nederlandse historicus. Voor vroegere bundels ontving hij o.a. de Debuutprijs (1999), de Dirk Martensprijs (2001) en de Paul Snoekprijs (2010). Hij schrijft ook proza (o.a. De vliegende monnik, 2003 en Zoutkrabber Expedities, 2014). Alleen al de titel van de nieuwe bundel verwijst naar het spel. Men vraagt zich onmiddellijk af hoe klein een kleine reus is. Kan dat misschien ook een grote dwerg zijn? Wie is overigens die kleine reus? Een geniale dichter met te korte beentjes, die met een paukenslag – boem! – de poëtica van zijn voorgangers en tijdgenoten ontwrichtte?

Ondanks of wellicht precies door het spel blijft het oppassen geblazen, want de inzet is hoog en geluk aan de speeltafel is nooit gewaarborgd. Wanneer het boek in de boekhandel ligt, is het ‘faites vos jeux, rien ne va plus’ al lang weggeëbd. Wordt de inzet van de dichter beloond, of gaat iemand anders met de winst lopen? Peter Holvoet-Hanssen heeft wellicht goed een aantal aftelrijmpjes beluisterd of eventueel gelezen. ‘Liedje voor een kleine reus’ (p. 19), opgedragen aan Louis Paul Boon, is een goed voorbeeld van het spel met taal en betekenis. In dat gedicht wordt Piet Fluwijn – de vaderfiguur in de stripreeks De avonturen van Piet Fluwijn en Bolleke – geïntroduceerd. Ook Polleke (van Ostaijen) werd binnengesmokkeld. Louis Paul Boon werd al vroeger, zij het indirect, binnengeloodst in de bundel Strombolicchio. Uit de smidse van Vulcanus (1999). De openingszin van ‘De stollende wraak van J. Enterhaeck’ luidt als volgt: ‘Ik breek mij af, bouw mij op’ (p. 15). Deze versregel doet aan Ook de afbreker bouwt op (1982) van Boon denken.

De nieuwe bundel bestaat uit vier cycli: ‘De tuin der poëten’, ‘Klank van de stad’, ‘Het land van Music-Hall’ en ‘De reus die komt’. ‘De klank van de stad’ doet, alleszins wat de titel betreft, denken aan ‘de klaenk van de stad mokt m’n ziel amoureus’, de tweede versregel van ‘Ik wil deze nacht in de strate verdwale’ (1973) van Wannes van de Velde. In het gedicht ‘De droomtuin’ (p. 37) worden Maurice Gilliams en zijn romanfiguur Elias van onder het stof gehaald. De derde cyclus refereert aan Paul van Ostaijens debuut, Music-Hall (1916), of aan het vijfdelige gedicht ‘Music Hall’ in de bundel De bezette stad (1920). De titel van de cyclus wordt vervolledigd met een omschrijving: ‘de muziekdoosgedichten voor Paul Ampère’. Met het begrip muziekdoosgedichten begeeft de dichter zich naar het gebied van spel en dromen. Ampère is een eenheid die de elektrische stroomsterkte aanduidt, en Van Ostaijen heeft niet alleen in Music-Hall maar ook in zijn andere bundels de stroomsterkte en de spanning opgedreven. Hippe Antwerpse jongeren schrijven ampère met een hoofdletter, en verwijzen zo naar een nieuwe magneet: een evenementenzaal onder de sporen naar Antwerpen Centraal.

De vierde cyclus verwijst naar een reuzenlied dat in de negentiende eeuw door meer dan één filoloog werd opgetekend. In de Nederlandse Liederenbank vindt men een aantal varianten van dit reuzenlied. Holvoet-Hanssen spiegelde zich in Strombolicchio al eerder aan het kinderliedje ‘In de maneschijn’, en in de bundel Santander. Ontboezemingen in het vossenvel (2001) hangt hij het gedicht ‘La Renardière’ op aan een Frans lied waarvan vooral de eerste twee versregels gemeengoed zijn geworden: ‘Malbrough s’en va-t-en guerre / Mironton, mironton, mirontaine.’ En op die manier belandt hij weer op het terrein van Louis Paul Boon, die in Wapenbroeders (1955) Reinaert een nieuw boetekleed heeft aangetrokken. Anders gezegd: de dichter verbergt zijn bronnen niet. Het lijkt erop dat hij gevestigde schrijvers in een spel wil meesleuren. Maar volstaat dat om gedichten te schrijven ‘die je bij je nekvel grijpen’, zoals op het achterplat van Santander wordt gesteld? Kan ik de uitspraak van Geert Buelens, vermeld op een binnenflap van Gedichten voor de kleine reus, beamen? Is Holvoet-Hanssen inderdaad de verloskundige die de poëzie hielp bij de bevalling van haar moderne kinderen? En had Komrij het bij het rechte eind toen hij beweerde: ‘Zolang Peter Holvoet-Hanssen met zijn toverstok zwaait, licht het landschap op’? ‘De vlucht van Asta Nielsen’, het vijfde gedicht van de cyclus ‘Het land van Music-Hall’ (p. 45), haalt alleszins niet het niveau van Van Ostaijens aanbidding van de Deense diva.

Alvorens ik de inhoud verder onder de loep neem, wil ik het kort over de formele aspecten van de bundel hebben. Zoals in zijn vorige bundels blijft de dichter vormtechnisch zeer ongelijke gedichten schrijven die slechts uitzonderlijk uit relatief korte versregels bestaan. Ik denk aan de eerste twee gedichten van de korte reeks ‘Een Vlaming in Haarlem: drie miniaturen’ (p. 55-56). Soms maakt hij gebruik van strofen, maar een gedicht is ook vaak een monoliet. Andere gedichten, zoals ‘De droomtuin’ (p. 37-38), doen aan het script van een toneelstuk denken. Het is precies in ‘De droomtuin’ dat de dichter de tuin uit Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936) van Maurice Gilliams evoceert. Meestal maakt Holvoet-Hanssen gebruik van lange versregels, en zijn de gedichten evenredig lang. Nu en dan wordt gebruik gemaakt van rijm, alliteratie zoals in ‘de kasten kijken door je / de spiegel staat in brand’ (p. 29) of assonantie, maar het dominante patroon is prozaïsch. De prozaïsche zegging staat het opvallende spel met woorden uit het verleden niet in de weg.

Spelen is niet verboden, maar het is niet – in tegenstelling tot wat Huizinga schreef – essentieel om gedichten te verstaan. Het spel speelt zijn toevallige rol op het moment dat de eerste versregel onverwacht uit het onderbewustzijn opborrelt. De volgende versregels zijn het resultaat van cognitief en emotief ‘paswerk’. Doorgedreven spel verliest zijn spelkarakter, en bovendien geloof ik niet in het toverhemd van het kind. De Franse filosoof en pedagoog Jean Château heeft in L’enfant et le jeu (1950) aangetoond dat het spel van het kind gericht is op het aanleren van vaardigheden die noodzakelijk zijn om als volwassene overeind te blijven in een wereld die in het teken staat van hebben en zijn. Paul van Ostaijen heeft impliciet Châteaus bevindingen geïllustreerd in het gedicht ‘Marc groet ’s morgens de dingen’. In dat gedicht heeft hij aangetoond hoe een kind spelenderwijs taal verwerft, en niemand zal betwisten dat taalvaardigheid een grote rol speelt in het leven van elke volwassene. Ook wanneer geen ‘boekhouding’ wordt bijgehouden, zijn vaardigheden een ernstige aangelegenheid. Ik ben dan ook meer onder de indruk van gedichten zoals het sociaal getinte ‘Soweto’ (p. 24) en de historische terugblik ‘Een zachte paniek’ (p. 27). Van de spelende dichter onthoud ik vooral het gedicht ‘Het slempen van de reus’, waaruit ik de eerste strofe overschrijf:

Een klein beetje water en we zijn vertrokken.
We laten ons groeien. Daar gaan we.
Emmeke, ik schrijf je naam op het dak.
Emmeke lief, ik plak je zachtjes.
Ik bijt je hartje. (p. 44)

‘Onder de koepelserre”, opgedragen aan Paul van Ostaijen, opent met ‘De Valse Hoop’ die het sanatorium in Miavoye wellicht bij vrienden van de dichter heeft opgeroepen, maar in de tweede strofe bots ik op de cynische versregel: ‘Leid Pneumo en Thorax naar het bed’ (p. 48). Ik kan een moeilijk afscheid van het leven en de oprechte bewondering voor Van Ostaijen niet verzoenen met dat soort ‘grappen’. Als er dan toch met woorden gegoocheld moeten worden – en ik erken de noodzakelijkheid van het spel als spel –, dan verkies ik gedichten zoals ‘Dinska Bronska’ van Karel van den Oever of een versregel zoals ‘Soms tussen tulpen bloeit een tulp vreemdsoortig’ van Richard Minne.

Geplaatst in Recensies.