Inge Boulonois – Idioom van Geluk

Over de drempel der dingen

door Hans Franse

De naam Inge Boulonois was mij onbekend. Toen ik haar naam had opgezocht zag ik dat zij geschoold is en gewerkt heeft als beeldend kunstenaar, iemand die per definitie goed kijkt en goed verbeeldt, vaak verder dan de werkelijkheid. Zij is ook voormalig stadsdichter van Heerhugowaard. Op zich is dat nauwelijks relevant voor het werk: in de hier te bespreken bundel komen echter een paar gedichten voor die in deze functie geschreven zijn, dus is het voor haar dichterschap relevant. De mij toegezonden bundel is extra actueel nu ook in Meander een aantal gedichten is opgenomen, waarvan twee uit deze tamelijk uitgebreide bundel.

De bundel opent met een citaat van Rilke, waarin de mens als een toeschouwer wordt voorgesteld. Mensen ordenen, de dingen vervallen. ‘Wij ordenen opnieuw en vervallen zelf’. We mogen de gedichten dus klaarblijkelijk vooral zien als een waarneming en vormgeving van de wereld om de dichter heen. Het zou kunnen aansluiten bij de door eerdere werkzaamheid als beeldend kunstenaar verkregen scherpte van waarneming.

In de eerste afdeling, ‘Grenzen Polyptiek’, beschrijft zij, vaak op originele wijze, concrete grenzen die enerzijds beschermend werken en anderzijds toegang geven tot de wereld om haar heen. Zij beschrijft de muur, het dak, de drempel, het raam en de schutting. Er zijn altijd beelden. Zo wordt er geschreven over een deur, die nieuwsgierig is en open; over het raam, dat een ‘verrader is van de binnenwereld’, maar ook koud en over een schutting als een scherm tegen de opdringerige deining van de wereld.

In het tweede deel, ‘Van de kleine wereld’, gaat het over bezielde dingen die in aanraking komen met mensen: de tafel, de stoel, de kast. ‘Het geluk van een tafel’ levert een bungyjumpende spin op waardoor de tafel een ‘lusthof voor het insect ‘ is, maar tegelijkertijd de plek waar het kind zich onder verbergt.

De afdeling ‘De dingen’ zit ook vol met pure waarneming. Zo vind ik het leven van een vaas uitstekend gelukt, een leven dat zich opoffert voor de bloemen en uiteindelijk in stukken valt. In deze afdeling viel mij modern taalgebruik op: ‘de matheid/ bij de tigste zuil….’ Het is ook de eerste keer dat ik, poëzie lezend, in het gedicht ‘Heimwee’, het betrekkelijk voornaamwoord ‘die’ gebruikt zag, waar ik ‘dat’ zou schrijven: ‘ Een orgelpunt in kleine terts/ die doet zoeken’. Ik vind nog steeds dat het om de hele woordgroep gaat-, ‘in kleine terts’ is een bijvoeglijke bepaling bij ‘het orgelpunt’, waarbij het voornaamwoord ‘dat’ hoort. Binnen deze afdeling ‘De dingen’ vinden we ook gedichten over gevoelens en verwachtingen als ‘Hoop’(‘een ballon vol ronde gedachten’) , ‘Groen is gras’ en ‘Muziek’, wat bij mij wat inconsistent overkomt. Met de beste wil van de wereld kan ik muziek noch hoop als ‘dingen’ zien.

De ‘Verplaatsing in de tijd’ levert gedichten op als : ‘Zeilboot’, ‘Fietsend’, waarin ze de kuststreek van Holland beschrijft ‘terwijl de aardbol wentelt om de eigen naaf’’. Het ‘Penhuisje’ is een gedicht van de stadsdichter uit Heerhugowaard, dat hier een plaats heeft gevonden. ‘Het station’ beschrijft de verplaatsing, het ‘Verpleeghuis’ gaat over de liefdevolle verzorging, ‘Lascaux’ over de definitieve oudheid. Dat het laatste gedicht in deze serie ‘Het einde’ is, lijkt logisch.

Inge als beeldend kunstenaar schrijft in ‘Van ruimte’ over elementen als perspectief, het licht, de wolken, de zee en de schaal . Dat laatste is in feite een gedicht in proza. De afdeling ‘Idioom van geluk’ bevat een aantal fraaie gedichten, ook over ‘dingen’ die waargenomen worden.

Blijven de laatste twee afdelingen over. In ‘Palet’ beschrijft zij de kleuren : wit, geel, blauw, groen, rood en bruin’. Ik vind het op sommige punten mooie gedichten maar ze konden mij toch niet de spirituele bundel van Pierre Kemp, ‘Engelse verfdoos’, doen vergeten. Tenslotte beschrijft Inge een aantal kunstwerken in ‘Uit de kunst’, waarin twee maal Vermeer is vertegenwoordigd. We lezen over een landschap van Jacob van Ruisdael naast een zondagochtendstraat van Edward Hopper. In ‘Meander’ is het gedicht over de stillevens van Giorgio Morandi te lezen, dat mij buitengewoon aanspreekt, zoals het werk van deze schilder uit Bologna van een sublieme waarneming is . Na de abstracte werken van Mondriaan ‘gedicht’ te hebben eindigt ze met ‘De zaaier’ van Vincent van Gogh.

De waarnemingen zijn heel sterk, haar poëzie verwoordt een wereld om haar heen waarin alles zijn plaats heeft: een wereld van kleur en verbeelding, wat soms fraaie beelden oplevert. Soms vind ik de samenhang binnen de bundel niet consistent, maar in zijn geheel heb ik de poëzie met veel plezier gelezen.

***

Inge Boulonois (1945) was stadsdichter van Heerhugowaard (2011 – 2014). Ze publiceerde de dichtbundels Heerhugowaardse gedichten (2014) en Lichte en Bonte Gedichten (2015).

Geplaatst in Recensies.