Erik Jan Harmens – Ik noem dit poëzie

Een dichter in de traditie van de Romantiek

door Hans Puper

Enige maanden geleden verschenen de verzamelde gedichten van Erik Jan Harmens: Ik noem dit poëzie. Niet alleen zijn vier bundels zijn hierin opgenomen, maar ook de ‘Early works’ – gedichten die in literaire tijdschriften en bloemlezingen verschenen – en de ‘Financieele gedichten’, opgenomen in ‘Rotterdam’, 2012. De bundel Echte mannen scheiden niet (2012) ontbreekt. Begrijpelijk, want die schreef hij samen met Rick de Leeuw.

In een ronkend voorwoord schrijft Frank Tazelaar (van De Wintertuin) dat Harmens het woord ‘ik’ zijn ‘primitieve kracht’ heeft teruggegeven. Even later: ‘Ik denk dat Erik Jan Harmens in z’n eentje verantwoordelijk is voor de emancipatie van het vrije gebruik van Ik in de Nederlandse poëzie. Dat is geen kleine verdienste. In deze wereld waar ontworteling en onechtheid de maat slaan, is Ik zeggen activistisch, een daad van verzet. Wie Ik zegt is er echt. Wie Ik zegt bekent kleur.’ Onzinnig. Die emancipatie begon in de vroege Romantiek en met zijn lijden aan het leven heeft Harmens zich in die traditie geplaatst. Bovendien is de ‘ik’ in zijn poëzie niet Harmens in de eerste persoon, maar een dichter-ik. Om een goed gedicht te maken moet Harmens de klei van zijn autobiografische werkelijkheid boetseren. Ook hier niets nieuws onder de zon, dus.

Zoals bekend is hij, zeker in zijn eerste bundels, de slamdichter bij uitstek: zijn gedichten kunnen een opzwepend ritme hebben, ze staan bol van energie:

nu moet ik terug naar m’n bloedjes
m’n bloedjes m’n bloedjes m’n bloedjes
en de holle rug van bimbo kat
railroad bum railroad bum
pikkieneessiemoraal hij meurt maar hij mag
en fokt me alleen als ik glimlach niet hinnik om een tot
bockworst vermalen grap

(uit ‘ik zie ons ook niet snel kruislings plassen’, Underperformer (2005))

Hij weet hoe hij zijn publiek aan het lachen moet maken: ‘liever jouw hand in m’n broek dan m’n eigen hand in m’n broek / liever mijn eigen hand in m’n broek dan géén hand in m’n broek’ , schrijft hij in ‘Redial’. Maar zijn humor heeft meestal iets ongemakkelijks. Hetzelfde gedicht eindigt met de regels: ‘áls ik val val ik goed zo met m’n tanden op de stoep / want anders kun je net zo goed op je poten blijven staan.’
Van poetry slammer wordt hij een dichter die je in de eerste plaats geconcentreerd moet lezen, met name in de bundel Open mond (2013): die gedichten zijn korter, inhoudelijk lastiger en vragen van een eventueel publiek daarom een andere aandacht dan zijn eerdere gedichten. Dat wil niet zeggen dat zijn slam poetry altijd even eenvoudig is, al zal het publiek daar vanwege de swing beslist niet mee zitten.

De invloed van Bukowski is onmiskenbaar (in een enkel vroeg gedicht ook qua vorm): het overleven in een barre wereld, dronkenschap, een ruig leven, vrouwen. Daar hoort een dit-is-niet-voor-watjes-humor bij: ‘ik vond je trouwjurk mooi maar ik had er een string / onder gedragen of gewoon lekker in je blote pruim’. Of: ‘ik krijg nog steeds niet echt een harde van je / maar ik doog je je mag blijven.’

Veel van zijn werk wordt gekenmerkt door in cynisme verpakte wanhoop, het besef aan geen enkele verwachting te kunnen voldoen, het leven in een onleefbare wereld en een soms wat puberale bravoure. Zie bijvoorbeeld het volgende gedicht uit Underperformer (p. 106):

als de zon voorspelbaar en al vaker gezien gaap ondergaat
en de plaat met vogelgeluiden wordt verruild voor the best of
kikkers en sprinkhanen

en jij met je knieën opgetrokken en je handen voor je gezicht
alsof je je jet met de schietstoel verlaten hebt zonder werkelijk
geldige reden
alsof je niet wil zien wat ik voor je heb meegenomen en ik heb
niets voor je meegenomen
je rammelt met een rammelaar
maar je hebt helemaal geen kinderen
en iedereen wil je toch alleen maar in je reet neuken
dus je krijgt ook helemaal geen kinderen

maar vaak slaap je ook niet
dan dool je als een opwindrobot door het huis
en stoot mijn whisky’s om

en altijd de twintig jaar op notenhout gerijpte
nooit de jameson

Je zou kunnen kiezen voor een schijnwereld door jezelf anders voor te doen dan je bent, maar dat lost niets op. In de eerste ‘Serial prayer’, een serie van vijf prozagedichten uit Gospels en psalmen (2008) schrijft hij:

‘vraag me niet wie ik ben want dan moet ik zeggen wie ik ben en dan zal ik zeggen ik ben die en die en dan zul je me glazig aankijken en dan zal ik verder uitweiden en meer informatie geven net zolang tot je het snapt en dan zul je weten wie ik ben en dan zul je wensen dat je het niet geweten had en je zult me vragend aankijken en ik zal mijn plicht doen en zeggen dat het een grote grap was en ik zal je een totaal ander verhaal vertellen van wie ik ben en wat ik doe en waar ik voor sta en waar ik in geloof en waar ik een afkeer van heb en nu zul je op je knieën klappen van plezier ( … )’

Deze keuze leidt vervolgens tot oppervlakkige, stomvervelende social talk waarin echt contact onderbreekt. Overtuigend vind ik dit gedicht overigens niet; ondanks de ironie zou je het kunnen zien als een demonstratie van slachtofferschap.

Zonder tekort te willen doen aan zijn eerdere bundels: Open mond vind ik het best. De thematiek verschilt weinig van zijn voorgaande bundels: de verwerking van een scheiding, die soms onherroepelijk lijkt en soms een sprankje hoop geeft op een hereniging. De vorm is echter soberder dan in voorgaande bundels, waardoor er meer spanning op de inhoud komt te staan. Indrukwekkend vind ik het gedicht met de beginregel ‘er ligt een enge man onder mijn bed’, waarin de dichter een tot mislukken gedoemde poging doet een existentiële angst te bezweren door te doen of er niets aan de hand is:

er ligt een enge man onder mijn bed
om ‘m niet uit te dagen doe ik of ik slaap

en of ik wakker word als de wekker gaat
sta op ga naar het park alsof er niks aan de hand is

als ik thuiskom maak ik de geluiden die ik normaal ook zou
maken
als ik al geluiden zou maken

dan doe ik of ik ga slapen en bonkt het in het donker in mijn
oren
even blink ik maar het blijft niet als een tl-balk die zakt in teer
licht ik op en dan al niet meer

Tot nu toe is het lijden aan het leven een constante in Harmens werk en in die zin is hij ‘echt’, zoals Tazelaar in zijn voorwoord opmerkt. De vorm verandert echter: van ‘meer van hetzelfde’ is geen sprake. Ik ben benieuwd naar zijn volgende bundel.

Geplaatst in Recensies.