Klaas Jager – Tussen hond en wolf

Droom van bloemrijke poëzie maar plant ze niet

door Eric van Loo

“In De wereld heeft geen overkant, Jagers vorige bundel, maakte het persoonlijke ‘ik’ al meer en meer plaats voor het onpersoonlijke ‘iemand’. In Tussen hond en wolf is de ‘ik’ van het toneel verdwenen en speelt nu iemand de hoofdrol”, aldus de flaptekst. Wie die iemand is laat zich raden. ‘Neem iemand / pluralis van niemand’, staat in het openingsgedicht van de eerste afdeling. Maar een paar gedichten verder lezen we: ‘neem iemand, pluralis van zoveelste sterveling’. Twee tegenstrijdige uitspraken, die in zichzelf ook paradoxaal zijn. Wiskundig gezien kan ik me bij ‘pluralis van niemand’ weinig voorstellen, twee keer nul blijft nul. En ook de ‘pluralis van zoveelste sterveling’ is lastig te duiden, aangezien ‘iemand’ in deze gelijknamige eerste afdeling toch heel erg één persoon van vlees en bloed lijkt te zijn. Met ‘iemand’ heeft de dichter het woord ‘ik’ vermeden, maar erg onpersoonlijk is dit personage niet. Het lijkt ook geenszins op de hoofdpersoon van het beroemde ‘Iemand stelt de vraag’ van Remco Campert, want in dat gedicht is ‘iemand’ telkens iemand anders, waardoor tenslotte een massa ‘iemanden’ in verzet komt. ‘Iemand’ heeft meer weg van het ‘men’ van Kouwenaar. In Tussen hond en wolf is ‘iemand’ bovenal een eenling, die worstelt met zijn relatie tot de wereld.

Is dit hoe het hoort te gaan

Is dit hoe het hoort te gaan, de zin
van het leven eerst een onderwerp
en dan een lijdend voorwerp geven

iemand denkt daar amper over na,
het bloed wordt anders dik en traag
dus weg met die filosofie, effen het pad,
zorg dat het vooral geen zijwegen heeft,
neem een eerlijk belegde boterham mee,

kom iemand tegen die luistert naar een naam,
wissel een woord of twee, maak een kwinkslag,
verdeel de tijd, glimlach wanneer het tegenzit,
pluk de dag zo lang de dood zijn roes uitslaapt,

onderhoud het huis dat geen escapades gedoogt,
verricht het werk dat een zekere toekomst biedt,
droom van bloemrijke poëzie maar plant ze niet.

Dit is een kenmerkend gedicht voor de bundel. Het niet al te originele spel met het dichterlijke ambacht in de eerste strofe, de innerlijke tweestrijd van de hoofdpersoon en de troost die in het eigen huis (een kernbegrip in de eerste afdeling) gevonden wordt. Opvallend is, dat ‘iemand’ hier in verschillende betekenissen gebruikt wordt. Eerst als de hoofdpersoon, die het een groot deel van de bundel is, maar in de derde strofe als de ander, die men kan tegenkomen.

De tweede afdeling, ‘Er is geen metafoor voor geluk’, heeft als opdracht ‘Voor mijn Lieveschatbewaarder’. Dit klinkt als een koosnaampje voor een geliefde, die in volgende gedichten aangesproken wordt als ‘Lieveliefste’, ‘Lievelieveling’, ‘Lievemijn’ of kortweg ‘liefste’. In het tweede gedicht blijkt al, dat de liefde geen lang leven is beschoren: ‘Lieveliefste, / het hart liep over // toen het erop aan kwam / bleek het niet diep genoeg’ (…) ‘je wist al van begin af aan dat de tijd die / voor ons lag slechts een voorwendsel was.’ In de eerste twee strofen voegt de dichter een mooie nieuwe interpretatie toe aan het cliché van ‘het hart dat overloopt’. De rest van het gedicht blijft, evenals de meeste gedichten, echter vrij verhalend van toon. In de tweede helft van de afdeling overheerst de rouw: ‘lieve muze, wie je ook bent, wijs / de weg die zijn volgeling kwijt is, / de toekomst ligt opgebroken, er / is vrijwel geen vooruitzicht meer’ en in een ander gedicht: ‘liefde zelf was een te groot begrip voor / het snoepje dat hem voor op de tong lag, // al gesmolten was voor jij er erg in had.’ Inherent aan de verhalende toon zijn de regelafbrekingen, die soms buitengewoon slordig zijn, zoals in de voorgaande fragmenten na ‘er’ en ‘voor’. De tweede afdeling ademt een sfeer van traditionele ik-jij gedichten. Toch duikt ook ‘iemand’ regelmatig op, in een vorm van afstandelijkheid die geforceerd aandoet. En wat het gebruik van de derde persoon enkelvoud betreft: deze is zo ver doorgevoerd, dat de dichter ook in de autobiografische noten aan het eind van de bundel over ‘hij’ spreekt.

De vorm van de gedichten is wisselend. Wel worden de meeste gedichten gekenmerkt door een min of meer regelmatige strofeopbouw, met vaste regellengte. Zo bestaan veel gedichten uit kwatrijnen of terzinen, soms met een losse regel als laatste strofe. Ook hanteert de dichter disticha of andere verslengtes, waarbij soms één of twee strofen afwijken qua lengte. Uit deze constatering blijkt ook al, dat de gedichten vrij lang zijn, twintig regels is geen uitzondering. Rijm is zeldzaam, maar wordt vooral in de derde afdeling wel vaker gehanteerd. Het is de vraag, of dit een bewuste keuze is, of dat het een ontwikkeling in zijn dichterschap weerspiegelt, gesteld dat de bundel een chronologische opbouw kent. Een opvallend stijlkenmerk in de bundel is tenslotte, dat in veel gedichten de titel in de laatste regel van het gedicht terugkomt.

In de laatste afdeling –‘Het andere gezicht’– slaat de dichter een geheel andere toon aan. Een aantal gedichten heeft een meer positieve, bijna mystieke sfeer: ‘zodat het misschien uit kan groeien / tot een opzichzelfstaand soevereine zin, // die spontaan een witregel laat inspringen, / klaar om in één adem te worden gedicht.’ De hoofdpersoon ‘iemand’ is veelal afwezig, vaak zijn de gedichten aansporingen of aanroepingen. De ondertitel van de afdeling luidt ‘Nis in het licht’. In het gedicht met de gelijknamige titel treffen we een confronterende waarheid aan: ‘niet beseffend dat zijn levenspad ook / zonder doel een eindbestemming heeft’. Eindelijk komen we ook de wolf tegen, zonder dat de titel van de bundel, Tussen hond en wolf, geheel helder wordt: ‘wees genadig voor het vlees, / spreek de waarheid niet tegen, / geef de wolf genoeg te eten, / zijn bloed behoeft het meest.’ De gedichten in deze afdeling zijn af en toe wat lyrischer, waarbij soms ook –zoals in het voorgaande fragment– (half)rijm optreedt. Maar naarmate het einde van de bundel nadert, nadert ook dat andere einde, en lijkt de dichter zich verontrustend genoeg al vrijwel uit de bundel te schrijven, wanneer ‘de dag van morgen op niemand is berekend’.

Wat kan hier nog gebeuren

Wat kan hier nog gebeuren
zodanig dat iedereen ervan opkijkt
behalve degene die het aankomen zag
bijna alsof hij de aanstichter was

van zoiets als ongrijpbare dreiging
zonder dat het tot uitbarsting komt
hoogstens een lichte paniekaanval
wat kreupel gekeuvel bij een beklemmend beeld

een willekeurig tafereel op een willekeurige plaats
een willekeurige tekst oplepelende levende
over een willekeurig nietszeggende dode

terwijl de kijker er ijskoud mee instemt
het tijdstip er geen seconde om stilstaat
de nacht het donker in zijn slaap vergeet.

***

Klaas Jager debuteerde met de bundel Windwakken in de tijd (2001), gevolgd door Klipgeiten (2004) enDe wereld heeft geen overkant (2008). Laatstgenoemde bundel werd door Joop Leibbrand besproken in Meander onder de omineuze titel ‘Iemand zijn’.

Geplaatst in Recensies.