Gedichten

Ik ben niet gek, ik ben een zeester – I

Elke morgen in bed speel ik zeesterretje
Vreemd hoe ik telkens weer verbaasd ben
dat ik daarbij niemand weet te raken.

Ooit vertelde een man dat je zeesterren niet moet
oppakken, omdat hun benen kunnen breken.
Alles wat je te zien krijgt als het eb is,
is kwetsbaar. Mensen kun je daarom ook beter laten
liggen. Alleen kijken, met je handen op de rug en soms
je blik laten rusten op iets
wat groeit en een vorm aanneemt die precies zou kunnen
passen. Mensen proberen elkaar aan te trekken

als veel te krappe winterjassen, zelfs als de naden scheuren,
hebben ze nog hoop. Ik ken een man die nergens meer voor
vecht. Hij dobbert willoos in een stuurloos bootje en stoot zich
soms aan dezelfde steen. Hij was voor mij een rots, er lag
een rode zeester op. De mooiste die ik ooit. Tegen alle omen in
heb ik hem opgepakt. Hij brak meteen een been.

En wat nou als de wereld weer plat was

Zwijgen is moeilijker dan je mond houden bleek toen
we de pornoblaadjes van onze broer verraden hadden.

Mijn moeder stond bij de keukendeur, rookte een sigaret met mentholsmaak en scheurde
de vrouwen stuk voor stuk kapot. Toen niemand mij vroeg te zwijgen, heb ik niet verteld
hoe hij de nacht om zeep huilde. Wachten op wraak is moeilijker
dan erop te anticiperen. De deurklink heb ik ingesmeerd met honing en de blaadjes
van mijn vader heb ik onder het kussen van mijn broer geschoven.

Morgen komt oma. Zij zal opnieuw vertellen over hoe zwaar het is om te ademen
als iemand naast je buiten adem is. Mijn handen zullen als plakken kaas over mijn oren
vallen, mijn broers zullen oplichten in het donker en mijn vader zal vol overgave zijn iPhone
likken. Mijn moeder zal haar handen wrijven, tien keer aan de theedoek per gewassen keer, en
later gaat ze verder met scheuren van beelden die in haar ogen niet kloppen.

Ik kan haar nog steeds niet vertellen dat niets klopt, voor niemand niet, zolang harten kloppen
en mensen zich aan elkaar snijden, bloedt alleen een vinger, klopt het tot genezing volgt.

Kijken naar een mierenhoop

Dat je jezelf geen tijd gunt
om te eten, zeg je. Dat je van het zonlicht leeft
dat tussen de stoeptegels woekert.
Samen buigen wij voorover door de knieën
en je wijst mij het universum in een mierenhoop.
De bleekwitte eitjes verplaats je aandachtig en je biecht
op dat je graag Napoleon of Stalin, maar dan in je eigen leven.

Ook mijn vader dronk, maar ik verzoop
daar niet in. Ik zwom mee in zijn glas en spartelde
tussen zijn geelbruine tanden, rukte hem af en toe een kies
uit. Jij liet je bijten. Soms zag ik resten blauwe spijkerbroek
tussen zijn ongefloste tanden steken. Ik wijs naar een mier: (dik
en vadsig) net een pappamier, zeg ik. Nog nooit zag ik je

zo hard stampen.

Toen ze er al waren, riep je
(met je armen strak om jezelf heen gevouwen),
dat mieren net mensen. Dat ze alleen
veel beter gehoorzamen. En dat ze nooit de weg kwijt zijn.

Geplaatst in Geen categorie.