Tomas Lieske – Daedalea

De apotheose van gestrande mythen

door Levity Peters

Daedalea van Tomas Lieske is zonder twijfel de meest eigenzinnige en de meest fascinerende bundel poëzie van het afgelopen jaar. Dat durf ik zonder enige terughoudendheid te beweren: ik heb ervaren hoe ik steeds dieper het door Lieske opgeroepen labyrint werd binnengelokt, om daar voorlopig nog niet uit te kunnen komen. Wat geen straf is, integendeel: het is een rijkdom.

De titel had mij kunnen waarschuwen: Daedalea is de naam van de doolhofzwam die leeft op dood eikenhout, en verwijst naar Daedalus, de uit Athene afkomstige vader van Icarus; een vermaard uitvinder, (hij vond de passer uit en de zaag), die, omdat hij vanzelfsprekend het geheim ervan kende, samen met zijn zoon door koning Minos was opgesloten in het door hem gebouwde labyrint. Omdat Kreta een eiland is, leek ontsnappen onmogelijk, totdat Daedalus voor zijn zoon en zichzelf met was en veren gigantische vleugels bouwde, om daarmee de oversteek naar Athene te wagen. Icarus, die het advies van zijn vader om niet te laag te vliegen, maar zeker ook niet te hoog, sloeg de wijze raad van zijn vader om de gulden middenweg te bevliegen in de wind, werd een hoogvlieger en – enfin. Dat gedeelte van het verhaal ken je vast wel: de was smolt, zijn vleugels vielen uiteen, Icarus stortte in de Egeïsche zee en verdronk.

We krijgen van Lieske in zijn bundel een kleine rondleiding door de Europese cultuur. Niet alleen via een stukje Grieks/Romeinse mythe, maar ook via de Joods Christelijke mythologie, die in 1976 heel erg dichtbij kwam: toen werd de mummie van Ramses de tweede met alle egards die een staatshoofd ten deel mogen vallen in Parijs ontvangen.

Er wordt met een grote mate van zekerheid aangenomen dat dit de farao was aan wie het Joodse volk ontsnapt zou zijn op zijn tocht door de Rode zee. Sommige Egyptologen gaan ervan uit dat de vreemde stand van de linkerhand van de mummie zou kunnen wijzen op een verdrinkingsdood. ‘Daedalea biennis fries’ is de naam van het micro-organisme dat de mummie van de farao aantastte:

Imker Graat (..) hoe fris smakelijk ziet hij eruit als champignons die met laurierblad en schaafsel van zomertruffel bereid kunnen worden. Net als onze Keto: kunstzinnig gevleugeld, Daedalea. Maar hij dreigt, zo’n 3200 jaar na de gebeurtenissen in ons verhaal, het mummielichaam van Ramses II alsnog te verwoesten. (..)

Franse wetenschappers (en uiteindelijk ook Spaanse) zouden er alles aan doen om de Daedalea biennis fries onschadelijk te maken.

Hiermee zitten we in het hart van Lieskes poëtische vertelling. We zijn getuige van een theatervoorstelling, waarin, als bij het Griekse drama, het koor de handelingen omschrijft. Het koor bestaat uit acht ‘klonkies’: kleurlingen. Het stemmenspel begint zo:

Klonkie 1 Keto Stiefcommando, onze keto Stiefcommando, onze eigen Jean sans Peur, onze sjamaan, een jaar geleden met kariebier en glorie en ketelmuziek gewiegd, gekelderd en begraven, is teruggekeerd. Van het dooienveld teruggekeerd.

Klonkie 8 Wie was Keto Stiefcommando? Voor ons, acht mooie Afrikanen van de Rue du Faubourg Saint-Denis, was dat duidelijk, maar de witmense en Aziaten in onze straat hebben nooit begrepen hoe belangrijk Keto Stiefcommando voor ons was. Zonder Keto Stiefcommando hadden wij die aapstuipe gekregen. Wij hadden gekankerd en geklaagd over de vele boorkevers in ons leven en nooit hadden wij gelachen en nachtvlindermuziek gemaakt en onze gezichten vertrokken tot faraosmoel en Mosjegrimas. Zonder Keto Stiefcommando waren we nooit aan dit stemmenspel begonnen.

Zo is er direct aan het begin een nog veel bekendere mythe het stemmenspel binnengeslopen: die van Jezus en zijn opstanding uit de dood; iemand die, zoals Mozes het Joodse volk uit de macht van de Egyptenaren bevrijdde, de hele wereld naar verlossing zou leiden, als zij maar in hem wilde geloven, en in de weg die hij wees. (De christenen onder ons moeten mij vergeven dat ik het over een mythe heb: de bijbel is nooit bedoeld als een natuurkundeboek, waarin over stoffelijke waarheden geschreven is. Het is een wijsheidsboek waarin aan een geestelijke werkelijkheid wordt geraakt, en waarin de mens de weg terug wordt gewezen naar zijn bron: de oorsprong en bestemming van het leven.)

Klonkie 7
Koester nooit, geliefde, het idee dat alles
toch hetzelfde blijft, dat geen verbetering mogelijk is.
Je kunt van de dood genezen. Geloof het wonder.
‘Dood is dood’ riep hij, ‘ik ben daartegen.’

Een dode die wederkeert, wordt vroeg of laat aanbeden.
Twee kinderen die nog wisten van zijn schitterogen,
hebben hem unverfroren bij de hand genomen,
een oude vrouw stond op de drempel toe te kijken.

Of hij ook de andere doden had herkend?
En was het waar, dat van die hellehond,
die zo sarcastisch in je gebroken ogen keek,
dat je ijskoud wist: nooit meer in leven terug.

Er werd een feestelijk lam gevangen en geslacht,
maar daar kwam de vroegere dode niet op af.
Hij rusttte uit, hij was teneergedaald vanuit het graf,
hij had een helse tijd achter de rug.

Klonkie 8 En tijdens het eten van het lam werd besloten dit spel, deze taferelen ter ere van de teruggekeerde, op te voeren. Het zou hem deugd doen: zijn eigen spel, zijn eigen taferelen, zijn regie.
Het onderwerp is Mosje die het grote volk verschoppelingen bevrijdt en meevoert naar het beloofde land.

Imker Graat neemt het woord. Hij noemt zich de verteller (in het Griekse drama de coryfee) : ‘Ek is de gomhars van de verschillende taferelen.’ Hij legt uit wie Mosje is: een Afrikaan die op blote voeten en in een jasjurk vier manshoge balen oud papier heen en weer sleept over de boulevard, om ze te bevochtigen en telkens opnieuw in zwart plastic te verpakken. Zo worden we het verhaal binnengeleid waarin verschoppelingen, hoeren, pooiers, werksters de hoofdrol spelen in dit ‘stemmenspel’ genoemde drama dat misschien wel in werkelijkheid werd opgevoerd op een op de Seine drijvend schip.

Dat spel tussen fantasie en werkelijkheid wordt door Lieske zo geraffineerd opgevoerd, dat je aandacht gespannen blijft; fantasie en werkelijkheid lopen naadloos in elkaar over, mythische werkelijkheid en Lieskeiaanse fantasie, en dat allemaal gegrond in een zeer stoffelijk Parijs. Ik heb bij mijzelf de neiging moeten onderdrukken om alles wat ik (nog) niet ijken kon op zijn merites te onderzoeken.

Het duurt even voordat je vertrouwd bent met de klonkies van wie er enkelen een naam dragen: Damn Good Memorie, de assistent van Imker Graat die over hem beweert: ‘(..) Wat hij zegt is vaak pruilerige beterweet. Hij is van professie amandelolieverkoper en hij doet aan kwakzalverij. Mannenhaar in azijn geneest hondenbeten; boter met loodwit tegen uitslag op het gezicht; dat soort.(..)’. Verder zijn daar Sua Vecito, de vriendin van Mosje en dochter van de farao; Merci Merci, een dienstmeisje, dat in gesprek met Arabia Felix zegt: ‘(..) Wij hoeren willen ook wel klaarkomen met iets hogers, maar zoals wij onder elkaar zeggen: je hep liefhebbers van Spijkermans met z’n kruis en je hebt er die daar nooit niet aan geloven. Hoezo, vaag idee van een goddelijk bestaan? Echt wel. De liefde is klaar, de pensen zijn gekookt (..)’. En ‘(..) Hercuul Mijn naam is Herkuul. En noem mij geen ‘neger’ man. Zijn je hersens soms op rantsoenbon met je ‘neger’? Ik kom uit Mali; ik ben Malinees. (..)’. Zij zijn stuk voor stuk leden van het uitverkoren volk.

Damn Good Memory Deze hele swettersjoel van armoe en ellende staat zich te vergapen aan Mosje die verleidelijk met een bloedworst zwaait. Een volk dat de Parijse Egyptenaren viltlaarsdiensten moet verlenen, bij wie de basaltgrijze ziel wordt uitgetrokken door politie en door uitbuiters. Dat geminacht wordt, maar in feite onmisbaar is. Een volk dat vele geledingen kent.

Een volk dat feitelijk geen vrijheid kent, horig is gemaakt aan de luxebehoeften en veiligheidseisen van de burgerij. Dat moet vroeg of laat fout lopen. De farao zetelt in het Elysée, en verbiedt het volk voor drie dagen de woestijn door te trekken. Waarop Mosje dreigt met wat in de Bijbel ‘plagen’ worden genoemd. (..) Klonkie 8 Beseft u dat dit een terroristische dreiging inhoudt? Mosje Vindt u?

Onze gemummificeerde cultuur wordt van binnenuit aangetast, en moet wel ten gronde gaan. Een cultuur van bezitters, waarin alleen diegenen meetellen die zich ten koste van anderen hebben verrijkt en kunnen blijven verrijken. Een cultuur die niet om zwakkeren maalt. Die onverschilligheid zal haar de das omdoen. Ze zal aan haar eigen onmenselijkheid bezwijken. De massa van verschoppelingen morrelt al aan de macht – dat lijkt de boodschap te zijn die Lieske in zijn Daedalea uitdraagt.

Is het wel poëzie? Is dat belangrijk? Poëtisch proza is veel zeldzamer dan poëzie. Eerder verscheen er een een vroegere versie van Daedalea in De Gids; Lieske heeft misschien wel jaren aan deze bundel gewerkt – De uittocht, de doortocht door de zee wordt meeslepend beschreven. Lieske is een zeer goede schrijver. Hij maakt er een belevenis van waarin, in tegenstelling tot in het Bijbelverhaal, persoonlijke lotgevallen worden getekend. Dat lijkt mij een belangrijke aanvulling op de mythen zoals die ons zijn overgeleverd: ze worden invoelbaar. Het lot van de persoon doet ertoe, niet alleen van de geschiedenis waarin elk individu vroeg of laat ten onder gaat.

Tot slot rest nog het bal van de clochards:

Klonkie 4 Boven ons zweeft de kraai die luidkeels de naam van ons schip uitroept; ia-arc, ia-arc. Een vrouw wordt door twee mannen tegelijk rondgezwierd. Haar benen zijn verbonden met vuile lappen, maar haar glimlach verraadt dat ze zich hier intens gelukkig voelt. Sommige stellen schuifelen dicht tegen elkaar gedrukt rond. Anderen draaien met een onverwachte energie. Een spastische jongen is uit zijn rolstoel geklommen en maakt onbegrijpelijke geluiden en gebaren. Een vrouw leidt hem van de rand van het water weg en brengt hem al dansend naar het midden.

Betrokkenheid bij elkaar. Daar lijkt het Lieske om te gaan. De manier waarop hij er aanlandt is indrukwekkend: het is zijn persoonlijke betrokkenheid bij de onderklasse die dit stemmenspel heeft gevoed en het tot een kunstwerk maakte.

Geplaatst in Recensies.