Serge Delaive – Meridianen van de doling

De spinnende schrijver (over de poëzie van Serge Delaive)

door Ivan Sacharov

Taal is een web en een schrijver is een spin, die vliegen probeert te vangen. Die vliegen zijn wij, de lezers, die – als het een goed web is – blijven kleven aan de woorden, die de spinnende schrijver voor ons heeft gesponnen tot een verhaal of tot een gedicht. Zijn schrijvers immuun voor hun eigen web? Het zou kunnen, maar ik denk het niet. Een schrijver kan ook blijven kleven aan zijn eigen web. Laat ik een voorbeeld geven. Een collega-recensent beweerde nog niet zo erg lang geleden in een bespreking van Tonnus Oosterhoffs nieuwste bundel het volgende:

‘Een heldere tekst, wat echter niet altijd het geval is. Neem nu: ‘Ik uitdreig verschrikvolkelijke globomspannende vloekjulienne, / geen beveiliger die me nog beveiligen wil, / ja, nee, geen hond of roofpanserdier, geen wezenheid klein of groot / niet, nee, met tallozen nog niet voor geen goud.(…)’.
Verrukkelijke regels, al kan ik er geen touw aan vastknopen. Dat hoeft gelukkig ook niet, klank en dwaasheid kunnen soms meer raken dan betekenis en diepgang; een van de charmes van de dichtkunst.’

Geen touw aan vastknopen? Dwaasheid? Dat ben ik niet helemaal met mijn collega eens. Met dat ‘uitdreig’ (wat een soort anglicisme is, vgl. ‘outrun’ ) en ‘geen beveiliger die me nog beveiligen wil’ is er wel degelijk een touw aan deze regels vast te knopen. Ze hebben een vrij hoog (anti) Geert Wilders gehalte.
Maar wat ik zeggen wilde: Tonnus Oosterhoff lijkt mij bij uitstek een schrijver die aanleg heeft om in zijn eigen web te blijven hangen. Zijn ongewone taalgebruik is persoonlijk en zeer herkenbaar, maar loopt door de opvallendheid ervan ook sneller gevaar vervelend en irritant te worden. Brood heeft niet zo’n sterke smaak: het is iets gewoons, we eten het elke dag. Maar we kunnen het op den duur beter verdragen dan iets wat een sterke smaak heeft, zoals kaviaar. Werkt het ook niet zo met taal? Een woord als ‘globomspannende’ associeert met ‘globalisering’ en ‘bom’, maar doet intussen ook al denken aan eerdere versprekingen (verspellingen) die de dichter met zijn ‘hersenmutor’ maakte. En omkeringen als: ‘We zitten aan ons steeltje vast, we zitten vast aan ons steeltje’ (uit WARE GROOTTE) en bijvoorbeeld die in het gedicht ‘Transport’ (uit LEEGTE LACHT) geven mij als lezer een gevoel van herhaling. Alsof er een soort taaltrukendoos bestaat, waarvan de dichter gebruik maakt wanneer hem dit zo uitkomt.
Niet dat ik wil zeggen dat Tonnus Oosterhoff niet goed schrijft. Dáárover gaat dit niet. Maar hij is een voorganger van een trend waarin taalgebruik dreigt door te schieten van kunst naar gekunsteldheid. Het omgekeerde van wat Martinus Nijhoff in zijn tijd voorstond, die een meer natuurlijk taalgebruik nastreefde. Nijhoff wordt nog steeds gelezen. Hoe zal dat met Tonnus Oosterhoff over 100 jaar zijn? Nog steeds 14 lezers? Toegegeven: het lijkt vandaag de dag moeilijk om origineel te zijn zonder de ‘gewone’ taal geweld aan te doen. Helder schrijven over moeilijke onderwerpen is een beetje ‘uit’, en moeilijk schrijven over alledaagse onderwerpen ‘in’. Maar dat kan natuurlijk niet zonder consequenties blijven. Wanneer we er als lezer na een tijd puzzelen eindelijk achter zijn wat er zou kunnen staan (niemand behalve – waarschijnlijk – de schrijver zelf weet wat er wordt bedoeld) valt dat qua betekenis niet zelden tegen. En om nou na elke ‘aha-erlebnis’ de oneliner ‘is that all there is?’ weer van stal te moeten halen… Nou ja, gelukkig valt het ook weleens mee.

Waar wil ik naartoe? Misschien naar een nieuwe tweedeling. En nu eens niet tussen ‘modern en ouderwets’, of ‘vorm en vent’ en zelfs niet tussen ‘goed en slecht’, maar tussen dichters met een korte golflengte, en dichters met een lange. Tonnus Oosterhoff reken ik tot de dichters met een korte golflengte. De dichter wiens bundel ik in deze recensie (is het nog wel een recensie?) wil bespreken reken ik tot de dichters met een lange golflengte: Serge Delaive.
Serge Delaive is, zoals de achterflap van zijn nieuwe bundel Meridianen van de doling vermeldt, een Luiks dichter, romancier en fotograaf. Hij publiceerde tot op heden meer dan twintig werken in alle literaire genres, waaronder 4 romans en 13 dichtbundels. Zijn nieuwe roman Nocéan, poëtisch mozaïek van een onmogelijke liefde, verscheen in 2016 bij de Brusselse uitgeverij Maelström.
Normaal gesproken sla ik de info op de achterflap van een bundel liefst zo snel mogelijk over (ik wil me door die verkooppraatjes niks laten wijsmaken). De geïnteresseerde lezer kan het trouwens zelf allemaal terugvinden: ook in deze bundel, die ‘een onbestendige cartografie, een neerslag van een jaar uit een dichterleven’ wil zijn, zoals de achterflap verder vertelt. Maar nu maak ik een uitzondering omdat eruit blijkt dat Delaive ook (en misschien zelfs in de eerste plaats) een romancier is, en dus niet alleen ervaring heeft met poëzie. Aha, hoor ik iemand denken: dus die tweedeling van een korte en een lange golflengte is op niets anders gebaseerd dan de oude controverse tussen poëzie en proza!
Ja, zou kunnen. Maar toch niet helemaal. Ik kom hier later op terug. Eerst een voorbeeld van een gedicht van Delaive:

Onze schaduw

 

De lage zon zweeft op onze schouders
aan het eind van een leeg strand zeg je ‘kom’
en neem je mijn hand tussen je vingers
we zien onze lange schaduw snellen en
zweten hij holt voor het volle licht uit
wanneer we buiten adem neerstorten
in de rollende neergestorte golven
in het tegenlicht strooit je gebalde vuist het zand uit
de korrels stromen tussen je zandlopervingers
je zegt ‘haast je weldra is de tijd
over onze gestorven schaduw gerold
en vergat je alweer van mijn ontwrichte
in profiel gelegde lijf te genieten’
terwijl je praat blinken mijn ogen
ik luister en trek aan de draad die leidt
naar je zo ongehoorzame vliegerende lijf.

(51°51’39’’N, 4°03’25”E)

Onder elk gedicht in de bundel staan de coördinaten waar het tot stand kwam (in dit geval dus ergens in Engeland). Maar dit is geen absoluut gegeven (verzekert ons het voorwoord), want er worden ook plaatsen beschreven waar Delaive alleen in zijn verbeelding is geweest (niets bijzonders bij een doling, denk ik).

Het gedicht zelf behoeft niet veel uitleg. Een eigenschap van dichters die met een lange golflengte dichten: je denkt vaak dat je ze bij eerste lezing al begrijpt. Maar dit terzijde. Ik haal dit gedicht (in de vertaling van Katelijne De Vuyst, zoals alle gedichten van de bundel) niet alleen aan als een voorbeeld van de stijl van Delaive, maar ook om de term ‘zandlopervingers’. Net als ‘verschrikvolkelijke’ of ‘globomspannende’ ook een onbestaand woord. Maar wat een verschil! Men zou er haast overheen lezen, zo natuurlijk als dit woord komt aanwaaien. De oorzaak is – meer dan waarschijnlijk – te danken aan het feit dat het ‘onbestaande’ woord van Delaive (of zijn vertaler) simpelweg is samengesteld uit twee al bestaande woorden, terwijl bij Tonnus Oosterhoff de ‘onbestaande’ woorden een ingewikkelder indruk maken. Oosterhoff gebruikt een ander soort taal, die om meer aandacht vraagt. Een taal die we langzamer en preciezer moeten lezen dan we normaliter gewend zijn. Alsof de contouren van zijn poëzie, die zich zeer scherp aftekenen, vooral bepaald worden door kleine details (op letterniveau).
Hoe anders is dat bij Serge Delaive! Romanschrijver van nature, kunnen zijn contouren nooit haarscherp zijn. Zijn poëzie moet stromen: ‘bewegen om stil te staan’, zoals hij het zelf zegt. Geheel in lijn daarmee gebruikt hij ook zo weinig mogelijk leestekens. Die zouden de lezer immers alleen maar ophouden. Ja, zijn lezers mogen eigenlijk nooit stilstaan, want dat zou hetzelfde effect opleveren als het stilzetten van een film: een onscherp beeld; een beeld dat minder nauwkeurig, en met een grovere golflengte tot stand lijkt gekomen.
Een tamelijk paradoxaal plaatje, wat deze vergelijking oplevert: Delaive, die naast zijn literaire bezigheden ook nog actief is als fotograaf, lijkt in zijn taalgebruik op een filmmaker; en Tonnus Oosterhoff, die op het computerscherm ‘woorden liet bewegen’, blijkt in zijn poëzie toch meer overeenkomst te vertonen met een fotograaf…

Nogmaals: het gaat hier niet om een waardeoordeel. Enkel om een verschil met consequenties voor de inhoud van een tekst, die er nog altijd óók moet zijn (al willen enkele lieden dat ontkennen). Sommige zaken laten zich nu eenmaal beter afbakenen dan andere. Ik citeer nog één gedicht van Delaive om e.e.a. toe te lichten:

Episch

 

De blinde Homerus had alles gezien
de bard dichtte in een taal
allegorische bron van de gulden
keten die geen einde kent
wat miljarden mensen als Odysseus
moeten verdragen tijdens hun arme
en verheven schier dagelijkse epen
initiële maar al met al niet zo
romaneske avonturen van ons leren
wij die onze penelope’s moe zijn
gebruiken de uitvlucht van de zee
en zeilen op haar omschrijvend schuim
om zeven jaar bij kalypso’s te schuilen
bij kirke’s rijk aan toverlisten
bij nausikaä’s ontzet door onze wanstaltigheid
of sirenen die onze zinnenlust kastijden
voor we beduusd in de spinnenarmen belanden
op het eiland van een gestage weefster
die ons vergeeft en opneemt
in de stugge stof van haar weefsel
tenzij een onderschepte sms of mail
ons wegstuurt eenzaam en verlaten
smachtend naar ongewisse afrodite’s
op amper mythologische kusten.

(36°44’57”N, 24°25’13”E)

Dit is het gedicht van een doler. Delaive identificeert zich met Odysseus, die andere doler, die zo lang van huis zich door geen enkel ding liet tegenhouden om toch weer thuis te komen. En dit brengt me op de lange en korte golven terug: van lange golven is bekend dat ze zich niet door obstakels laten tegenhouden. Ze buigen overal omheen. Een goed voorbeeld zijn geluidsgolven die achter een gebouw of muur toch nog te horen zijn. Geluidsgolven zijn veel langer dan lichtgolven. Een muur maakt een duidelijke schaduw en houdt licht tegen, maar geluid meestal niet. En zo is het ook met de dichter-doler Delaive: obstakels houden hem niet tegen. Precies waarom hij ook altijd een doler zal zijn! Zijn vele vrouwen kunnen hem niet blijvend vasthouden, want het zit in zijn natuur, en in die van zijn gedichten, om te bewegen, te reizen.
Vanzelfsprekend zijn mensen geen golven, maar er is iets in hun manier van benaderen van dingen, in de manier waarop hun aandacht werkt, dat golfeigenschappen lijkt te hebben.
En met diezelfde aandacht worden gedichten geschreven, die met een korte golf-, of met een lange golf-aandacht geconcipieerd lijken te zijn. Niet zo zwart-wit natuurlijk, maar met de klemtoon op één van beide. En in dit verband durf ik te beweren dat Tonnus Oosterhoff van nature géén doler of reiziger is. Wat toevallig door zijn poëzie bevestigd wordt, want hij blijft al schrijvend vaak ‘dichter’ bij zichzelf (zijn huis, zijn lichaam).

Blijft over het geheim van Penelope. De enige vrouw die de doler Odysseus echt aan de haak heeft weten te slaan (en die dus in zekere zin als een onneembaar obstakel is op te vatten). Delaive heeft het in zijn gedicht over ‘de stugge stof van haar weefsel’ (karakteristiek voor hem: dolers waarderen het niet als de stof te stug is, waarin ze worden opgenomen). Stugge weefsels zijn niet soepel, ze hebben iets weerbarstigs. Net als weerbarstige taal. Taal, zoals die wordt geschreven door Tonnus Oosterhoff en enkele andere (spinnende) dichters, die een ‘dolende lezer’ willen vasthouden. Maar er moet een evenwicht zijn. Een goed gedicht is geen glijbaan, en ook geen puzzel (want anders is er zelfs geen sms of mail meer nodig om onze aandacht weg te sturen). Kunst: was dat niet iets wat onze dolende aandacht vasthoudt?

Ik kijk naar de foto op het omslag van Meridianen van de doling. Een foto die door Serge Delaive zelf gemaakt is. Hij is erop te zien, of liever: zijn schaduw is erop te zien, vermoedelijk terwijl hij een camera vasthoudt. Maar het beeld is niet helemaal scherp. Wazige contouren laten het nodige te wensen over en doen vermoeden, vermoeden wat zijn poëzie me ook vermoeden deed: dat er een hand is die dit deed, dit maakte, en me mee laat tasten in het schemerduister dat geen obstakel kent.

Geplaatst in Recensies.