Marije Langelaar – Vonkt

‘Want wat is de echte wereld?’

door Eric van Loo

Het is niet makkelijk om gedichten te lezen wanneer de buurvrouw twee tuinen verderop een verhaal afsteekt over een uitschuifbare tuintafel en daar meer woorden voor nodig heeft dan ik voor deze recensie. En zo toegankelijk is Vonkt nu ook weer niet. Daarom was ik erg blij met het volgende gedicht:

En ze vroegen me terug voor dat radioprogramma
ik weet nog steeds niet waarom
want ik had vooral gezwegen
maar de presentator benadrukte dat men daar
nood aan heeft vandaag de dag.
Dus zat ik daar weer achter een microfoon
en zweeg
en ontkrachtte vervolgens alle fenomenen, ideeën,
gestalten, dingen en wezens. En mijzelf natuurlijk
en de presentator die zenuwachtig aan zijn snor ging
wrijven. Dat ging me goed af. Ik had mijn talent ontdekt.
En vanuit het niets vertelde ik over het vonkje, klein
en zoemend waardoor ik voorzichtig weer in de
wereld, getallen, fenomenen, planeten, materialen
en mensen ging geloven. Er zit een vonk in u.
Jazeker vonk in u. Want die vonk is in mij, ik weet
verder niets mijn denkkracht is nihil, geen zicht,
geen gehoor, ik zwem in het niets maar ik weet
er is een vonk in deze tafel, deze lamp en in u beste
luisteraar.
Ik was dusdanig op dreef dat mijn woorden vlam vatten.
(…)

Rijm: check. Metrum: check. Vaste vorm: check. Beeldspraak: check. En toch is dit onvervalste poëzie. We worden een ongekende wereld ingezogen, die tegelijkertijd commentaar levert op de wereld die we kennen. De dichter heeft veel woorden nodig om de kracht van het zwijgen voelbaar te maken. Maar in r.7 vallen vorm en inhoud opeens volledig samen: ‘en zweeg’. In het alledaagse lawaai van standpunten en analyses wordt het zwijgen van de ‘ik’ als veelbetekenend opgevat. Het maakt de gladde presentator onzeker. Wolven willen graag dat je meehuilt, of juist er tegenin gaat, want ook dan speel je het spel mee.
Veel gedichten in Vonkt zijn langer dan één pagina. Ook bovengenoemd gedicht, ‘Vonk’, gaat nog een tijdje door. Hoe babbelig het gedicht ook overkomt, bij nadere beschouwing is veel aandacht besteed aan exacte woordkeus. Vergelijk bijvoorbeeld eens de twee opsommingen, waarbij alleen het woordje ‘fenomenen’ in beide voorkomt, maar ook mooie parallellen aanwezig zijn: dingen/materialen, wezens/mensen. In het gezelschap in de studio ligt voor de hand te zeggen, dat de vonk aan tafel zit, maar de dichter gaat een stap verder: ‘er is een vonk in deze tafel’. Die lamp daarna is weer hilarisch, want dat er een vonk in de lamp zit is logisch, een lamp die geen licht geeft is geen beste lamp.
Gesterkt door deze lezing herlas ik op een rustiger avond de eerste van de drie afdelingen: ‘Een afgrond omsingelen’. Het eerste gedicht opent absurdistisch: ‘Ik werd wakker dat jaar aan het strand / mijn vogellichaam / sterk vermagerd. // Ik schrok van mijn vriend die naast mij lag. / Volledig van zand. / Begon hem zachtjes te graven.’ De relatie met deze vriend lijkt het thema van deze eerste afdeling te zijn, ‘een verontrustend verslag van een persoonlijke strijd’, aldus de achterflap. Langelaar schotelt ons geen zure anekdotes voor, maar sprankelende, uit de hand lopende improvisaties . ‘Wat was het precies dat er brak? / Brak het of sleet het? / Ging het geleidelijk aan? / Sloop op de tenen de kracht weg? / Trok kauwgom ongelijk het?’ De agrammaticale formuleringen geven het gedicht iets spontaans, doorbreken de op de loer liggende clichés. En dan eindigt het gedicht dubbelzinnig: ‘Wordt dat wat scheef weer recht echt?’, waarbij het laatste woord een schurend binnenrijm geeft, maar ook betekenissen openhoudt richting ‘werkelijk’ en ‘huwelijk’. Vooral bij het twee pagina’s lange gedicht ‘Put’ kwam bij mij het beeld van een echtscheiding of verbroken relatie naar boven. Bij Langelaar geldt nadrukkelijk: vorm = inhoud. De gebeurtenissen zijn niet logisch, dus het gedicht ook niet. De werkelijkheid is niet mooi, dus het gedicht streeft ook geen schoonheid na. ‘Ik had niet veel meer op dat moment – een / vloerkleed 100% wol rechtstreeks geïmporteerd uit / Pakistan, een stapeltje boeken en cd’s waar ik / allang op was uitgekeken / bovendien een kwade echtgenoot die er niet over / dacht om mij te vergeven’. In dit laatste gedicht uit de eerste afdeling wordt letterlijk de bodem van de put bereikt. Maar net zoals in het hierboven geciteerde ‘Vonk’ vanuit stilzwijgen beweging en inspiratie ontstaan, zo herbergt ‘de donkere vochtige bodem’ van de put ook een keerpunt.

De tweede afdeling, ‘Een slag op de trom’ bevat een aantal langere, meer verhalende gedichten. De soms bizarre vertellingen worden onderbroken door abrupte stijlbreuken en terzijdes. ‘Aha denkt u weer zo’n sprookje waarin de dieren / met elkaar praten, / maar nee enkel de kat in de tuin en ik.’ En even later: ‘Nee er was geen tijd voor verbazing in de echte / wereld, want wat is de echte wereld, ben je toch / ook niet verbaasd dat er horloges tegen je praten?’
Op een geheel andere manier komt het verschil tussen twee werelden terug in het gedicht ‘Stad’, waarin het lyrisch ik ‘al een paar slordige maanden’ tussen twee steden in ligt. ‘De verleiding was groot voor de stad van het Noorden te kiezen. / Hoge bergtoppen! Wilde dieren! Krolse mannen in het licht van / tl, damspel, vrijen om de haverklap, tomeloos plezier, versnelde / hartslag, aderlatingen, aflaathandel, roemloos ten onder.’ Hoewel even later ook reclameborden en haarlak passeren, geven genoemde aderlatingen en aflaathandel het gedicht de sfeer van een middeleeuwse vertelling. Tegenover de vleselijke verleidingen uit het Noorden staat de meer esoterische aantrekkingskracht van de stad van het Zuiden ‘Waar de lakens langzaam wapperden, ijle lucht opsteeg van de / kelders, pruttelende kruiden, zingeving, prekers, wijze mannen / met priemende geslachtsdelen. / Om de haverklap een blikseminslag van de toekomst, de / verschijning van de stigmata of wonder, / de wegwijzering met vissen, het duiden van wolken en paarden.’ In beide steden gebeurt iets ‘om de haverklap’, en ook de mannen blijven in beide steden mannen, maar verder wordt de ‘ik’ verscheurd door tegenstrijdige behoeften.

De laatste afdeling uit de bundel heet ‘Love songs for the Absolute’. Hierin komt het thema van de stad nog een aantal keren terug. Een ander belangrijk thema is dat van bevruchting, incarnatie, geboren worden. Langelaar onderzoekt in uiteenlopende stijlen en fantasieën wat het betekent om mens te zijn, op deze aarde geworpen te worden, vrouw of man te zijn. Direct al in het eerste gedicht: ‘Dat jaar werden we geboren in / een lichaam. / Het viel ons op dat we sloegen. / We sloegen de trom. // Bij elke slag vlogen de vogels op. / Bij elke vierde noot ving een nieuw seizoen aan. / Bij elke 16e noot wierp ik een kind. // Zo leefden we ons leven. / We sloegen de jaren weg.’ Het staat er heel terloops: ‘Het viel ons op dat we sloegen’. Zijn gaat vooraf aan Bewustzijn. In het gedicht vindt langzaam een bewustwording plaats: ‘En we vroegen ons af, wie had ons in de eerste plaats die trommel gegeven? / Wie had ons geboden te slaan? Had ons die vogels gebracht, de bomen? / Had ons het ritme opgelegd? En waar waren we eerder? Waarom?’ Hoe absurdistisch het verhaal van de ‘ Trommel’ ook is, er worden wel vragen aangesneden die ertoe doen.

Zwaluw (fragment)

We kwamen aan op de rug van een zwaluw.
We landden aan de kust
daar waar de zee het land omarmt.
We duwden onze hakken in de grond.

We namen de omgeving in ons op
de dieren, kleine insecten, die ons staken
hoefgetrap vanuit het struikgewas.

We wilden het zien om te weten dat het bestond
onze aanraking, een vinger op de huid,
klamme spieren, een nat oog, maakte het levend.

We wilden niet langer met concepten leven en alles
wat ons was verteld of voorgelezen
we wilden Zelf. Echt. Voelen. Leven.

(…)

Ook in dit fragment toont de dichter lef en beheersing van de taal. Zinnen ontsporen vanzelf wanneer de betekenis de overhand krijgt. En dan die schaamteloze vier losse woorden met hoofdletters. Alles om de zeggingskracht te onderstrepen. In de eerste strofe lijkt sprake van een overbodige precisering: ‘daar waar de zee het land omarmt’. Toch is het geen slordigheid. Het begrip ‘omarmen’, ‘omsingelen’ komt regelmatig terug, denk bijvoorbeeld aan de titel van de eerste afdeling.

Er staat teveel in deze bundel om in één recensie weer te geven. Hoe langer ik de bundel lees, hoe toegankelijker zij wordt. Er zit maar één ding op. Zelf. Gaan. Kopen. Lezen.

***
Marije Langelaar (1978) debuteerde in 2003 met De rivier als vlakte. Haar tweede bundel, De schuur in (2009), werd genomineerd voor de Jo Peterspoëzieprijs en de J.C. Bloemprijs en werd bekroond met de Hugues C Pernathprijs. In 2012 trad zij op op Poetry International .
Klik hier voor een uitgebreide bespreking van het gedicht ‘Optellen’, uit de eerste afdeling van Vonkt.

Geplaatst in Recensies.