Andreas Oosthoek – Witheet nadert de ijsberg

Vroegere geluiden verlengen

door Herbert Mouwen

De verzamelde gedichten van Andreas Oosthoek Witheet nadert de ijsberg is een bijzondere uitgave. De bundel bevat hoofdzakelijk een keuze uit nieuwe gedichten die geschreven zijn in de periode 1959-2017. Het verzameld werk is geen stapeling van de uitgegeven dichtbundels die Oosthoek tijdens zijn leven gepubliceerd heeft. In feite is het slechts een keuze uit vier bundels en enkele gedichten die gepubliceerd zijn in Maatstaf, zoals hij in de ‘Verantwoording’ schrijft. ‘Nieuwe gedichten’ was wellicht een betere ondertitel geweest voor deze uitgave. Het schijnt dat de dichter nauwelijks de behoefte heeft gehad om de gedichten die hij had geschreven te publiceren. Wanneer ze geschreven waren en hij vond dat ze in de juiste vorm gegoten waren, was het voor hem klaar en werden de verzen op zolder opgeborgen. Het was een kwestie van een keer opruimen, waarbij allerlei manuscripten en losse blaadjes tevoorschijn kwamen en het voortdurend aandringen van de liefhebbers van zijn poëzie, die leidden tot deze uitgave van zijn poëzie. In een interview met de dichter bij het verschijnen van de bundel las ik dat hij zelf ook niet blij was met de ondertitel ‘Verzamelde gedichten’. ‘Gedichten sinds 1959’ zou volgens hem beter geweest zijn.

Oosthoek heeft de gedichten niet chronologisch gerangschikt, maar ze in acht thema’s ondergebracht. De thematische indeling maakt de bundeling van zijn gedichten wel overzichtelijk, maar het lezen ervan niet spannender of verrassender. Soms is het lezen van een aantal thematisch verwante gedichten een pas op de plaats. Het lezen van Oosthoeks poëzie gaat traag, ook al omdat niet alle gedichten direct toegankelijk zijn. Er moeten zaken opgezocht worden, versregels herlezen worden, er moet nagedacht worden over wat de betekenis kan zijn van wat op papier staat. Anderen echter zullen het toejuichen dat een aantal gedichten over hetzelfde onderwerp, zoals die over Parijs in de tweede afdeling ‘Landelijk vertier & een beetje stad’ bij elkaar gezet zijn. In de zevende afdeling ‘Vuurland’ is de groepering van gedichten over de oorlog en zijn werk voor de Bergings- en Identificatiedienst van de Koninklijke Landmacht, waaraan hij als dienstplichtig militair verbonden was, terecht zo samengesteld. De titel van deze afdeling is dezelfde als die van de roman Vuurland, die in 2016 verscheen.

Andreas Oosthoek wordt getypeerd als een Zeeuwse dichter die over de dijken en de duinen heen kijkt, veel naar overzeese oorden trekt, maar altijd weer terugkeert naar zijn geboortegrond en dan zijn reiservaringen in dichtvorm aan het papier toevertrouwt. Het landschap, de flora en fauna, het voortgaan van de tijd en het vat krijgen daarop, het weer en het klimaat zijn vaste thema’s in zijn werk, zoals in de eerste strofe van het gedicht ‘Het landschap’ uit de afdeling ‘Een poppenhuis vol lijsters’ te lezen is:

Aan wie behoort vandaag het landschap?
Het droeve paard dat staande slaapt
en ouder wordt, heeft elke dag
een afspraak met het groen.
Ook alle bomen zijn reeds ingevuld,
elk op zijn welgekozen plaats.
De sneeuw misschien,
een hagelbui met bovenmaatse stenen?
Alles is, door de jaren heen,
Vertrouwd aan fotograaf en schilder.
De dichter schikt en scharrelt,
strijkt hier en daar een plooitje glad
maar kan het tij niet keren:
het landschap heeft geen woorden nodig
en wil een beetje regen op zijn tijd,
de estafette der seizoenen.

In deze strofe positioneert hij zichzelf als dichter in een wereld die al ingevuld lijkt met fauna, flora en het weer. Het landschap is ingericht. Is hij als dichter wel nodig? Alles heeft toch al zijn plaats? Hij relativeert op subtiele wijze zijn dichterschap, waarin zijn machteloosheid als dichter om te zorgen voor een ommekeer de boventoon voert. Hij is een dichter die wat schikt en scharrelt en hier en daar een plooitje gladstrijkt. Als dichter is hij overbodig: het landschap heeft geen woorden, maar regen nodig. En natuurlijk de afwisselende seizoenen die elkaar snel (‘de estafette’) opvolgen.

De verwijzingen naar schilderijen, andere gedichten en bepaalde locaties die in gedichten voorkomen worden verklaard in de ‘Aantekeningen’ die achter in de bundel zijn opgenomen. Het verhoogt de leesbaarheid van Oosthoeks poëzie, want het gaat in vrijwel alle gevallen om specifieke informatie. Een gedicht doorgronden eist in een aantal gevallen diepere kennis van de geschiedenis, geografie, kunst en literatuur. De bundel bevat ook een interview van tien vragen met breed uitgewerkte antwoorden van uitgever Christoph Buchwald met de dichter ‘over ambacht en inspiratie, traditie en moed’. Ik vind dat dit niet in een bundel ‘Verzamelde gedichten’ thuishoort, ondanks dat het interview interessante informatie over Oosthoeks dichterschap geeft. Blijkbaar vindt de uitgever het een goed idee om de lezer te begeleiden of te sturen bij het lezen van de poëzie van deze wat teruggetrokken dichter. Maar hoe aantrekkelijk het ook lijkt, ik wil niet aan de hand meegenomen worden. Ik ben een autonome lezer.

Oosthoek wordt beschouwd als een dichter met een authentiek idioom. Zijn woordkeus is in veel gedichten onnavolgbaar, zijn waarnemingsvermogen bij tijd en wijle uniek. Nooit heb ik zo’n indringende beschrijving van kraaien gelezen als in het gedicht ‘De kraaien van Sjaelland’:

De uitgegraasde kraaien van Denemarken
zijn grijzer, deftiger en van ernstiger komaf
dan de stappers, hoppers, krauwers, krassers
die het zonder blauwe tanden moeten stellen.Ze zijn gesteven, van gisteren, dragen een al
te lage hoge hoed en een gladde lakense
frak, waaronder – bij wijze van plastron – een
kogelvrij vest de veertjes op hun plaatsen
houdt. In het drukke eethuis, dat men Kro
noemt, zijn vooral de klauwen zeer gegeerd.De kraaien van Denemarken geven korte
kopjes. Ze zwalken mal boven gele velden
vol koninklijk koolzaad en bezoeken met
pijnlijke regelmaat uitsluitend witte kerken.

De bundel krijgt een motto van de surrealistische dichter Paul Éluard mee: ‘Je m’obstine de mêler des fictions aux redoutables réalités.’ Andreas Oosthoek geeft in zijn ‘Verantwoording’ een vrije vertaling van dit citaat. Hij spreekt ‘over de durende vermenging van fantasieën met de ijzingwekkende werkelijkheid’. Deze koppeling herken ik ogenblikkelijk in zijn gedichten, maar ik moet toegeven dat het me soms moeite kost om inhoudelijk die verbinding te duiden. Dan begint voor mij het spel van grip krijgen op de tekst door beelden te associëren, verschillende gedichten naast elkaar te leggen en de (andere) betekenissen van woorden op te zoeken. Dat proces levert me enkele door mijzelf samengestelde reeksen van boeiende gedichten op, maar ook losse gedichten die ik opzij leg, omdat ze nog niet in een door mijzelf gevormde rij passen. Ik leg de gedichten niet voorgoed opzij, maar slechts voor even. De tweede strofe in zijn laatste gedicht ‘Monologue intérieur’ stelt me gerust. Ik lees de versregels rustig voor mezelf:

Het zou er – dacht hij – zeker nog van komen,
het wonderlijk verband
dat lijnen vlecht tussen begeerte en vervulling.

____

Andreas Oosthoek (2018). Witheet nadert de ijsberg. Verzamelde gedichten. Uitgeverij Cossee, 277 blz. € 29,99. ISBN 9789059367579

Andreas Oosthoek (Nieuwdorp, 1942) is een Zeeuwse dichter en journalist. Zijn eerste gedichten verschenen sporadisch in tijdschriften, zijn eerste bundel De bladen terug werd in 1987 gepubliceerd. Daarna kwamen nog enkele kleinere bundels tot stand. In 2014 verscheen zijn vierde dichtbundel Een zandloper in zee. In 2015 publiceerde hij de roman Het relaas van Solle op basis van een oude, teruggevonden versie. De roman Vuurland schreef Andreas Oosthoek in 1965, kort na zijn vertrek bij de identificatiedienst. Vijftig jaar later heeft hij het manuscript herzien voor publicatie in 2016.

Geplaatst in Recensies.