Anne Meerbergen – Aanmoederen

De staat van beleg die aanmoederen heet

door Johan Reijmerink

 

Anne Meerbergen geeft in haar debuutbundel Aanmoederen (2018) op delicate wijze aandacht aan wat moeder worden, zijn en het loslaten daarvan is: ‘zoals goede moeders / ze leerde me aanmoederen / maar dan volledig omgekeerd’. Achter deze versregels gaan alle innerlijke en uiterlijke bewegingen schuil die de ik in de loop van haar kindertijd en moederschap zal ondergaan. De ‘staat van beleg’ tussen moeder en dochter springt je al direct vanaf het eerste vers in het oog: ‘ik ben boos geboren / zwijgend met vuisten / tot de hielen gesloten / verloren / omdat zij mijn moeder was’. Zoals Achilles verbondenheid voelt met zijn moeder Thetis, omdat zij hem bij de hiel vasthoudt om hem zodoende onkwetsbaar te doen zijn, ervaart de ik echter een wegduwen uit het lichaam en de geest van haar moeder. Op deze ambivalentie is de bundel gebouwd. In trefzekere bewoordingen schetst Meerbergen een beeld van moederschap en kind zijn, over twee generaties gespreid.

In zijn essaybundel Zo andersom is alles misschien (2018) benadrukt Dirk De Schutter dat de lezer niet zozeer een geheim dient te ontsluieren, maar het zorgvuldig en toegewijd moet articuleren. Eigenlijk geldt dat vergelijkenderwijs ook voor een dichter als Meerbergen die zich gedreven weet door een emotioneel-existentiële ervaring die zich diep heeft geworteld in haar taal. Meerbergen heeft in deze bundel de conditie van het moederschap willen articuleren in het wankelmoedige besef dat het geheim daarvan zich niet gemakkelijk prijsgeeft. Daarbij heeft de taal haar gewenkt naar wat buiten haar blikveld ligt.

Haar poëzie draagt een anekdotisch karakter en is rijk aan trefzekere en nietsontziende metaforen, zoals blijkt wanneer zij spreekt over de moeder: ‘ze had niets omhanden en was / het dagelijkse ijs / wij deden niet aan smelten’. Meerbergen drukt zich helder en precies uit in gedichten van tussen de acht tot veertien versregels, zonder hoofdletters en weinig leestekens. De gedichten bestaan uit strofen van twee, drie of vier korte versregels die nogal wat spanning oproepende enjambementen bevatten. Aan alles valt haar beheerste en zorgvuldig geciseleerde formulering af te lezen die ogenschijnlijk eenvoudig aandoet.

De bundel is thematisch doorlopend van opzet en heeft een tragisch verloop. Aanmoederen duidt in de eerste afdeling ‘Moedervlek’ op een moeder-dochterrelatie die zich keert in haar tegendeel van een moeder die ouder wordt naar een dochter die zich om haar bekommert. De verhouding tussen moeder en dochter is in terugblik verstoord: ‘ze had me al / verlaten toen ze hijgend / […] mij uit haar lichaam duwde / omdat zij moeder was’. Het fysiek en emotioneel afstand nemen van het kind begint al bij de geboorte. Het koesteren van de baby is als ‘strelen / met nagels rood scheef’. De sfeer in huis is er één van strijd en vervreemding: ‘het huis had loopgraven’. Rond de moeder verkeren de kinderen ‘in het niemandsland’. ‘We marcheerden dapper // met een kleine, witte vlag in huis’. De moeder met haar geaardheid moddert maar wat aan in haar omgang met de kinderen. Wat ouder geworden bevolkt de ik ‘het eiland in mijn kamer / met boeken en verzinsels’. Meer had ze niet nodig om te groeien ‘op zure grond’. Onder povere omstandigheden voltrekt zich haar jeugd met op schootsafstand de moeder die ‘door het huis [liep] met vuurwerk / op haar rug gebonden’. En toch was deze moeder ‘de beste in haar soort / met een blik en een vingerknip had ze me’. Toen de moeder later de zorg van de dochter behoefde, zaten ze eens naast elkaar op de bank, ‘zwegen heup aan heup / gesloten tulpen hunkerend / naar handen die herschikken’. Ze vinden geen woorden en gebaren meer om elkaar te vinden. Nu de moeder er niet meer is, zou de ik als ze haar op straat zou tegenkomen: ‘knikken // met hoofd en knieën / […] // ik zou mijn moeder vriendelijk / teruggeven’. De ik houdt ons ten slotte voor, als we ‘de som van je huiselijke geluk’ willen opmaken: ‘licht en donker’ te verenigen ‘in je mooiste kommen’, en ‘vertrouw alles aan de koelte toe’. Mildheid en nuance resteren. In het laatste gedicht wordt de cirkel gesloten waarin ze haar geboorte herbeleeft, en hoe de ik ‘wurmde me ons leven in’.

De tweede afdeling ‘Het middelpunt van de wereld’ verhaalt over de geboorte en het opgroeien van kinderen van de ik die nu in moederrol komt. Dat het kind in haar lichaam groeit, is iets waarbij ze zich neerlegt. De eerste ervaring van diepe verbondenheid tussen moeder en kind speelt zich vlak voor de geboorte af wanneer ze ‘wonen in het bed op wielen / jij tast mijn grenzen af met hartklopjes’. Alles is erop gericht dat de geboorte voorspoedig zal verlopen. Op allerlei manieren manifesteert de angst zich aan het lijf, het kind en de man. ‘Vuur’ en ‘as’ zijn de voortekenen dat er iets mis zou kunnen gaan, maar uiteindelijk ‘braken [we] wanneer wimpers trilden’. Voordat de ik het in de gaten had, ‘speelden [de kinderen] zich groot’. Toch bleef de ik ‘op honger zitten’. Was dit het wat het is, want ‘van moeder op dochter blijven / onze streken onherbergzaam / in gebaren tevergeefs’. Deze moeder heeft hinder van haar symbiotische relatie met haar kinderen en ervaart de begrensdheid van haar emotioneel bereik. De ‘kinderen en ik trokken samen / een weg van hun wieg naar uithoeken / en verder’, maar de afstand tussen hen is ondertussen ‘lichtjaren’ ver. De kinderen trekken weg en maken zich verstaanbaar in vreemde talen. De moeder ziet in dat ze ‘iets [moet] doen […] met loslaten, heel gewoon / handen openen // maar hoe kan ik / na jaren ontwarren’. Ze ervaart na de onbereikbaarheid van haar eigen moeder, nu als moeder hetzelfde met haar eigen kinderen.

De derde afdeling ‘De achterkant van schoonheid’ staat in het teken van het verlies van een meisje van achttien dat nog moest beginnen met leven. Uit wanhoop leidt de ik zichzelf af met nutteloze werkjes. De ik en de hij nemen zich voor ‘haar opnieuw uit [te] vinden’. Op het moment dat ze het meisje ‘als van was’ ziet liggen, ‘reed ik naar huis // ik dacht / aan de achterkant / van schoonheid / reed me verloren / tussen Damme en Sluis’. De dramatische ervaring leidt tot zelfverlies. Er is iets onomkeerbaars gebeurd. De bewustwording van het gebeuren groeit. Hier ligt het dieptepunt van het ontbreken. Met de ontgoocheling over het verlies van een dochter wordt het aanmoederen een soort van aanmodderen met haar eigen moederschap en met zichzelf. Vlinders en zwanen symboliseren de verbinding met het blijvende, het eeuwige. Toch blijkt later ‘dat witte zwanen / zwarte poten hebben’. De ik voelt zich als ‘van kreupelhout’.

In de vierde afdeling ‘Dakloos’ zoekt de ik zich een uitweg uit het verdriet. Ze identificeert zich met de dochter door haar gedaante aan te nemen: ‘ik trok je trui aan, paste me // in mijn vreemde huis plooide ik / alles wat ik van je vond’. Ze gaat in haar gedachte terug naar wat voor toekomst de dochter voor ogen stond: ‘je was onderweg naar grond / onder de voeten. […] je kon niet roepen met de zee in je mond / en graaide naar luchtbellen // vulde de longen met zout’. In haar dromen en gedachten blijft ze aanmoederen, terwijl ze in feite onverwacht uit haar moederrol is gestoten. Terwijl ze zich oefent in ‘vroeger en voorbij’, verschijnt er een hij die meehelpt ‘wat wij achterlaten’ op te ruimen. Ze blijft aanmodderen met de onbegrijpelijke tragedie van ‘l’étang des belles filles’, en de roekeloosheid die daarbij hoort.

In de vijfde en laatste afdeling ‘Woestijnen’ is de ik aangekomen ‘in duinen / zigzaggen in oude gedachten // […] verzamelen houvast voor later’. In dit sluitstuk volgt een bittere vaststelling: ‘er bestaat geen ander woord voor nacht’. Bij dit verlies van de dochter draagt de ik ‘langer dan jaren […] / mijn moeder op de rug’. Oudtestamentische beelden van de profeet Elia dringen zich op ‘aan de rand van de woestijn’ met een handvol vogels en de dadelpalm in dit stenen landschap. In deze stilte ligt een nieuw perspectief. Meerbergen sluit de cirkel waarbinnen het overlijden van de moeder, het verlies van de dochter en de verschillende moederschappen wordt omvat in ‘lucht, zand en iets // waar ik geen vingers op kan leggen / maar mij wikkelde in warmte / om schouders paste // […] het was de stilte van stenen / het is hoe ik me hier ontbreek’. Het loslaten van haar eigen gedachtespinsels over haar moeder en haar kind kan ertoe bijdragen zichzelf te vergeten en daardoor bevrijd te raken van de nachtgedachten.

Er schuilt een zoete bitterheid in deze weloverwogen verzen. De ik voelt zich solidair met de moeder waaruit ze is voortgekomen. Moeder en kind leven door het beklemmende gevoel van symbiose (on)bedoeld in een staat van beleg, omdat ze elkaar gevangen houden in hun verlangen naar verbondenheid én onafhankelijkheid. Meerbergen speelt in eenvoudige bewoordingen subtiel in op de onderliggende gevoelservaringen en gewaarwordingen die in het onderlinge contact tussen moeder en kind ontstaan en groeien. Door alle verlies heen is er hoop, beleving van gezamenlijkheid en vertrouwdheid, hoezeer de een ook ten diepste een vreemde voor de ander zal blijven. Meerbergen heeft in deze debuutbundel haar eigen ervaringen over de ambivalente gevoelens tussen moeder en kind op een universeel niveau weten te brengen. Ze heeft een bundel geschreven die veel herkenning zal oproepen.

____

Anne Meerbergen (2018). Aanmoederen. Uitgeverij P, 64 blz. Prijs € 17,- ISBN 9789492339546.

Geplaatst in Recensies.