Klassieker 223: Adriaan Roland Holst – Aan de zusters missionarissen van O.L.V. van Afrika

Meander Klassieker 223

Met veel plezier pakken wij op de vernieuwde Meandersite de draad van de klassiekers weer op. Het deze maand besproken gedicht van Adriaan Roland Holst is een gelegenheidsgedicht, dat in de uitgave van zijn verzameld werk uit 2004 niet eens meer werd opgenomen. Ten onrechte, volgens Joop de Vries: ‘Dit eenvoudige maar indringende gedicht vertelt meer over diens diep verdoken heimwee dan menig wijsgerig traktaat ooit deed.’

Aan de zusters missionarissen van O.L.V. van Afrika
_
Wij zagen samen de oude kust vervagen,
maar zullen landen elk op andre ree.
Thans delen wij nog samen enkle dagen
d’onmenselijke wildernis der zee.
_
Die andre wildernis, de mensenzielen,
ontgint de vaste Kerk van uw geloof,
dat velen, die den Boze haast vervielen
heil brengt, en licht straalt in de diepe kloof.
_
Gij zijt op weg uw leven te gaan wijden
ver van de vree der Hollandse natuur
aan vele simplen om hen te bevrijden
tot de verrukking van Gods eigen uur.
_
Gij hebt van genen dichter ’t woord van node,
een hoger Woord heeft u van heil vervuld.
Maar in uw taak zij needrig u geboden
een dichterwèns: dat gij niet falen zult.
_
En gij: bidt voor de dichters, die vervielen
aan die twee rijken van blind wel en wee:
de wildernis der menselijke zielen –
d’ònmenselijke wildernis der zee.

_

Adriaan Roland Holst (1888 – 1976)

Uit: Verzameld Werk Poëzie (1981)
Uitgever: Van Oorschot

Aanleiding van het gedicht

In de zomer van 1946 reist de dan 58-jarige Adriaan Roland Holst (1888 – 1976) op uitnodiging van zijn vriend, de dichter Jan Greshoff (1888 -1971), op de ms Oranjefontein naar Zuid-Afrika. Het schip maakt een tussenstop in de haven van Southampton waar een zevental Nederlandse Witte Missiezusters aan boord stapt. De zusters vallen op door hun smetteloos witte habijt. Holst verneemt dan ook snel dat de nog jonge nonnen in Kenya op missie gaan. Verwonderd maar bovenal ontroerd is hij als een van de zusters hem – enigszins schuchter – aanspreekt en hem vraagt een klein vers te schrijven voor hun missie.

De volgende dag heeft Holst het gedicht al klaar. Aan zijn in Nederland achtergebleven geliefde schrijft hij onder meer: “Ik vind het een vertederend idee dat een devoot rijm van een zo frivool poëet als je dienaar, zal verschijnen in een Missietijdschrift (1), waarschijnlijk zonder dat de literatuur iets merkt. Zeg het maar aan niemand”. In dit citaat (2) wekt Holst de indruk zich enigszins te schamen indien het gedicht in een of ander provinciaal missieblaadje zou komen. Hij dekt zich in diezelfde brief bij voorbaat in het gedicht te kwalificeren als rijm en gelegenheidsgedichtje.

Toch is er sprake van een zekere mate van ambiguïteit in de reactie van Holst. Hij schrijft zijn geliefde: “Bovendien meen ik letterlijk wat ik in zo’n gelegenheidsgedichtje zeg want ik heb bewondering, niet zonder iets als een soort heimwee, voor levens, die zich zo onvoorwaardelijk begeven buiten de kringloop van alle genietingen der zintuigen om zich geheel aan anderen te kunnen wijden.” Holst heeft bewondering voor de onbaatzuchtigheid en onthechting van de jonge missiezusters; kwaliteiten die hij zelf mist. Hij voelt zich gevleid dat een van hen, met een dergelijke, zelfopofferende levensstaat hem, een frivole dichter, vraagt voor hun missie een vers te schrijven. Frivool heeft in deze context eerder een negatieve dan positieve connotatie. Het betekent lichtzinnig, wuft of zelfs losbandig. Holst beschouwt zich als de negatieve tegenpool van de missiezusters. Enige zelfspot is hem daarbij niet vreemd.

 

Nu het gedicht zelf

Het gedicht is traditioneel van opbouw en bestaat uit vijf kwatrijnen. Elke strofe kenmerkt zich door gekruist eindrijm dat afwisselend vrouwelijk en mannelijk is, en divers aan rijmklanken is. In elke strofe komen doelmatige enjambementen voor die het gedicht een zekere gedragenheid geven. Zijn de eerste en tweede strofe te beschouwen als een beschrijving van de plaats van handeling en een introductie van het thema, in de laatste drie strofen richt hij zich expliciet tot de missiezusters.

Holst gebruikt daartoe driemaal het archaïsche pronomen gij: in r. 9, 13 en 17. Hiermee benadrukt hij die gedragenheid nog eens. Hij geeft zijn gedicht daarmee een plechtige status. Bovendien vergroot het pronomen gij de afstand tussen de op een voetstuk geplaatste nonnen en de kleinheid van de dichter. Deze tegenstelling komt terug in de voorlaatste strofe waarin de dichter onomwonden schrijft dat het woord van dichters voor de missiezusters nodeloos is vergeleken met het Woord van Hem.

Het gedicht is gelardeerd met een luttel maar functioneel aantal stijlfiguren waaronder metonymie, metafoor en chiasme. Oude kust in r. 1 is een metonymie en kan opgevat worden als een pars pro toto. Het verwijst naar het oude continent, Europa, dat dichter en missiezusters achter zich laten, ieder met een andere bestemming. De metafoor in de 2e strofe, den Boze, in r. 7 verwijst naar het kwade in de wereld. Licht in r. 8 (dat) straalt in de diepe kloof verwijst naar de tegenstelling licht versus duisternis, hoop versus wanhoop en goed versus kwaad.

Het is het heil in r. 8 – dat wil zeggen de verlossing van de zonden – dat de zusters vanuit hun diepe geloof aan de simplen (r. 11) komen brengen. Het is dichters diepe bewondering voor de missiezusters die alles in het oude Europa achterlaten en in den vreemde, zo ver van huis en haard, uit een onmetelijke zee mensenzielen als drenkelingen vissen om dezen zaligheid te brengen.

Mooi geformuleerd is r. 12 de verrukking van Gods eigen uur. Het preludeert op het uur U, waarop God de uit zee geredde en dus uitverkoren mensenzielen tot zich roept. Nog fraaier is de verwijzing naar de onmenselijke wildernis van de zee en de wildernis van menselijke zielen die in de 4e en 5e versregel en in de laatste twee versregels van de laatste strofe, in r. 19 en r. 20, gebezigd wordt. Hoewel geen zuiver chiasme contrasteren de begrippen menselijkheid en onmenselijkheid met een wildernis van wanhoop versus hoop.

In de voorlaatste strofe benadrukt de dichter opnieuw zijn kleinheid door nederig te vragen of zij, de missiezusters, zijn wens aanvaarden in hun missie te volharden. In de laatste strofe, in r. 18 en 19 spreekt Holst van dichters die – net als hij – reeds vervielen in blind wel en wee, een allusie op het klassieke slotakkoord van het gedicht: de adhortativus. Holst spoort de missiezusters aan voor hem en anderen te bidden die reeds verloren zijn in de wildernis der zee.

En zo vertelt het eenvoudige maar indringende gedicht van Adriaan Roland Holst meer over diens diep verdoken heimwee dan menig wijsgerig traktaat ooit deed.

 

Joop de Vries

 

____

Adriaan Roland Holst (1888 – 1976) is een van Neêrlands  meest begenadigde dichters. Hij groeit op in ’t Gooi in een bemiddeld milieu, volgt de HBS-opleiding in Hilversum waarna hij Engelse taal- en letterkunde en Keltische mythologie studeert. Met name die laatste studie heeft veel invloed gehad op zijn dichterschap en zijn verlangen te toeven voorbij de laatste wegen. Behalve als dichter onderscheidt hij zich als vaardig vertaler van onder anderen Yeats, als prozaschrijver van onder meer Deirdre en de zonen van Usnach en als essayist. Daarnaast is hij in zijn jonge jaren ruim een decennium lang redacteur van de Gids. Zijn oeuvre is omvangrijk en is bekroond met grote prijzen waaronder de PC Hooft-prijs in 1955.

(1) Het missieblad waar het gedicht in verschenen is, is niet meer te achterhalen. Wel is het gedicht opgenomen in: Het einde van een tijdperk, 130 jaar persoonlijke belevenissen van Nederlandse missionarissen. Samengesteld door Marga Kerklaan. Uitgeverij Ambo, Baarn, 1992.

(2) Uit: Herinneringen aan A. Roland Holst. Een vriendschap, L.J. de Ruiter, Amsterdam, Arbeiderspers, 1988.

Met dank aan Wim van Til van Poëziecentrum Nederland voor het achterhalen van de juiste versie van het gedicht.

 

Meander Klassiekers

In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor een overzicht.

Reageren op deze bespreking?

Neem contact op met Meander Klassiekers: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Zelf een bijdrage leveren?

Voor oktober, november en december staan besprekingen gepland van werk van resp. P.C. Hooft, Mieke van Zonneveld en Hughes Pernath. Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem svp tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Eric van Loo, redacteur Meander Klassiekers

Geplaatst in Klassiekers.