‘Een eigen stem’

 

 

 

De Griekse dichteres Kikí Dimoulá (1931) maakt poëzie van het alledaagse, zij gaat ermee in gesprek op basis van haar gevoelens en innerlijke reacties en houdt zich staande met haar dromen, fantasie en gedichten.
Hero Hokwerda is vertaler van tal van werken uit de Nieuwgriekse letterkunde en was tot voor enkele jaren tevens universitair docent Nieuwgriekse taal- en letterkunde aan de universiteiten van Groningen en Amsterdam.
Afgelopen december publiceerde Hero Hokwerda bij Uitgeverij Ta Grammata Vindersloon, dat in februari in Perdu werd gepresenteerd, een keuze uit het werk van Kikí Dimoulá, één van de grootste Griekse dichters van dit moment. Sander de Vaan sprak met de vertaler over Dimoulá, die in haar werk de grote vragen des levens bepaald niet uit de weg gaat.

 

foto 

Hero, waarom zou de Nederlandstalige lezer Vindersloon vooral moeten lezen?
Om te genieten van de heel eigen manier waarmee Kikí Dimoulá in haar gedichten omgaat met de grote vragen des levens: dood, verlies, God, liefde, maar dat alles dan verpakt in het alledaagse. In haar gedichten reist ze telkens heen en weer tussen beleving en herinnering, tussen herinnering en vergeten, tussen verlies en hoop, tussen verwachtingen van God en verwijten aan God, tussen somberheid en montere berusting, tussen de wereld om zich heen en introspectie, tussen diepe menselijkheid en gevoel voor het absurde, tussen geloof en het niets. En die beleving van de wereld door Kikí Dimoulá kan de lezer meebeleven in de speelse, sprekende, beeldende vorm van haar gedichten, zoals gekozen en vertaald voor deze Nederlandse uitgave.

Welk gedicht zou je hier als ‘visitekaartje’ kunnen presenteren?
Kom er maar eens uit

Nu en dan herinnert de toekomst zich ons
hoe ver weg ze zich ook bevindt,
telkens ontvangen we wel een of andere boodschap,
altijd in haast geschreven
want de hele tijd vertrekt ze
naar nog verder weg.
Wat moet je ermee?
Berichten die ongelezen blijven.
Niemand van ons die lezen kan
wat de toekomst schrijft.
Tenzij af en toe zo’n heel enkele hoop
die doorgeleerd heeft.
Kom er maar eens uit.

In je nawoord vermeld je dat enkele gedichten niet vertaalbaar waren. En dan waren er natuurlijk ook bepaalde verzen die niet makkelijk te vertalen bleken. Heb je in die gevallen dingen kunnen ‘compenseren’?
‘Compenseren’ soms ook wel, maar ik heb een keer een Griekse versregel met een woordspel, gebaseerd op de verschillende klemtoon van twee verder gelijkluidende werkwoorden, in getranscribeerd Grieks overgenomen en de vertaling er gewoon maar aan toegevoegd: ‘De tijd vraagt me/ (…)/ waar ik precies het accent draag/ is het yérno of yernó, ‘scheefzakken’ of ‘oud worden’. (in Onverwachtingen, p. 115). Dat klonk me in dit geval wel als een natuurlijke oplossing in de oren, maar dat zul je wel niet te vaak kunnen doen.

Hoe is het in het algemeen met de Griekse poëzie gesteld? En hoe belangrijk is Dimoulá?
De moderne Griekse poëzie is lang overheerst door de grote namen van de modernistische Generatie van ‘30’: Seferis, Elytis en Ritsos, en ook nog de oudere Kavafis, alsook de surrealisten Embirikos en Engonópoulos. Direct na de Tweede Wereldoorlog was er wel sprake van de ‘Eerste naoorlogse generatie’, sterk verbonden met de Griekse geschiedenis van bezetting en burgeroorlog in de jaren veertig, ook in toon en thematiek, maar Kikí Dimoulá hoort, als ze ergens ingedeeld moet worden, thuis in de ‘Tweede naoorlogse generatie’: dichters van de ‘zachte stem’, die met hun sombere stemming vaak wel uitdrukking geven aan de donkere jaren vijftig en later van Griekenland, maar zonder de vaak concrete politieke gebondenheid van hun voorgangers en nog vóór de algehele sfeer van contestatie die na 1968 om zich heen greep. Van die tweede naoorlogse generatie is Kikí Dimoulá gaandeweg uitgegroeid tot de belangrijkste en ook populairste dichter van het land, vooral sinds het heengaan, in de jaren negentig, van de laatste grote namen van de Generatie van ‘30’.

Hebben de bekendste dichters in Griekenland een ‘stem’ in de samenleving, of leven en werken ze – net als in veel andere landen – in de marge?
In Griekenland hebben veel dichters meer stem dan elders, doordat, vooral sinds omstreeks 1960, veel gedichten daar op muziek gezet zijn. Of beter gezegd: er zijn liederen van gemaakt, die soms een ongekende populariteit hebben gekregen die de populariteit van de gedichten als zodanig verre overstijgt, maar die die teksten daardoor wel op de lippen van een groot publiek heeft gekregen: Theodorakis en Chatzidakis zijn de bekende componistennamen, maar er zijn er veel meer. Niet alle dichters krijgen op deze manier een stem, sommigen juist weer op grote schaal (Ritsos, Elytis, Kavvadias), maar in principe is niemand ‘veilig’ voor deze procedure.
Afgezien van dit huwelijk tussen poëzie en muziek, is het in Griekenland ook zo dat veel dichters vooral in hun eigen kring bekend zijn, maar altijd weer steken enkelen erbovenuit en bereiken een algemenere bekendheid en geliefdheid – zoals Kikí Dimoulá, van wie overigens maar weinig gedichten voor muziek gebruikt zijn. Zij heeft die waardering vooral met haar eigen stem verworven.
En dan is er ook nog eens de spreekwoordelijke verklaring dat ‘alle Grieken poëzie schrijven’, schromelijk overdreven natuurlijk, maar er worden daar wel heel veel bundels gepubliceerd, en heel vaak op eigen initiatief en kosten van de dichter. Sommige uitgevers hebben in dat verband een hele industrie opgezet.

Wie zouden wij, behalve Kiki, zeker ook moeten lezen waar het Griekse poëzie betreft?
Er zijn veel boeiende Griekse dichters, maar hier een paar voorbeelden:

Yorgos Markópoulos (1951)

Op een strand in 1960

Op een strand in 1960 zat een gezin.
¬Moeder, vader en kind.
Het was juli, zondagochtend
en in het transparante licht van de zon
stond het jongetje op, begaf zich naar zee
en verdween.

Daarom zie je sindsdien ver weg aan de einder
een wit hoedje met zwarte band op het water drijven
en varen, varen, als een bootje.

Uit Zes Griekse dichters, Aanslag op het zwijgen. Inleiding en vertaling Hero Hokwerda (Groningen 2002, uitg. Chimaira Publishing, Obolos 14, tweetalig; zie nu www.tagrammata.nl).

 

Charis Vlavianós (1957)

Hoe leugens volwassen worden

De eerste leugen die ik tegen mijn zoontje zei
was van ja, er bestaat een lieve, goede God
die van alle kinderen houdt
en ze tegen elk kwaad beschermt.
De tweede leugen
(toen hij plotseling zijn grootvader verloor),
dat de mensen iets in zich hebben
dat ‘ziel’ genoemd wordt – een kleine geest –,
en als zij sterven vliegt dat omhoog
naar een mooi land vol gevleugelde baby’tjes
dat paradijs heet.
Wanneer ze met ons willen praten
dalen ze naar de aarde af,
komen ‘s avonds in onze dromen
en blijven bij ons tot de ochtend.
(Over hel, vlammen en ketels heb ik het niet gehad.)
De derde leugen
(de dag dat hij in huilen uitbarstte
bij de gedachte dat hij mij eens zou verliezen),
dat ik nog heel, heel, héél! veel jaren bij hem zal blijven
en, als ik hem ten slotte zal moeten verlaten,
allang een tandeloos oud mannetje zal zijn
met ‘stok en bochel’
(daar moest hij om lachen).
De vierde leugen,
toen hij mij over mijn eigen vader vroeg,
of…

Zo worden leugens volwassen,
en wanneer je zoon ze niet langer gelooft
zeg je ze opnieuw tegen jezelf
om niet aan de waarheid te sterven.

Uit Charis Vlavianós, Na het einde van de schoonheid, alsmede de engel van de geschiedenis. Keuze, inleiding en vertaling Hero Hokwerda (Groningen 2007, uitg. Ta Grammata, Obolos 14, tweetalig).

 

Nasos Vayenás (1945)

Dood in Exárchia

Men zei me dat je dood was. En ‘k vind je terug
in ‘t café triktrak spelend met de levenden.
Je staat vóór zelfs. Draagt ook een das.
Jij die nooit een das droeg.
Nooit naar het plein kwam.
Je altijd opsloot in dat huis
en zwijgend naar buren voorbijgangers loerde.

Ze zeiden dat je dood was. Wié moet ik geloven?
Opeens was je weg, zonder een woord te zeggen.
Zonder ook maar een briefje achter te laten.
Je luiken gesloten. De bel kapot.
De hond ontroostbaar. En het licht uit.

Ben je ‘t? Ben je ‘t niet? Wie moet ik geloven?
Wat is je stem veranderd.
De anderen zeggen niets. Kijken hoe je speelt.
Kijken hoe je met een glimlach de dobbelstenen werpt.
En maar wint. En maar wint.

Jij die nóóit won. Altijd verliezer was.

Uit Nasos Vayenás, Biografie en andere gedichten. Vertaling Marko Fondse en Hero Hokwerda (Amsterdam 1990, uitg. Het Griekse Eiland; zie nu www.blackolivepress.nl).

 

Interview Sander de Vaan

Geplaatst in Interviews.