Hedwig Speliers, Peter Theunynk, Lies van Gasse e.a. – Kanten Stad

Alles is (vrije) liefde

door Hans Franse

Vijf stadsdichters bezingen hun kanten stad, vijf vrije stadsdichters. Die stad is Brugge. De laatste stadsdichter voorafgaande aan dezen heette Anthonis de Roovere (1430 – 1482). Je bent dus in goed gezelschap en draagt ook wel een zware verantwoordelijkheid als je op weg naar je mollenfeeste in zijn voetsporen moet treden.

Brugge is voor mij iets heel speciaals. Als je van het Minnewater naar het Begijnenhof loopt, voel je het oude culturele nest waar eens de grootste kunst van de middeleeuwse Nederlanden bloeide. Het is de stad waar een van de mooiste gedichten uit onze literatuur werd geschreven: het ‘Egidiuslied’. Het is de stad met zijn sterk Bourgondische inslag onder de zachte adem van Maria van Bourgondië, van Memlinc en andere heel groten. Het is ook de stad van Guido Gezelle, waarin een museum aan hem is gewijd in zijn geboortehuis. In mijn studententijd was dat een soort Gezellerariteitenkabinet met naast de kostbaarste handschriften zaken als snorharen en valse gebitten. Het werd beheerd door een katholieke geestelijke die aan kwam fietsen met een wapperende soutane op een damesfiets, het slechts aan Gezelle denkende hoofd bedekt door een bêret basque (Ilja Gort is er niets bij), die je meenam door het huis van linksonder tot rechtsboven. Maar het meest fascinerend was er rond te lopen met schepen Van den Abeele. Van alle plaatselijke politici die ik ooit ontmoet heb was hij degene die het meest overhad voor zijn stad. Toen ik hem ontmoette maakte hij het structuurplan voor Brugge, waarbij maar één element uitgangspunt was: de liefde voor de stad. Met hem rondlopend voelde je de historie en de cultuur in bijna elke steen en stukje stad opbloeien, maar ook zijn persoonlijke liefde. Jaren later in Brugge vroeg ik aan een mevrouw die meer dan 40 jaar een kantwinkeltje uitbaatte of zij die schepen nog had gekend. ‘Het was een goeie’, zei ze, ´Zo zijn ze er niet meer. Hij kocht oude panden op met zijn eigen geld, liet ze opknappen om ze te redden en Brugge mooier te maken. Hij kreeg weinig steun. Hij verwaarloosde voor zijn stad zijn bedrijf. Uiteindelijk ging zijn visrokerij failliet’. Brugge moet iets heel bijzonders zijn, het zijn van ‘Bruggeling’ eveneens. Het is een heimweestad. Alles is liefde.

Uitgeverij P bundelde die gedichten van vijf ‘vrije’ Brugse stadsdichters. Wat is een ´vrije stadsdichter’? Be Brugse stadsdichters worden niet door het stadsbestuur benoemd, maar door een privéorganisatie, een ‘VZW’ (Vereniging Zonder Winstoogmerk), door een groep als de Lappersfort Poets Society. De huidige vrije stadsdichter Tania Verelst is aangesteld door de VZW Zwerne. De dichters krijgen ook een specifieke opdracht in die zin dat ze verplicht worden een aantal gedichten te schrijven. Tania Verelst bijvoorbeeld heeft tot taak het schrijven van twee gedichten. Het zijn dus gedichten die meer met het gevoel voor Brugge als humanitaire eenheid te maken hebben en de houding van de dichter tegenover de stad dan dat men reageert op de dagelijkse gebeurtenissen. Om een vergelijking te maken: een eventuele Vrije Haagse stadsdichter zou door boekhandel Paagman kunnen worden aangesteld samen met de Haagse Kunstkring. Bij het lezen van de hier besproken bundel miste ik dan ook een gevoel van actualiteit, wat overigens de poëzie als taalkunst meer mogelijkheden biedt: het hoeven geen eendagsvliegen te zijn. Het hoeven dus ook geen Brugse dichters te zijn, noch geëmigreerde Bruggelingen. De ‘vrije stadsdichters’  komen dan ook van heinde en ver. Voor zover ik heb kunnen nagaan is Herman Leenders de enige echte Bruggeling die in zijn jeugd het Minnewater heeft ingedronken. De eerste ‘nieuwe’ vrije stadsdichter was Hedwig Speliers in 2012.
De immer actieve en binnen het Vlaamse literaire leven soms voorbeeldige uitgeverij P heeft de gedichten van de eerste vijf vrije poëtische impressionisten gebundeld onder de titel Kanten Stad. Het is een boek geworden in een ongebruikelijk formaat, kleurig vorm gegeven door Lies van Gasse, ooit zelf een vrije stadsdichteres. Aan de Nederlandse teksten is een Engelse vertaling toegevoegd die voor vier van de vijf poëten is vervaardigd door Annemarie Sauer. Eén van de vijf, Marcus Cumberlege, is van origine Engelstalig: hij vertaalde zijn gedichten zelf.
De flaptekst zette mij ten aanzien van de vertaling even op het verkeerde been. Er staat: ‘vertaald naar het Engels’. Wellicht ben ik te oudmodisch of te puristisch, maar volgens mij betekent ‘vertaald naar het Engels’ dat er een Engels origineel aan een Nederlandse tekst ten grondslag ligt. Dat is niet het geval. Hier is simpel bedoeld vertaald in het Engels en niet dat men door Engelse teksten geïnspireerd was.

Kijken wij naar de dichters en hun werk: Hedwig Speliers, Peter Theunynck, Lies van Gasse, Marcus Cumberlege en Herman Leenders.

Hedwig Speliers is nu 83 jaar en vooral bekend geworden door zijn biografie van Stijn Streuvels, omdat hij daar uitspraken deed over de relaties van deze grote Vlaamse schrijver met de Duitsers in de twee wereldoorlogen. Zijn poëtisch werk is niet te onderschatten, ook zijn invloed niet. Hij schreef vier gedichten over de seizoenen en een gedicht over de Stem van de stad. Het is poëzie die verlangen oproept, de worsteling met het woord weergeeft en soms een veelheid aan metaforen laat zien. Het meest trof mij het gedicht over de herfst waarin hij over de grote figuren van lange tijd her spreekt: ‘laat ons liggen bij Maria van Bourgondië, / het koele brons van haar borsten strelen / Laten wij haar lichaam weelderig delen / het licht van haar gezicht als een gedicht’. De dichter heeft ook zijn best gedaan klanken uit de stad weer te geven: ’klank klimt met nagalm uit het galmgat’ of :’Seringen zingen zich tot oleanders van het noorden’. Af en toe zijn er woordsamenhangen die typerend zijn voor de gedichten die met klank en sfeer te maken hebben: ‘In Belfort, kathedraal en kerken / taalt de tijd zijn taal’ of: ‘Zelfs de hallentoren ligt onder het gewicht / van zoveel wit gekanteld in zijn kantelen’ of: ‘terwijl begijnen zich bekransen / met rozenkransen en hun kaarsen doven’. In het laatste gedicht voert Spelliers de stad sprekend op. Het is een diepzinnig gedicht met een door elkaar lopen van spreker en toegesprokene. Spreekt de stad zichzelf toe? Maar wie is dan de ‘u’ met de ‘fluwelen stem’ uit de laatste regel? Dat is fascinerend vooral als Speliers het normale Vlaamse ‘u’ hier zou gebruiken, dat het summum van vertrouwelijkheid is. Het is poëzie die mij een melancholiek gevoel geeft om in het voorjaar bij het Minnewater te zijn: het raadsel Brugge.

Peter Theunynck is een ‘sinjoor’ (Antwerpenaar) die een biografie schreef over de grote melancholieke Gentenaar Karel van de Woestijne. Hij was in 2013 stadsdichter. Hij schrijdt door steden die ‘stapelgekke oude mannen’ zijn, schrijft over de narcissen in het Begijnhof: ‘De narcissen waren gekomen / ze hadden hun moeizame tocht door / de binnenkant van de aarde / voltooid’. Als hij de zomer in Brugge beschrijft hoort hij vanachter een ‘glasgordijn’ dat ‘zomerjurk wil zijn’ een lied van John Dowland, gezongen door Andreas Scholl. Hij verbindt de zomer met veel cultuur en met de sfeervolle avonden die doordringen tot op de geheime plekken als het Lappersfort. ‘Met de zwanen / van het minnewater wordt het vederzacht ontwaken’. In de winter daarentegen wordt de stad ‘gevuld met verdwenen geluid’. Al het geluid, ’s zomers onderdrukt door toeristen, komt terug en wordt hoorbaar. Minder heimweegevoelens dan bij Speliers, maar wel Brugge.

Lies van Gasse was in 2014 dichter in relatie tot het wonder Brugge. Ze is illustrator, afkomstig uit Sint Niklaas, en dus ook geen Brugse poorteres. Ik mis in haar gedichten de nostalgie. De beeldspraken zijn uitgewerkt, soms is er een regel die me treft : ‘(… ) stilte als een ontbreken van licht’, maar ik mis iets: het gevoel komt niet over. Ik vind er ook sommige slordigheidjes in. Zelfs als geoefend close-reader wordt mij niet duidelijk wie wie is, als ik deze twee regels lees: ‘Het is nog warm / en het denkt dat al het bloeden gestopt is’. Misschien omdat ik mijn nostalgie herken in de gedichten van de andere vrije stadsdichters heb ik wat moeite met deze sterk rationele poëzie, al maakt de laatste regel van het laatste gedicht (de twaalfde dag) veel goed: ‘Er is een stad waarin ik zing / als een gebed voor de liefde’.

Interessante figuur, al meer dan veertig jaar een karakteristiek persoon in Brugge, is de oorspronkelijk Engelstalige Marcus Cumberlege (stadsdichter 2015), die wonderlijke beeldspraken gebruikt en de enige is die soms het dialect gebruikt (‘mokskes in paardenbril’). Ik heb tot nu toe niets over de Engelse vertaling gezegd. Ik voel me daar niet competent voor. Maar Marcus Cumberlege (overigens in Frankrijk geboren en daarna woonachtig in werkelijk de hele wereld) vertaalde zijn poëzie zelf. Ik vraag mij nu af welke teksten eerst waren: de Nederlandse of de Engelse? Het gedicht ‘Brugse Gehoorzaamheid’ dat mooi ritmisch begint: ‘Het zal ons niet lukken / ik voel het mislukken / Het is zoals een vrucht die niemand durft plukken’, leverde voor mij wat vraagtekens op. Ik las daarop de Engelse tekst die veel uitgebreider is en ook totaal anders van inhoud: het gaat niet om een vertaling maar om een ander gedicht: ‘(…) maar ik wist haar naam / en schreef het op een brug // waar herfstbladeren dreven / op het donkere water’. ‘But I had a Mexican name for her (and it was’nt ‘Pharaoh’s daughter’). / Remember I only drink water. // So I jotted it down with my pen / on a bridge where autumnleaves / were in the proces of falling’. Merkwaardig. Het wordt ook niet verklaard. Het gaat hier wel om heel vrije stadsdichters. Bovendien zegt Cumberlege in een interview: ‘De Bruggelingen hebben een mens van mij gemaakt; mens worden is belangrijker dan dichter zijn’. Ik vind overigens de figuur Cumberlege interessant en kleurrijk. Wel leuk, deze poëzie in de stad die al vanouds een verzamelplaats was voor de hele wereld en waar het woord ontstond dat wereldwijd werd overgenomen. Voor velen het belangrijkste, voor velen het verfoeilijkste: beurs.

Tenslotte Herman Leenders, de vrije stadsdichter van 2016 en 2017, de enige inboorling van het gezelschap, geboren in 1960 in Brugge. Hij is een veel gelauwerd poëet, die het hele jaar van zijn stad geniet en die hij moet delen met toeristen: ‘alleen februari is voor Brugge / bibberend in haar negligé van mist / prevelend op een neogotisch sterfbed / wachtend op de verrijzenis en toerist’. Hij zal zich ongetwijfeld verbonden voelen met de historie van zijn stad, waar vanuit ‘t Engels klooster’ priesters naar Engeland vertrokken. Wie L&M zijn weet ik niet, in elk geval verbindt Leenders die twee  met dat verleden: ‘(…) alle vogels hebben een nest / behalve ik & jij / waar wachten wij nog op, gheselle mijn’. De recensie is al zo lang, anders zou ik zijn sonnet citeren: ‘ Boevriestraat 41-Sint- Godelieveabdij’. Ik vind dit een typisch reflecterend gedicht, dat laat zien dat in het nu alles nog klaarstaat voor de wijding en de wierook, maar dat de kermisgeluiden de stilte overstijgen. Misschien protesteert hij wel tegen het feit, dat zijn Brugge een kermis is geworden. Hij schrijft als  laatste : ‘Gedicht voor wie niet van de stad is: ‘(…) wie niet van de stad is / rijdt in koetsen vaart de Reien rond / vindt een hotel een sterrenrestaurant’. Het antwoord is gastvrij en bemoedigend en ik zal zeker in het voorjaar onder het jong ontluikend groen naar Brugge durven terug te keren, want, en dat is misschien de conclusie van deze interessante en plezierige heimweebundel: ‘liefde is voor wie niet van de stad is’.

____

Hedwig Speliers, Peter Theunynk, Lies van Gasse e.a. (2018). Kanten Stad. Uitgeverij P, 71 blz. € 17,90. ISBN 9789492339447

Geplaatst in Recensies.