‘Ik heb het idee dat ik een heel gelukkige alzheimerpatiënt zou kunnen zijn’

Gerda Blees (1985) debuteerde met de verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet. Ze won, net als voorheen schrijvers als Manon Uphoff, Edwin Mortier, Maartje Wortel en Arnon Grunberg, afgelopen jaar de Nieuw Proza Prijs Venlo voor haar verhaal ‘Zomerkroos’. Eerder publiceerde ze in Tirade en Hollands Maandblad. Haar poëziedebuut Dwaallichten verscheen in 2018.
Sacha Landkroon ging in gesprek met haar.

 

foto fotoBuffel

Ik zag Gerda Blees live bij Dichters in de Prinsentuin 2018 en was onder de indruk.
Je las de complete afdeling B uit je debuutbundel Dwaallichten. Hoewel de hoofdpersoon, die redelijk geobsedeerd is door ene B, de voorletter G draagt, heb ik niet het idee dat het autobiografisch is. Hoeveel van jezelf laat je zien in die afdeling?
Ah, meteen een moeilijke vraag. Ik vind dat ik als schrijver eigenlijk altijd erg veel van mezelf laat zien, omdat ik blootgeef hoe ik denk, naar de wereld kijk, en wat ik allemaal kan verzinnen. Ik maak in mijn verhalen en gedichten wel veel gebruik van dingen die ik heb gezien, gehoord of meegemaakt, en de B-serie is ook begonnen met een echte verliefdheid van mij, die daarna een eigen leven op papier ging leiden. Maar ik denk dat dat ‘leven op papier’ vaak meer over mij zegt dan de werkelijke gebeurtenissen die de aanleiding vormen.

Ik wilde je mooi maken B
ik dacht dat het een goede manier zou zijn
om afscheid van je te nemen daarom had ik je
een mond van rode tulp gegeven, uit je ogen puilden
trossen blauwe regen, je haren waren van fluitekruid
en boterbloemen vlochten zich omhoog tussen je tenen.
Uit je buik groeide de mooiste rozenstruik die ik had
kunnen vinden voor ons nooit gekochte huis.

Het was een heel sereen gezicht B
hoe je daar zo lag, alleen ontstond er wat commotie
bij de mensen die je zagen en dan vooral de vrouwen
sommige moesten huilen, andere die moeder waren
legden snel hun handen op de ogen van hun kind
en liepen weg voordat ik alles uit had kunnen leggen.
Alleen mijn oude buurvrouw voelde zich getroost
toen ik haar vertelde hoe je voortleeft
in mijn hart B. Je zal voortleven.

Zowel je verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet als deze dichtbundel worden gekenmerkt door hoofdpersonen die hun grip op het leven en de werkelijkheid verliezen. Waarom is dit een thema dat jij graag gebruikt in je werk?
Grappig dat je dit opmerkt, ik ben namelijk op dit moment bezig met een roman waarin dit thema ook weer centraal staat, en juist vandaag dacht ik bij mezelf: kan ik dit verhaal wel schrijven zonder zélf mijn grip op de werkelijkheid kwijt te raken? En dat vond ik een verschrikkelijk enge gedachte. Misschien schrijf ik erover omdat het een grote angst van mij is. Maar ook omdat ik denk dat iedereen tot op zekere hoogte zichzelf dingen wijsmaakt of zelfs moet wijsmaken om met de werkelijkheid te kunnen leven.

Verdiep je je in de traditie van poëzie en proza? Wie zijn je literaire voorbeelden?
Ik ben geen veelvraat op het gebied van literatuur en ik vind mezelf niet bijzonder goed onderlegd op dat gebied. Recent ben ik me ervan bewust geworden dat ik veel meer mannelijke dan vrouwelijke schrijvers heb gelezen en daar wil ik graag verandering in brengen. Ik lees een beetje kriskras, wat ik tegenkom, wat mensen me aanraden, wat ik denk dat aansluit bij wat ik zelf op dat moment aan het schrijven ben. Een dichtbundel die ik altijd bij me heb is die van de Israëlische dichter Yehuda Amichai. Hij schrijft zinnen die ik steeds opnieuw wil lezen. Een Nederlandstalige dichteres die ik erg waardeer is Anne Vegter.
Qua proza zoek ik het veel in het buitenland. Ik ben net begonnen met De Nijhoffs en ik van Marja Pruis. Dit vind ik interessant omdat ik zelf een boek over echte mensen schrijf. Ik ga daar ook HHhH van Laurent Binet nog eens op naslaan. En Ik heet Karmozijn van Orhan Pamuk, omdat ik met wisselende perspectieven wil werken, zoals Pamuk in dat boek ook doet.

In Aan doodgaan dachten we niet komt een meisje met anorexia voor. Ze sterft een tragische dood op haar lievelings-wc. Het lijkt erop dat je haar in je indrukwekkende gedicht Ground control weer tot leven hebt gewekt. Klopt dat?
De meisjes uit het verhaal en het gedicht zijn verschillende personages, maar mensen met eetstoornissen vind ik wel heel interessant, omdat hun realiteit zo overduidelijk verschilt van de werkelijkheid van de mensen om hen heen. Hun lichaamsbeeld, maar ook het beeld dat ze van hun eigen gedrag hebben, is gezien door de ogen van een buitenstaander, totaal verstoord. Maar voor henzelf is hun werkelijkheid wél echt. En daarmee komen we terug bij de vraag: wat is gek en wie bepaalt dat? In de roman waaraan ik nu werk komt het fascinerende gegeven van te weinig eten ook weer terug; misschien omdat eten zo basaal is voor ons overleven, en omdat niet eten daarmee een keuze is om dit overleven niet meer centraal te stellen en daarmee een basale realiteit van het bestaan te ontkennen.

 

Ground control

Meisje van botten en pezen praat een wereld
aan elkaar van ’s avonds drop en chocola
de rijst voor straks bewaren, dagelijks
een handje noten voor het slapen en alleen
geen kaas vanwege mogelijke huidproblemen.
Heeft het over parasieten, vitamine B, genetisch
aangejaagde schommelingen in haar percentages
vet op water. De honger heeft het laatste vlees
van haar skelet gegeten en nu lukt het niet meer
om haar vast te pakken zonder haar te breken.

Onze enveloppen met de stokken, potten pindakaas
en preken neemt ze met een glimlach in ontvangst en
spoelt ze daarna ongeopend door haar lievelings-wc.

Meisje van botten en pezen zweeft bij ons vandaan
en wij, gebonden door de zwaartekracht, kunnen alleen
nog van beneden naar haar roepen dat ze haar verloren
ballast altijd terug omhoog mag hijsen, dat het nooit
te laat is om het hongeren te staken, een buik te kweken
om moed in te verzamelen, een vrouw van gewicht
te worden en de wind de wind te laten.

Eén van de afdelingen getiteld De lichtdrager staat dwars op de pagina’s afgedrukt. Wat wil je met deze speciale vormgeving bereiken?
De lichtdrager is behalve een afdeling van de bundel ook een cyclus van gedichten, die meer samenhang met elkaar vertonen dan de gedichten binnen de andere afdelingen. Doordat de gedichten gekanteld zijn, krijgen ze – tenminste, dat hoop ik – ook in de leeservaring meer samenhang: je kunt ze als het ware in één stroom van boven naar beneden door lezen, bijna alsof ze op één lange rol papier staan.

‘Terwijl de verwarring toeneemt, beginnen hun verschillende stemmen door elkaar te lopen’ staat op de achterflap. Ik heb het idee dat er een opschalend niveau van waanzin in de bundel zit. Klopt dat, of is dat mijn inbeelding?
Ja, misschien is dat wel jouw geestesziekte! Nee, het is ook hoe ik het bedoel. De personages in de bundel glijden geleidelijk af naar meer gekte. Ik vraag me af of ik dat ook andersom had kunnen doen, beginnend bij heel gekke mensen en toewerkend naar minder gekte, maar ik heb toch de indruk dat de ontwikkeling van de mensen en de dingen eerder van minder gek naar steeds gekker gaat dan andersom. Voor mijzelf hoop ik trouwens hartstochtelijk dat dat niet waar is. Al heb ik wel altijd het idee dat ik een heel gelukkige alzheimerpatiënt zou kunnen zijn, die zich helemaal zou kunnen overgeven aan de vergetelheid. Ervan uitgaande dat ik door aardige verpleegkundigen zou worden verzorgd.

In het slotstuk Laatste bericht komen de Dwaallichten zelf aan het woord. Ik vind het misschien wel het beste stuk van de bundel. Hoe kwam je erbij om een dergelijk slotstuk te schrijven?
Het Laatste bericht is een tekst die ‘tot me is gekomen’, tenminste zo heb ik dat ervaren. Ik had net mijn eerste poging tot het schrijven van een roman achter de rug en daar had ik hard aan gewerkt. Toen ik het manuscript -dat trouwens nooit is uitgegeven- bij een uitgeverij had ingeleverd, mocht ik van mezelf een paar dagen vrij nemen.
Op een van die dagen ging ik ’s ochtends zwemmen en tijdens het zwemmen kwam de eerste versie van deze tekst in me naar boven. Ik heb mijn vaste programma van baantjes afgemaakt en ben toen snel naar huis gegaan om alles op te schrijven. Daarna heb ik nog wel dingen toegevoegd en geschrapt, maar veel van de zinnen die erin staan, bedacht ik voor het eerst toen ik aan het zwemmen was. Dat was lang voordat ik serieus aan Dwaallichten begon te werken, maar uiteindelijk werd deze tekst er een belangrijk onderdeel van.

Als ik heel de bundel overzie, heb ik niet het idee dat daarin de dichter Gerda Blees vanuit haar eigen ervaringswereld aan het woord is. Hoe verhoudt zich jouw podiumpresentatie tot je eigen belevingswereld?
Ha, dat interpreteer ik als een compliment. Over mijn podiumpresentatie: die is niet bijzonder expressief en dynamisch, misschien omdat ik de tekst niet wil verpesten met mijn eigen emoties erover. Ik bedoel dus dat de luisteraars hun eigen emoties mogen kiezen. Maar ik kan me eigenlijk geen dichter voorstellen die niet haar eigen ervaringswereld laat terugkomen in haar gedichten. Tenslotte is je eigen ervaring het enige materiaal dat je hebt. Maar ‘eigen ervaring’ kun je nauw interpreteren als ‘dingen die ik zelf heb meegemaakt’, of breed: ‘dingen die ik mij kan voorstellen en dingen die ikzelf of anderen hebben meegemaakt’. Eigenlijk ben ik blij als jij zegt dat je bij het lezen niet steeds denkt ‘Hee, daar heb je weer zo’n ervaring van de dichter Gerda Blees’. Dat zou je maar afleiden.

Je debuteerde met een verhalenbundel, nu heb je een dichtbundel, je stond in de finale van het NK poetry slam en op Dichters in de Prinsentuin. Wat wil je nog bereiken?
In september 2018 ga ik voordragen bij de Nacht van de Poëzie in Tivoli Vredenburg, een van mijn lievelingspoëzie-evenementen, dat is wel een belangrijke poëziemijlpaal voor me. Verder ben ik recent begonnen met het schrijven van een roman. Als alles goed gaat, wordt het een mooi verhaal waarin de gekte waar ik zo graag over schrijf collectieve vormen aanneemt.
Externe erkenning in de vorm van aandacht en prijzen is prettig, omdat het ervoor zorgt dat je door kunt schrijven. Als ik lang blijf leven, zou ik graag een groot oeuvre maken waarin behalve korte en lange verhalen en gedichten ook korte vreemde prozateksten een plaats krijgen. Ik studeer sinds vorig jaar ook voor autonoom beeldend kunstenaar en daar hoop ik nieuwe mogelijkheden te verkennen om tekst en beeld met elkaar te verbinden. Misschien ga ik wel een roman schrijven die op de achterkant van wegwijsbordjes staat geschreven en die je alleen kunt lezen door de hele omtrek van Nederland langs te lopen.
Ik hoop vooral mezelf steeds te blijven verrassen.

 

Laatste bericht (fragment)

Het is belangrijk te begrijpen dat wij de dingen op een heel andere manier
waarnemen dan u. Een knipperend tl-licht is voor ons bijvoorbeeld
een gebeurtenis. Wij worden aangetrokken door het oplichten en uitdoven
als motten, altijd op zoek naar de kern van het licht, ook als het onze dood is.
Om wezenlijk contact te maken met het knipperen, doen wij onze ogen
in exact hetzelfde tempo open en weer dicht, zodat het net lijkt
of het licht nog brandt, of definitief uit is. Maar wij snappen
dat u in de war zou raken als u ons zo zag, dus doen we dit
alleen zodra we zeker weten dat er niemand kijkt.Wie wij zijn weet niemand, ook wij niet.
Misschien zijn wij uw vader die is overleden
aan een hartstilstand, waarbij er voor de huisarts geen
gegronde reden tot autopsie was, maar het u toch niet lekker zat.
Of wij zijn de blond en blauwe jongen die zo veel geluk had altijd
dat u al een paar keer had gedacht, als dat maar goed gaat, en wij werden
inderdaad nog veel te jong vermorzeld door een vrachtwagen die afsloeg
maar gelukkig liet het noodlot wel ons engelachtige gezicht intact.
Overigens is de kans dat wij nog leven even groot
als de kans dat wij al dood of nog niet eens geboren zijn.
(…)

 

Geplaatst in Interviews.