Harry Vaandrager – Ik wordt

‘Sta mij een intermezzo toe’

door Hans Puper

Over de spelfout in de titel Ik wordt schrijft Harry Vaandrager dat die is ontleend aan een kunstwerk van Johan de Wilde, een zetfout die de kunstenaar op zijn beurt overnam uit het boek Flower Power. Kunst in België na 2015 van Hans Theys. Maar het blijkt geen fout te zijn als je je realiseert dat er op het voorplat geen auteursnaam wordt vermeld. Dat raakt direct aan de thematiek van dit werk dat met zijn 58 pagina’s een novelle en zelfs een roman wordt genoemd. Zo zou ik het overigens niet typeren, daarvoor kom ik teveel zinnen als de volgende tegen: ‘En mij, mij rest nu ‘s nachts, achter de eikenlaan, te wachten om verschoppeld te worden. Heilloos daartegen te sloeberen. Liederlijk zwansen, het is niet langer mogelijk hier in dit lustvijandig oord. Alle levensbegeer is verstramd. De dagen zijn leeggelopen.’ Een prozagedicht vind ik het ook niet, daarvoor zijn de  overeenkomsten met een roman of novelle toch te groot. Wel is het een mengvorm tussen proza en poëzie. Laat ik het daarom bij gebrek aan beter maar een proëem noemen.

Het boek gaat over een poging de grenzen van de individualiteit en tijd te overschrijden met taal en fictie als middelen. Dat er geen auteur op het voorplat wordt vermeld, lijkt nu duidelijk: er is alleen een serie ‘ikken’ die elkaar opvolgen – wordende ‘ikken’. Een ik wordt, is niet stabiel. Hoe kan taal helpen dat te bereiken? Een belangrijk pleidooi blijkt alleen in poëzie te kunnen worden uitgesproken. En dan nog is het de vraag of dat toereikend is: ‘Leg mijzelf op rustig te zullen spreken. (…) Kon het maar in witregels. Kon ik maar pleisteren en verschuilen op een blanco pagina.’
Conventionele taal ruikt naar de dood, maar hoe laat je hem leven? De ik die aan het woord is, krijgt een goede raad van zijn tot leven gewekte moeder:

Met het onmogelijke te willen, vergroot je jouw mogelijkheden.
Kom, vergrijp je aan het onmogelijke.
Vloei, stroom, stulp. Nu eens stijgend, dan weer dalend en tel-
kens opnieuw. Pulseer van wat niet bestaat.
En bezig woorden die ontspringen als een rivier en zich vertak-
ken in talloze schuimende stromen, om uit te monden in het
hooggebergte.

Om dat hooggebergte is het de ik uiteindelijk te doen: een berg te zijn, onaangedaan, ongevoelig voor tijdsverloop, ontmenselijkt, eeuwig.

De ik, of liever een van de ikken, moet voor de rechter verschijnen (of voor de lezer, zo je wilt: ook die velt een oordeel). Hij wil per se schuldig verklaard worden. (De reden noem ik hier niet, dat zou een spoiler betekenen). Eén van de dingen die hij in zijn slotpleidooi noemt, zal nu niet meer verbazen: ‘Ben zelf door de mazen van de natuurwetten geglipt. / Wie de wet kent, wil ze overtreden, nietwaar?’ Het gaat hier om het overschrijden van individuele grenzen; de ik die aan het woord is heeft een aantal voorgangers die elkaar jaarlijks afwisselen, zoals een vrouw die het dichterschap vaarwel zei en beeldend kunstenaar werd, een verzekeringsagent, een messenwerper en vele anderen. Alleen fictie en een passende taal kunnen die overgangen mogelijk maken, maar het ziet er niet naar uit dat het zal lukken: de schimmen verdwijnen nooit helemaal, ze blijven doorklinken in de latere ikken. En op een sombere moment constateert hij: ‘Na twee decennia kan ik voorzichtig vaststellen, dat alle levens op elkaar lijken. Eén pot nat. Alleen staat de ene in een vurig, de andere in een schemer, weer een andere in een infernaal licht, en een vierde in de schaduw. Meer verschillen zijn er niet.’
Een bevrijding uit individuele gevangenschap lijkt zinloos op dat soort momenten, maar de ik die aan het woord is geeft niet op. Hij is smid, een metafoor voor schrijver/dichter: ‘Sta mij een intermezzo toe. Over staal. Mijn eigenste materiaal. Helder en duidelijk tegelijk. Weet u bijvoorbeeld dat de taal van staal zo zijn eigen grammatica heeft, die niet door iedereen begrepen wordt? (…) Een goeie smid laat snaren in het staal trillen. Gevoelige snaren wel te verstaan. Zo’n smid geeft het staal het woord.’ Aan het eind van het eerste van de drie delen smeedt hij in samenwerking met een beeldend kunstenaar een wonderschone gevangenispoort. Kan de ik bereiken wat hij wil als hij daar doorheen loopt? Hij hoopt het tegen beter weten in, dankzij zijn tot leven gewekte moeder. In het bovenstaande gedicht zegt zij onder andere:  ‘Bij gelegenheid zal ik je deelachtig maken aan de geheimen van / de liminale wording. / Maak eerst van je gevangenispoort een toegang tot een / ongekende wereld.’

De rechtszaak draait voor een groot deel om Kiki (Ikik?). Of zij een prachtige vrouw is, een schim, de moeder van de ‘ik’, alle ikken bij elkaar of dat zij niet bestaat, komen we niet te weten. De ik weet niet eens of hij zelf bestaat: ‘Ik mag dan weliswaar permanent aan het worden zijn, maar beste heren, op dit moment twijfel of ik wel ben, of ik wel besta. Ik weet het oprecht niet. Misschien is het hoogst haalbare voor mij een personage te zijn in een roman. (…) Vaag ken ik een schrijver, ik zal hem bij gelegenheid eens consulteren.’ Een mooie gelaagdheid: hangt de ik aan de touwtjes van een andere verteller? Eentje die verdacht veel op Vaandrager lijkt, zonder geheel met hem samen te vallen?
Eenmaal denkt de ik dat Kiki schrijver is en dat levert een mooie Platoonse passage op: ‘Met wat zou Kiki aan de schrijf zijn? Gedichten? Een roman? Kan mij haast niet voorstellen dat zij zich hieraan vergrijpt. Als er mijns oordeels één levend wezen is dat weet dat de wereld is opgetrokken uit fictie, dan is zij het wel. Waarom daar nog meer fictie aan toevoegen? Stilletjes pleistert de hoop zich in mij dat ze mijn pleitnota schrijft.’

Verhaaltechnisch is een rechtszaak  een vondst. Een rechter is gehouden aan juridische, conventionele taal. Hij is een waarheidszoeker die zich wil baseren op feiten. De ik uiteraard niet: hij oreert over het stompzinnige ‘carnaval van afgesproken waarheden’; elders zegt hij dat rechters zich vastklampen ‘aan een weefsel van verzinsels, ter verdoezeling van de feiten die we onweerlegbaar niet kunnen weten.’ Het hele verhaal – voorzover je daarvan kunt spreken – bestaat uit de voorbereiding op de rechtszaak. Hoe moet de ik dat doen om te bereiken dat hij schuldig wordt verklaard? We lezen de voortdurende uitprobeersels voor overtuigende verklaringen, vol met intermezzo’s. De structuur van het proëem (ik gebruik deze term nog maar even) lijkt op die van Tristram Shandy van Sterne met zijn uitweidingen, de roman waarin Kiki zo graag leest. Een boek ook met een overvloed aan stemmen, overpeinzingen, ideeën, herinneringen, de beschrijving van Tristrams geboorte die met de grote hoeveelheid intermezzo’s twee volle delen duurt. Het is niet verwonderlijk dat de stem van Kiki de ik deed denken aan ‘opgerold in de baarmoeder liggen luisteren naar de gedempte stemmen van daarbuiten.’ Tegen de achtergrond van het conventionele taalgebruik van de rechter (dat we natuurlijk niet te horen krijgen, het gaat om voorbereidingen) is de volgende passage vermakelijk. Ik beschouw hem als een innerlijke dialoog:

‘Ter zake zegt u. Groot gelijk. Pardon heren, ik dwaalde enigszins af. Waar was ik gebleven? Juist, mijn ikken. U kunt ze zien als allemaal druppels, die inmiddels een kleine plas vormen. Op den duur helaas een plas waarin ik voorspelbaar zal verzuipen.’

Nee, leer het nu eens eindelijk: niet die verdomde metaforen. Vooruit met de geit, opnieuw.

Dichter tegen wil en dank.

Het hele werk van Vaandrager heeft een sterke samenhang: hij is een dichter van één thema. Binnen die samenhang heeft ieder werk een eigen, onvervangbare plaats. Wat betreft Ik wordt: de ik op zijn minst schuldig aan huisvredebreuk. Zijn zinnen blijven maar door mijn hoofd spoken.
____

Harry Vaandrager (2018). Ik wordt. het balanseer/In de Knipscheer, 58 blz. € 15,- ISBN 9789062659951

Geplaatst in Recensies.