Margreet Schouwenaar

Margreet Schouwenaar (1955) werkt als pedagoge bij een opleiding voor leraren basisonderwijs. Zij was van 2009 tot 2018 stadsdichter van Alkmaar. Zij heeft elf dichtbundels op haar naam staan. In 2016 verscheen haar verzameld werk Woorden op zinnen gezet (Liverse). Haar nieuwe dichtbundel De overmaat van ontbreken verschijnt daar in januari 2019; we mogen hieruit drie gedichten plaatsen.
Schouwenaar schrijft eveneens kinderboeken. Van haar hand verschenen tien kinderboeken.

foto Hannah Schouwenaar

 

 

Suikergras

Taal zo buigzaam als riet in de landerige wind,
zo onbereikbaar als iets te chic, zo verpletterend
als de ornamentiek van druiven. Leer mij zwijgen

of op z’n minst luisteren naar de drang om te bestaan
in een uitdijend heelal waar meningen wervelen,
muteren, kolken, verbeten strijden om een gelijk.

We hebben het over naasten. Taal is de zin die
we geven, zodat we niet hoeven te begrijpen, niet
hoeven te omhelzen. Wind waait geheugen weg.

We weigeren weten, kiezen voor weerloos vergeten
zodat ontroering herhaald kan worden door het
grauwe aanbod van de treurbuis. In dit hier, dit nu,

niets zo bedrieglijk als een woord. Dus laat mij
zwijgen of liever het verstommen toonzetten:
hoe klinkt je lach, waar ruik je naar? Geen woord

dat past: smoelsereen, suikergras. Alles wordt
nieuw of hoe ik je uiteindelijk toch nog bedacht.

 

Avonden

Avonden waarin de dag leert zwijgen,
de konen van mijn moeder donker
kleuren; de woorden van dokter Rossi
lichtjes hijgen. Het is het niets dat ik
zoek, zomaar de geur van Lucky Strike,
zandkoek en zij ook eens niets dan
Rodney en Betty. Soap vol echt verdriet.

Ik doe het over op papier. Stof genoeg.
Hoe ver reikt de echo van het geheugen,
het zintuig van een geschiedenis? Er was
koffie met Buisman en chocola. Zij puur
en ik melk; uitgeruild mokka. Welk
verhaal helpt het kind dat groot moet,
biedt onthaal en enige zekerheid?

Een wonder baat en Allison die de serie
voortijdig verlaat. Groeien doet maar wat;
514 afleveringen lang. Tijden worden
aangebroken. Moeders sterven, series
kennen vergetelheid. Alleen het geheugen
bouwt kastelen, een hof van geschild
bot en geroofde hoofden. Daar waar

verwachting bevalt, afwezigheid kamers
bewoont, zijn de avonden een doek waarop
schaduwen lengen. Ik kijk steels naar haar
toen en mij eens. We zijn niet echt, we spelen
reeksen vol verlangen, zachte ban en zoeken
er de kleinste nerven van en straks nog voor
we botsen wend ik mijn wang. Wat geheugen

niet redden kan, een avond niet kan tomen;
waar armen niet bij kunnen komen.

 

Mijn moeder

De nacht dat je licht verdween en ik
niet wist waar ik mij moest zoeken,
wilde ik je alle woorden schrijven die
ongezegd bleven: over de weg achter
mij, de weg voor mij, over dat ene
ogenblik dat je losscheurde, de afdruk
van je afwezigheid, maar de gordijnen
werden gesloten, je lichaam gewassen
en ongezien werden je ogen. Er bleef
zelfs geen glimlach achter, geen kier;
ook beloftes lieten geen hoop na. Wat
moest ik met al die woorden nu de tijd
niet langer zacht en aanraakbaar was, nu,

nu alle namen afgeslacht leken en elke
ontmoeting op voorhand besloten. Nu
elke beweging, elke ademtocht eindig bleek.
Wat moest er van mij worden nu alles week,
nu alles zonder ophef zwichtte voor tijd
en ik nog altijd van de wereld hield, van
elke geboorte, elk bestaan, elk afscheid.

Die zomer, weet je nog, ik hield je hand,
je blik was voor een ander, je mond, je
gebaren; jij liet los en ik, vijf, gleed in zee.
De zee die geen einde kent, onbekend
stroomt, trok mij mee. Je zag het niet.
Eb golfde me weg, tot in het bereik van
een ogenblik, dat ene snijvlak in de tijd,
jij met een beweging een einde maakte aan
mijn eenzaamheid. Wil je dat nog een keer
doen, nu, zodat we op dat punt waar alles
herhaald wordt en begint, zodat we, we,
bij de weg, de weg naar het huis dat niet
meer bestaat, uitkomen?

 

uit De overmaat van ontbreken, te verschijnen januari 2019 bij Liverse

Geplaatst in Gedichten.