Michel Bartosik – Berichten uit het sorteercentrum

Kleine postbode tussen grote pakketten

door Peter J.R. Vermaat

Het voordeel van het recenseren van poëzie-uitgaven is dat je regelmatig kennismaakt met auteurs, van wie je niet eerder gehoord hebt en wier publicaties je ‘in de vrije wildbaan’ waarschijnlijk nooit ter hand zou nemen. Zo beken ik dat ik voordien zelfs nog nooit van Michel Bartosik (1948 – 2008) gehoord had. Deels is dat niet onverklaarbaar, daar Vlaamse dichters over het algemeen bekender zijn in hun eigen regio dan in Nederland, daar Bartosik geen productieve dichter is geweest en daar, zoals althans door verschillende auteurs op het web wordt gesteld, hij door gezaghebbende of invloedrijke schrijvers en beschrijvers als Hugo Brems zorgvuldig genegeerd werd.

De essaybundel ‘Berichten uit het sorteercentrum’ is uitgegeven door het Poëziecentrum ter gelegenheid van zijn zeventigste geboortedag en bevat de bijdragen die Bartosik de laatste vijf jaar van zijn leven schreef voor de gelijknamige rubriek in de Vlaamse Poëziekrant.. Een aantal essays bespreekt een enkele dichter, de overige wijden zich aan meerdere dichters aan de hand van een thema. Dichters waarbij Bartosik zich, gezien de teksten, blijkbaar wel voelt, zijn in het Nederlandse taalgebied Jan Six van Chandelier, Guido Gezelle, Jan Hendrik Leopold, Jacques Hamelink, Wilfred Smit en Willem Jan Otten en in het Engelse taalgebied Charles Hamilton Sorley, Edward Thomas, Ivor Gurney en Philip Larkin. Uit de eerste groep kende ik Smit niet en de anderen redelijk, uit de tweede Larkin nauwelijks, en de anderen in het geheel niet.

Maar hoe een essaybundel te bespreken? Gezien mijn beperkte kennis van de genoemde dichters vertrouw ik het mezelf niet toe om op basis van de inhoud van de essays met Bartosik in debat te gaan. Daarbij komt dat op de kwaliteit van de stukken of de stijl weinig valt aan te merken. Ook mag, gezien de verantwoording in het nawoord, deze beperkte verzameling teksten, die bovendien niet door de auteur geautoriseerd is, de bundel evenmin gezien worden als een in de ogen van Bartosik zelf representatief deel van zijn kritisch proza.

Om duidelijk te maken op welke wijze Bartosik in zijn essays te werk gaat, is het mogelijk zinvol om te beginnen met een van zijn eigen gedichten. Na enig speurwerk vond ik er drie op het web, waarbij dus opnieuw expliciet moet worden gemaakt dat ook deze teksten niet representatief mogen worden geacht voor de stijl en het ‘poëtisch eigene’ van Bartosik. Ik merkte er echter een bruikbare parallel in op:

Stilleven met lichtheid en zwaarte

Tot gevoellooswordens toe
voorovergebogengebleven maar
daar de hand
slaapt bij het potlood, het licht
is overgegaan, het blad op het kleed
is mee gaan geven, kaarsvet eeuwigdurender
sierlijk drupt en de vingers zijn hun mens
vergeten – alles: alles, die
albedervende gehoudenis
zonder dewelke
niets.

Jaloers bewaakte droom –
ze laten er geen schaduw van
los, het onovertrefbaar opgeschikt
knokenmechaniek, het steeds onwaarschijnlijker
tot onherinnerbaarheid
ontstoffelijkend
zelfde pot
lood van
hout.

[overgenomen van: schrijversgewijs.be]

Zoals Bartosik in bovenstaand gedicht omgaat met de taal, zo gaat hij eveneens in zijn essays te werk. Hij lijkt nog het meest te vergelijken met een archeoloog in de afrondende fase van een opgraving, waarbij de reeds grofweg blootgelegde vondsten met mini-troffeltjes, kwastjes en haakjes van de laatste restjes zand of klei worden ontdaan en vervolgens minutieus gefotografeerd. Om de vergelijking recht te doen, voegt Bartosik daaraan nog een uitgebreide annotatie aan toe.

In het merendeel van de teksten gaat hij voornamelijk in op de filosofische aspecten van de besproken poëzie en de daarbij behorende taal. Hij beperkt zich echter meestal tot de aan de taal gekoppelde betekenissen en het verloop of de omkering daarvan in de context van het gedicht. In die zin is hij meer in de scholastieke traditie te plaatsen (met zijn veelheid aan taalnuances om de exacte betekenis maar zo sterk als mogelijk te bepalen) dan in de humanistische (waar de taal meer dienst doet als associator en minder als definitor). Bartosik is van nature geen klankdichter en laat na, ook wanneer hij er ruimschoots de gelegenheid voor heeft, in te gaan op met name die kwaliteiten van een geciteerd gedicht.

Dat wil echter niet zeggen dat hij doof is voor de klanksensatie van taal, althans dat is mijn vermoeden. Ik kom daar dadelijk op terug.

Vanwege het enigszins polemische karakter ervan staat het dubbelessay They turned the village band on us enigszins afgezonderd ten opzichte van de overige essays in de bundel. In het stuk bindt Bartosik op de hem eigen milde, maar daarom niet minder resolute wijze de strijd aan met W.B. Yeats, die met opzet het werk van de Britse ‘oorlogsdichters’ (uit WO I) wegliet uit de ‘oogst 1936’-versie van het Oxford Book of Modern Verse. Hoewel Bartosik Yeats’ poëzie hoogacht en blijkbaar ook geen moeite heeft met het afserveren van de ‘jingo-’ (de Britse variant van chauvinisme) dichters als Owen, Sassoon en Graves, verzet hij zich tegen het door Yeats moedwillig negeren van enkele dichters die in hun oorlogspoëzie de ontmenselijking sterk voelbaar hebben gemaakt. Daarbij citeert Bartosik een gedicht van de dichter Edward Thomas (1878-1917), een succesvol schrijver en criticus die op advies van Robert Frost gedichten was gaan schrijven, van wie slechts 144 gedichten zijn overgeleverd. Geen enkel hiervan dateert van na zijn verscheping naar Frankrijk op 29 januari 1917, Thomas sneuvelde op 9 april 1917 tijdens de Slag bij Arras:

Rain

Rain, midnight rain, nothing but the wild rain
On this bleak hut, and solitude, and me
Remembering again that I shall die
And neither hear the rain nor give it thanks
For washing me cleaner than I have been
Since I was born into this solitude.
Blessed are the dead that the rain rains upon:
But here I pray that none whom I once loved
Is dying tonight or lying still awake
Solitary, listening to the rain,
Either in pain or thus in sympathy
Helpless among the living and the dead,
Like a cold water among broken reeds,
Myriads of broken reeds all still and stiff,
Like me who have no love which this wild rain
Has not dissolved except the love of death.
If love it be for what is perfect and
Cannot, the tempest tells me, disappoint.

Naast de herhaling van de zachte o-klanken is het vooral het ritme dat indruk maakt op mij als lezer. Het elegante ritme waarop de Engelstalige poëzie, in elk geval sinds de sonnetten van Shakespeare, het patent lijkt te hebben, en wat zo prachtig te horen is in bijvoorbeeld Thomas Gray’s Elegy written in a country churchyard (1751):

The curfew tolls the knell of parting day,
.            The lowing herd wind slowly o’er the lea,
The plowman homeward plods his weary way,
.            And leaves the world to darkness and to me
[…]

[overgenomen van www.poetryfoundation.org]

In het essay laat Bartosik zien hoe de transformatie heeft plaatsgevonden van Thomas’ dagboeknotities naar het geciteerde gedicht, waarbij soms passages als het ware al gereedstonden om ongewijzigd in het gedicht een plek te krijgen. Maar het kan geen toeval zijn dat Bartosik juist dit gedicht citeert. Ik vermoed dat de verwijzing naar de dood van zovele ongenoemden en onnoembare vreemden en geliefden hem in zijn ‘bewijsvoering’ tegen Yeats goed uitkwam, maar dat de kwaliteit van het gedicht als zodanig hem een verder onbenoemd argument in handen gaf: doordat Yeats zichzelf programmatische beperkingen oplegde, liet hij de kans om een prachtig gedicht op te nemen aan zich voorbijgaan. Wie zich moedwillig blind maakt voor de intrinsieke kwaliteit van een gedicht, begaat daarmee een grotere ‘zonde’ dan wie wat oorlogservaringen op de koop toe neemt, lijkt Bartosik hiermee te zeggen. Lijkt, want hij zegt het niet expliciet. Zo geeft hij de lezer, ook in zijn essays, meer dan hij strikt heeft opgeschreven. Een beter bewijs van zijn dichterschap is naar mijn mening niet te verkrijgen.

Daarbij blijft hij zich zeer bescheiden opstellen. Bartosik lijkt zich in het sorteercentrum te voelen als een kleine postbode tussen grote pakketten, waaraan hij kan ruiken, waartegen hij lichtjes kan kloppen, maar waar hij verder buiten blijft, onmogelijk in staat (en bereid) om ze te openen. Het is kenmerkend voor Bartosik dat hij ook in dit opstel het laatste woord laat aan de poëzie, in plaats van in een afsluitende alinea zijn punt nogmaals te maken. Datzelfde zal ik daarom ook doen, door het citeren van het einde van het afsluitende essay (over Constantijn Huygens sr) in de bundel:

‘Het is pas in het slotcouplet dat Huygens ons confronteert met zijn soms zo verbluffende moderniteit. Het is een oeroude les die hij ons leest – de formulering zit onze tijd als gegoten:

.            Wy moeten ons elck een als vreemdelingen lesen;
.            Dan kan elck, en niet eer, sijn eigen rechter wesen.’

Geplaatst in Geen categorie.