Klassieker 225: Mieke van Zonneveld – Queeste

Meander Klassieker 225

Het gedicht ‘Queeste’ van Mieke van Zonneveld werd op 21 juli 2018 op Neerlandistiek.nl gepubliceerd in het kader van Marc van Oostendorps langlopende project ‘Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten’. Geen klassieker in de zin van ‘de tand des tijds doorstaan’. Inge Boulonois was echter direct door dit gedicht gefascineerd. Ze legt voor ons enkele geheimen van dit sonnet bloot. Maar de lezer moet ook zelf aan de slag: het laat ook na herhaalde lezing veel te raden over.

Queeste
_
Valencia lokt hem naar haar kathedraal
ontbloot voor zijn ogen het hart van de stad
haar gotische poort en haar heilige graal
die eenmaal gevonden geen waarde meer had.
_
Hij hangt de toerist uit en kuiert langs pleinen
die aangenaam stralen in laatwinterlicht
kust andere borsten en denkt aan de mijne
die wit zijn en heilig en altijd uit zicht.
_
En ik die al veertien jaar woon in gezangen
mijn liefdesverklaringen schreef in de wind
vanwaar raak ik plots in de ban van dit wrange
_
besef dat ik mij op een tweesprong bevind?
En hoe kom ik af van dit bange verlangen
naar rijtjeshuis, echtgenoot, kind?
_
_

Mieke van Zonneveld (1989)

uit: Grappen, wijn, volgehouden mensenhaat en poëzie (2018)
uitgever: Laurens Jz. Coster

Met ‘Queeste’ maakte ik kennis via de mailing van Neerlandistiek.nl en was direct door dit gedicht gefascineerd. Het maakt deel uit van Marc van Oostendorps langlopende project Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten. Voor het laatste deel van deze bewonderenswaardige onderneming is aan veertien vooraanstaande, hedendaagse vrouwelijke dichters verzocht een sonnet te schrijven. Ook Mieke van Zonneveld kreeg dit verzoek en gaf er op unieke wijze vorm aan.

Zoals de meeste sonnetten telt ‘Queeste’ twee kwatrijnen en twee terzetten. Het rijmschema, hier abab cdcd efe fef, heeft zowel mannelijk als vrouwelijk eindrijm. Zeer opmerkelijk is het drielettergrepige metrum, de amfibrachys – een heffing geflankeerd door twee dalingen zoals in deze regel van De Génestet: ‘o, tintel / uw hart in / den druk van / uw hand’. Die versvoet, waarover Bronzwaer een kwart eeuw geleden in Lessen in Lyriek schreef dat deze in onze taal geen recht van bestaan heeft, werd nog het meest bekend door de limerick, maar verder zijn er weinig amfibrachische gedichten. Sonnetten in deze maat moet je al helemaal met een lampje zoeken. Ik ken er slechts één: ‘Vrouw’ van Harmen Wind – een vers dat Komrij vanaf 1996 een plaats gaf in zijn poëziebijbel.

Het schrijven van een amfibrachisch sonnet is geen sinecure! Daarvoor moet je de nodige praktijkervaring met metra bezitten. En dat heeft Van Zonneveld zeker, want hoewel ze gewoonlijk vrije verzen schrijft, zijn die meestal metrisch, anders zou ze niet zo’n amfibrachische meesterproef kunnen volbrengen. ‘Queeste’ bevat één afwijking: de slotregel bevat drie in plaats van vier versvoeten, een deviatie die een facet van de betekenis releveert – waarover later.

Het sonnet staat in de tegenwoordige tijd, de taal komt direct en helder over. Metrum en assonantie maken het tot klinkend vers: haar/kathedraal, ontbloot/ogen, hart/stad enz. De lange a-klank komt in dit gedicht relatief frequent voor, waardoor het enigszins klagerig overkomt, wat goed aansluit bij de titel ‘Queeste’. Dit betekent naast ‘speurtocht’ ook: onuitvoerbare, onmogelijke opdracht die men zichzelf gesteld heeft.

Centraal in de eerste strofe staat een kathedraal in Valencia die een man verleidt binnen te komen. Het kan niet anders dan de eeuwenoude Catedral de Santa María de Valencia zijn die zich als religieus hart van de stad aan de man laat zien. Niet alleen is die kerk een gotische kathedraal, het vormt tevens de bewaarplaats van een heilige graal, een ooit in Palestina gemaakte kelk waaruit Jezus tijdens het laatste avondmaal zou hebben gedronken. De calix die ‘eenmaal gevonden geen waarde meer had’ lezen we in regel 4. De annalen vermelden dat het kleinood in de achttiende eeuw viel en in stukken brak. Al wordt de gerepareerde versie niet meer voor de heilige communie gebruikt, het vormt nog wel een voorwerp van aanbidding. Beoogt regel 4 te wijzen op de tijdelijke waarde van concrete zaken, zelfs als het zo’n hiëratische kelk betreft?

Het tweede kwatrijn focust op de man, als toerist genietend van de Spaanse stad. Hij kust ‘andere borsten en denkt aan de mijne’. Met het bezittelijk voornaamwoord verschijnt het dichterlijk ik dat zich kennelijk op afstand van de man bevindt. Dit kan op hun beëindigde relatie slaan. Dan volgt ‘denkt aan de mijne / die wit zijn en heilig en altijd uit zicht’. ‘Wit’ is de kleur van reinheid, ‘heilig’ is vroom. Van Zonneveld komt uit een christelijk milieu. In veel van haar gedichten is God onmiskenbaar aanwezig, al wordt er ook mee geworsteld. ‘Altijd uit zicht’ kun je zowel letterlijk als figuurlijk lezen: ik loop er niet mee te koop, draag geen diepe decolletés versus ik geef mijn hart, mijn innerlijk niet zomaar bloot.

De volta valt samen met de verschuiving naar het lyrisch ik, dat al veertien jaar in gezangen woont – met intertekstuele verwijzing naar Slauerhoffs ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’. Ze schreef liefdesverklaringen ‘in de wind’. ‘Wind’ is onzichtbaar, vluchtig, is adem en geest. Vanuit bijbelse optiek komt wind uit Gods hand, m.a.w. de mens heeft er geen zeggenschap over, het overkomt hem. Moeten we bij ‘liefdesverklaringen in de wind’ denken aan de man of ook aan God als geliefde die, volgens mystieke literatuur, in het hart te vinden is? Of wil zij hiermee de vergankelijkheid van de aardse liefde accentueren?

De ik-figuur raakt plotseling in de ban van het besef zich op een tweesprong te bevinden waar gekozen moet worden om verder te kunnen gaan. Een moeilijke of onmogelijke keuze: lang wonend in gezangen, nu met een wrang besef op een moeilijke tocht te zijn en een bang verlangen naar rijtjeshuis, echtgenoot kind. Het enjambement na ‘wrang’ samen met het rijm op –ang accentueert samenhang. Is ze bang voor het gezinsleven omdat ze niet weet of ze daarin zichzelf kan zijn, of is ze bang dat dit verlangen niet vervuld zal worden, dat ze niemand (meer) zal vinden? Door de deviatie in de slotregel, de eerder aangestipte weglating van een versvoet, eindigt ‘Queeste’ abrupt, alsof er in haar leven ook iets ontbreekt, of er iets afgebroken is, niet af is. In ieder geval heeft de hoofdpersoon bij haar queeste nog een moeilijke keuze te maken.

Evident is dat de misgelopen liefde een staart heeft. Uit het sonnet blijkt dat ze de man in Valencia nog niet heeft losgelaten. Al is er afstand tussen hen, ze schijnt wel te weten waar hij zich bevindt, zelfs wat hij doet. Als lezer kun je speculeren over de wegen waaruit ze moet kiezen. Terug naar hem die aan haar borsten denkt? Wil hij misschien een gezin stichten, kinderen krijgen, en twijfelt zij of ze dat wel wil/kan? Verlangt zij terug naar God als ‘verloren dochter’, hoopt ze misschien op een teken van hogerhand om de keuze te kunnen maken?

Een vraag is ook in hoeverre het lyrisch ik samen valt met Mieke van Zonneveld. Ze debuteerde in 2009 en zal toen al enkele jaren hebben gedicht, de in de derde strofe genoemde veertien jaar kan kloppen. Ook de religieuze invalshoek is een gemene deler. Hoe toevallig is de plaatsnaam Valencia, afgeleid van het Latijnse ‘valens’, wat sterk, krachtig en gezond betekent? Op haar 21e kreeg Mieke van Zonneveld acute leukemie. Voelt ze zich, terwijl ze is genezen, fysiek en psychisch nog kwetsbaar? Vormt de kathedraal een metafoor voor haar lichaam met poort en kelk en de gebroken calix een metafoor voor haar lichaam dat na de ziekte ook niet meer heel voelt? Is God net als de kelk voor haar in stukjes gevallen? Wil ze gewoon leven, zonder de last van een geloof dat soms benauwende proporties kan aannemen?

Hoe helder het intrigerende sonnet ook is geschreven: het laat veel te raden over. Het draait om zaken waar het mysterie van het leven de mens mee confronteert zoals liefde, verdriet, vergankelijkheid, zingeving. De grote vragen zijn door een jonge dichter geprest in een lastige versvoet. Dat is een keuze die zij zelf heeft gemaakt. Maar als vorm mogelijk houvast biedt bij haar queeste.
_
_
Inge Boulonois

____

Mieke van Zonneveld (1989) woont in Amsterdam, ze studeerde aan de VU, is letterkundige en docent Nederlands. Gedichten van haar werden voor het eerst in 2009 gepubliceerd in het ter ziele gegane De Tweede Ronde. Op haar 21e kreeg ze acute leukemie waarvan ze is genezen. In 2014 won zij de vijfde editie van de Turing Gedichtenwedstrijd met het gedicht ‘Nee’. In 2017 debuteerde ze bij De Bezige Bij met de bundel Leger, die een jaar later werd genomineerd voor de VSB Poezieprijs. In januari 2018 is ze voor twee jaar benoemd tot stadsdichter van haar geboorteplaats Hilversum. Onlangs won zij de Eline van Haarenprijs 2018, een vijfjaarlijkse prijs voor de beste jonge dichteres.
_

Meander Klassiekers

In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van alle klassiekers t/m maart 2018.

Reageren op deze bespreking?

Neem contact op met de redactie: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Zelf een bijdrage leveren?

Voor de komende maanden staan al besprekingen ingepland, maar we houden ons altijd aanbevolen voor nieuwe inbreng. Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem svp tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)
_
Eric van Loo, redacteur Meander Klassiekers

Geplaatst in Klassiekers.