Bert van den Helder – Een jaar is vier kwartaal in tweeënvijftig lichte gedichten

Wekelijks een pleziervers

door Inge Boulonois

Gestimuleerd door een locale gedichtenwedstrijd tien jaar geleden, begon Bert van den Helder (1960) met het schrijven van ‘plezierverzen’, een voor light verse door Drs. P bedachte Nederlandse term. Al snel kreeg hij de smaak te pakken met dit debuut als resultaat. De bundel verscheen bij Stichting Korreltje Zeezout, een fonds dat de laatste jaren in het nieuws kwam door de uitgave van de sonnettenkransenkrans: een ingenieuze reeks van maar liefst 211(!) in elkaar gevlochten sonnetten.

Het debuut van Van den Helder is qua omvang heel wat bescheidener. Zijn tweeënvijftig gedichten zijn overzichtelijk ondergebracht in vier ‘kwartalen’ van elk dertien gedichten. Op het voorplat prijkt paginabreed de sigma, het wiskundige sommatieteken. De eerste gedichten hebben als titel ‘Winter’ en ‘Dooi’, het slotgedicht gaat over Kerstmis waardoor je de indruk krijgt dat de verzen strikt aan de tijd van het jaar gelieerd zijn, maar dat verband is niet altijd evident.

Het eerste hoofdstuk wordt ingeleid door ‘Nieuwjaarswens’ (naar Jana Beranová), een beknopt kwatrijn dat meteen mooi de ludieke toon van de bundel aangeeft: ‘Ik wens je een huis / zo warm als een trui is. / Ik wens je een hondje / dat nooit in de rui is.’ Verderop staat dit vrije vers:

Röntgen

Zij kreeg vreemde kriebels
van die laborant
bij het maatschap van radiologen.
‘Of tie dwars door mijn ziel
en mijn nachtjapon keek
met zijn x-ray bruine ogen.’

Van den Helder dicht toegankelijk, luchtig en speels. Zijn onderwerpen zijn zeer divers. Van een schrikkeldag tot een bitterbal, een schoolbank tot een mand, van dieptemeditatie tot een wasknijper: je kunt het zo gek niet verzinnen, of hij kan er een vers over schrijven. Kenmerkend voor zijn dichtstijl is het verrassende slot. Hij zet de lezer kennelijk graag op het verkeerde been om vervolgens met een kwinkslag te eindigen.

Jongetje van zes

Om dit kasteel graaf ik een gracht
en vul het met mijn emmer.
Ik vis garnalen uit de zee
en spetter naar een zwemmer.

Ik vind wel honderd schelpjes
die geef ik aan een meisje.
Mijn vlieger gaat het allerhoogst
en straks krijg ik een ijsje.

Dan snel die strandbal achterna
de wind heeft hem te pakken.
Ik zie bij mama op haar schoot
hoe daar de zon gaat zakken.

Zo’n dagje spelen op het strand
– ik laat het haar niet merken –
is voor een stoere knul als ik
de hele dag hard werken.

Van sommige verzen spat het ritme door rijm en metrum eraf. Zo luidt de beginstrofe van het zomerse ‘Santo Antão’: ‘Het meisje vlindert’ / ongehinderd / op haar slippers naar benee. / Langs terrassen / vol gewassen / schrift en boeken draagt ze mee.’ Zo’n vers zou op muziek gezet moeten worden!

Lezend passeren een flink aantal versvormen de revue, zoals sonnetten, snelsonnetten, kwatrijnen, kwintijnen en rondelen. ‘Psyches ballade’ is zelfs een ballade à double refrain. De bundel bevat verscheidene vrije verzen, al is het merendeel daarvan metrisch met (incidenteel) eindrijm. Alle verzen ogen of ze zo uit de pen zijn gevloeid, maar bij dit genre poëzie vereist het samenspel van vorm en vent normaliter het nodige denkwerk.

Het volgende vers is opgebouwd uit vijf vormvaste kwintijnen.

Zwaan

gedragen door de zwarte nacht
de zwaan drijft op het water
geen enkel spatje op de vacht
het kleine hoofdje rust zo zacht
ver weg klinkt wat gesnater

in het gladde verenpak
de snavel weggestoken
de vleugels rusten met gemak
de pennen sluiten als een dak
van smalle witte stroken

de zwaan is zo zijn eigen boot
zijn eigen ledikantje
zijn bed, zijn eigen kussensloop
een zachter dons is niet te koop
in heel ons Nederlandje

Enkele kanttekeningen. Natuurlijk zijn niet alle verzen even geestig, maar dat is normaal. De afsluiter van de bundel, ‘Kerst’, is i.t.t. tot de meeste gedichten ametrisch en bezit geen eindrijm. De regelafbrekingen zijn af en toe abrupt, ze vallen op plaatsen die grammaticaal alogisch zijn. Neem r. 4: ‘van glitters om de beste plekjes tussen de’. Dit fenomeen komt trouwens ook regelmatig voor bij dichters die exclusief vrije verzen schrijven. Het is dan of er af en toe abusievelijk op de entertoets is gedrukt. Het is een treurige trend dat de betekenisvolle stijlfiguur van het enjambement verwaarloosd wordt!

Tot slot is de inhoudsopgave in een veel kleiner font gedrukt, hetgeen voor oudere ogen, zoals de mijne, niet lezersvriendelijk overkomt terwijl toch als bekend mag worden verondersteld dat vooral ouderen een substantieel deel van boekenlezers vormen.

Echter, alles bij elkaar is Een jaar is vier kwartaal in tweeënvijftig lichte gedichten goed voor een ferme dosis leesplezier. Te laat voor in de schoen, maar gelukkig wel vroeg genoeg om de kerstdagen extra licht te maken. En lezers die daarna nóg meer licht willen voor donkere dagen, kunnen terecht op de site van Bert van den Helder http://lichteverzen.nl .

____

Bert van den Helder (2018). Een jaar is vier kwartaal in tweeeënvijftig lichte gedichten. Stichting Korreltje Zeezout, 67 blz.. € 17,50. ISBN 9789402183207

Geplaatst in Recensies.