“Het woord is zwak geworden”

Koen Stassijns (Ninove, 1953) is dichter, vertaler, verteller, anthologist en docent literaire creatie. Hij publiceerde bij Lannoo de dichtbundels Aanmaaktwijgen van een vuur (1988) en De vergeethoek van de slaap (1990). Paard van glas (1993) verscheen bij de Arbeiderspers en in 2000 verscheen bij Atlas Zwijghout.
Met Ivo van Strijtem verzamelde hij in de bundel In de luwte (2012), een klein overzicht uit eigen werk en vertaalwerk. Vertaling en bloemlezing van Emile Verhaeren verscheen onder de titel Veerman (2016).
Met Geert van Istendael vormt hij een vertaalduo en vertaalde hij vele Waalse dichters, poëzie van W.B. Yeats en van Bertolt Brecht en diens leerling Heinz Kahlau, evenals chansons van Jacques Brel.
Hij gaat regelmatig op tournee met kunstenaars uit andere disciplines – onder andere met wijlen Bram Vermeulen, Guido Belcanto, Warre Borgmans, Arco Baleno… – want ‘Een gedicht is een gebruiksvoorwerp’ en ‘Poëzie moet uit haar boeken treden!’
Alja Spaan ging in gesprek met hem.

 

 

Uw laatste eigen bundel Zwijghout werd in 2000 goed ontvangen. Het thema ‘het genezen van het woord en het genezen van het zwijgen’ heeft een nu al jarenlange stilte van eigen werk tot gevolg?
Ja, je kan dat een uiterste vorm van literaire consequentie noemen: een dichter moet zwijgen tot hij iets te zeggen heeft. Zwijghout onderzocht niet alleen de mogelijkheden van een genezingsproces ten gevolge van het schrijven en/of het zwijgen maar ook de relevantie ervan, de diepere betekenis Wij zwijgen op vele verschillende manieren. Ik wilde dat onderzoeken.

 

WIS DE SPOREN

Wis de sporen, lief, maar laat de lichte afdruk
van een halve hoefslag achter, een dwaalspoor
dat als een hemeling vernevelt in de golven.

Niet een zal de vlucht die je nam kunnen volgen,
maar geen zal vergeten dat jij er ooit bent geweest.
Steeds draagt de lucht een wolk met jouw contouren mee.

Wis de sporen, lief, dein uit in het oneindige
waar een nieuwe tijd naar je lacht, waar het weinige
dat je altijd verwachtte eindelijk wordt volbracht.

Zie, wie naar je luistert, legt zijn oor aan een bron,
en wie naar je kijkt, bereikt het oog van een zon
uit een oude eeuw die niet wijkt voor het duister.

Wis de sporen, lief, geen mens mag weten waarheen
je bent gegaan. Zoals ook niemand mag verstaan
in welke golf je klaarte niet schuilde maar scheen.

Alleen ik weet waarom en waar je bent verdwenen.
Loop op je tenen, lief, kom binnen in mijn dromen.
Daar zal je niet verloren gaan. Maar, wis de sporen.

Is het voldoende werk van derden te vertalen?
Ik houd enorm van vertalen. Ik vertaal uit het Duits, het Engels en het Frans naar het Nederlands. Gedichten stoppen aan hun taalgrenzen, hoe universeel ze ook zijn. En dat in tegenstelling tot beelden en klanken. Gedichten vertalen betekent dat je ze optilt over hun ‘taalgrens’ heen. Je ontsluit ze, je zet ramen en deuren open bij diegenen die ze wel willen ontvangen maar ervan afgesneden blijven omdat ze de brontaal niet machtig zijn. Kortom: je opent een raam op de wereld waardoor je een rijkere diversiteit aan inzichten en begrip mogelijk maakt.

De kern van je vraag is natuurlijk: kan dat vertalen een voldoende equivalent zijn van het schrijven van eigen werk? En dan antwoord ik: Ja, zelfs gedurende een lange tijd maar soms ontstaat de drang om de dienende rol van de vertaler te verlaten en weer eigen werk te schrijven en te publiceren. Het vertalen van poëzie van anderen kan een zeer goede inspiratiebron zijn en een impuls tot het schrijven van nieuw eigen werk. Heel concreet: het jarenlange vertaalwerk dat ik ondernam om Veerman (Lannoo, Tielt, 2016), een representatief overzicht van het werk van Emile Verhaeren te kunnen publiceren, is op een natuurlijke manier overgegaan in het opnieuw schrijven van eigen nieuwe gedichten.

In hoeverre speelt de angst voor de leegte, zoals u die zo ontroerend verwoordde in uw Moedergedicht in de bundel Zwijghout nog een rol?
Die angst is fundamenteel en is gaandeweg uitgegroeid tot het grootste vraagstuk tijdens mijn leven. In de angst voor de leegte schuilt natuurlijk ook de angst voor de dood, het ultieme ‘niet-bestaan’, nadat je je hele levensreis verkleind hebt tot een ‘fluim in het universum’. Weet je, ik wil zinvol zijn maar tegelijkertijd twijfel ik aan de zin ervan. Ik heb vier kinderen, drie dochters en een puberende zoon: hij doet me twijfelen aan het zinvolle van mijn twijfels.

U vertaalde ook werk van oorlogsdichters en gaf een aantal lezingen onder de titel Poëzie op alle fronten. Een vertelling over liefde in tijden van oorlog. Dat is naast maatschappelijke betrokkenheid opnieuw verslag doen van existentiële eenzaamheid, leegte en dood, lijkt me, in weerwil van de titel.
WOI is op vele vlakken gedegenereerd tot een ramp van ongeziene omvang. Hij is een litteken geworden dat op alle vlakken een breuklijn werd maar ook de wieg van het nieuwe Europa. Nederland was neutraal, België wilde dat ook zijn maar werd door zijn strategische ligging meegesleurd in een uitzichtloze oorlogssituatie. WOI is onder meer het gevolg van de moeheid van een continent waarin de democratieën zichzelf hadden uitgehold en vele naties terugplooiden op zichzelf, met name op een vaak misselijk makend nationalistisch discours. Natuurlijk leidt elke oorlog tot eenzaamheid, leegte en dood en kan je als pacifistisch mens daar weinig tegenoverstellen. Mededogen, compassie, een universeel begrip voor de morele waarden die naties zouden moeten verbinden. Maar de werkelijkheid is veel wreder en de uitkomst is altijd dat de kleine weerloze mensen de rekening betalen van de misère die boven hun hoofden wordt aangericht. Als je het cynisme bekijkt waarmee leiders als Orban, Erdogan, Trump etc. handjes schudden met zogenaamde democratische leiders, walg ik en besef ik dat daartegen niets te ondernemen valt. Ooit hebben gedichten revoluties ontketend in tal van landen. Ik vrees dat die tijd voorgoed voorbij is. Het woord is zwak geworden.

Vriendschap is bijzonder waardevol, Ivo van Strijtem met wie u bloemlezingen samenstelt, is een jeugdvriend. U moet elkaar door en door kennen. Blijft een stuk van ons niet altijd ondeelbaar stuk: is gemis niet inherent aan het leven?
Ja, daar heb je zeker een punt. De decennialange vriendschap tussen Ivo en mij heeft door de vele jaren heen een complexe gelaagdheid gekregen. We maken al 35 jaar lang samen de boeken die we wilden maken. Met dank aan de uitgeverijen Lannoo en Atlas. Maar we zitten niet op elkaars schoot, we houden een rustige afstand, zeker tot elkaars eigen werk. Onze karakters verschillen, ook onze ‘literaire smaak’: elke bloemlezing die we samen hebben gemaakt is het resultaat van een compromis. We hebben allebei wel het gevoel dat we complementair zijn en tijdens het samenstellen van de vele bloemlezingen hebben we er altijd op toegezien om ‘intellectueel correct’ te zijn zonder meedogenloos te worden. We hebben nooit iemand uitgesloten.

U werd samen met hem tot de neo-romantici gerekend waartegen u zich verzette. In de bundel Paard van glas zegt u ‘Ik hoor nergens bij maar verzamel’. Dat bent u blijven doen. Hoe is het nu gesteld met de literaire verdraagzaamheid in het Vlaamse poëzielandschap?
‘Ik verzamel’ betekent niet dat ik bloemlezingen maak, maar dat ik alle indrukken die op me afkomen, probeer te absorberen. Ik lig niet wakker van een beperkende classificatie. Het interesseert me niet waartoe ik hoor, ik ben liever dakloos, maar noem me, als ik zonodig in een vakje moet, een neo-romantische dichter en dat ben ik dan graag. Ik probeer de lezers te ontroeren, bij het nekvel te grijpen. In mijn poëzie zit gevoeligheid maar geen sentimentaliteit. Het gevoelsleven van de mens is het hoofdthema van mijn werk. Ik maak een aantal voor de buitenwereld anonieme mensen aanwezig omdat ze bijzonder zijn voor mij, en ga ervan uit dat zij door hun herkenbaarheid ook universeel zijn. Ik wil ze bewaren, een ontegensprekelijke opdracht van de poëzie, en hen even optillen boven de anonimiteit uit waartoe we tenslotte allemaal veroordeeld zijn.

 

MIJN ENGEL

Ik heb het lied gehoord van een hemeling.
Zij streek neer uit een voorzomerzon en
zong over de dubbele wereld in haar.
Almaar twijfelend waartoe ze behoorde
bleef ze pendelen tussen twee polen in.
Haar glazen stem vroeg zich andermaal af
hoe de hoogste top te bereiken zonder
eerst naar een dieptepunt te moeten gaan.
En als het zwart het overnam, hoe kon
zij dat dan met een lichtval vergelijken?
Soms vernevelde ze haar woorden in
een vibrato dat de zinnen deed doven.
Als schudde zij de veren uit een deken
over de harde wegen van een bestaan
waarin ze niet kon leven noch geloven.
Ik weet niet of ik haar ooit heb begrepen.
Zij raakte mij met klaarte aan en sloeg
een vleugel over mijn schouder. Ik hoor
haar echo nog, al is zij eeuwen ouder,
al kwam haar gezang nooit hiervandaan.

De overheersende onverdraagzaamheid van het postmodernisme is verdwenen. De belangrijkste adepten ervan zijn met literaire prijzen overladen en ingedommeld. Of ze hebben (cfr. Stefan Hertmans) hun mening ‘bijgesteld’ wat een teken van intellectuele souplesse is. Ik beken mij niet tot enig isme. Jarenlang werd ik in Nederland geserveerd als de romantische dichter die dé tegenpool was van de postmoderne Dirk Van Bastelaere. We werden uitgenodigd tot debatten die uitdraaiden op theoretische monologen van Dirk. Ik herinner me nog de Stichting Perdu: ik was ziek die avond en Dirk greep zijn kans en hield een gloedvol pleidooi. Ik kreeg er amper een woord tussen. Na afloop bedankte hij mij voor de ‘leuke dialoog’. Ik heb hem toen gevraagd om in Van Dale te kijken naar de betekenis van het woord dialoog en of hij het woord ‘monoloog’ niet kende. Hij lachte even.

Ik weet dat het vandaag bon ton is om ‘podiumdichter’ te zijn. Het theatrale ‘instant-effect’ van de woorden neemt het over van de inhoud, de grappen zijn vaak dun, de ego’s te vet. Het verschil tussen ‘houding’ en ‘inhoud’ is één letter: de letter g van godverdomme of godnogaantoe. Maar mijn lezingen zitten altijd vol humor. Zelfs mijn lezing over de Groote Oorlog – geef toe: geen lichtvoetig onderwerp – bevat vele subtiele en van de pot gerukte grappen en ook een aantal grappige gedichten. Toch blijft de inhoud primeren op de ‘vorm’ en streef ik diepgang na en ontroering.

Tijdens het docent zijn, constateerde u dat veel aankomende dichters ten onrechte meenden dat poëzie vanuit het gevoel moet worden geschreven. U stelde dat schrijven uit het denkproces ontstaat. Eerst is er de waarneming, daaruit ontstaat iets. Welke dichters heeft dit opgeleverd? En is dichten wel te leren?
Er moet eerst en vooral een talent zijn dat verder ontwikkeld kan worden. Dan valt dichten tot op zekere hoogte te leren, je kan een aantal technieken aanleren. Je kan als docent ook een aantal fundamentele inzichten aanreiken vanuit je ervaring. Eén ervan is: schrijf beter niet als je je in het oog van een emotionele storm bevindt. Wacht tot die kanonnade van gevoelens is bedaard en gerijpt is tot een ervaring. Wacht dus tot er een gezonde afstand is ontstaan tussen jou en je tekst waardoor je een betere, meer objectieve criticus geworden bent van jezelf. Schrijf ook eens over wat je ziet in plaats van wat je voelt… Een goede dichter moet, zoals elke kunstenaar uit gelijk welke discipline, goed leren kijken, naar, door en achter de dingen. Het kan je verbeeldingsvermogen alleen maar aanscherpen.

Ik heb niet echt vele cursisten gehad – een cursus bij me volgen is een zeer vermoeiende bezigheid (lacht) – maar ik ben bijzonder trots dat enkelen van hen doorgebroken zijn: Sofie Verdoodt, Femke Vindevogel, Geert Jan Beeckman, en laatst nog Leen Pil… originele talenten die inmiddels terecht ‘meedraaien in het circuit’.

MIJN KIPPEN
1.

Een van mijn vijf kippen is gestorven. Vanmorgen
keek ze nog meewarig naar haar zusters die het
keukenraam patent en pittig stonden aan te pikken.
Een ritueel dat wij maar matig konden slikken.

Zelf deed ze niet mee. Ze bleef aan de kant, eerbiedig
op een afstand als belichaamde zij het publiek
dat nooit in grote getale opdaagt voor het banale.
Of het om pikorde ging, viel niet te achterhalen.

Zij was het buitenpootje, hield zich steeds afzijdig,
en moeide zich – uit intellect, respect, verdriet? –
niet met het tikkende kwartet en diens atonale
ochtendmuziek. Ze vond het al bij al een zootje.

Vanmiddag lag ze nog te zonnen in een kuil,
haar vleugels uitgestrekt op het geblakerd gras.
Maar toen ik ze ging voeren, lag ze op haar zij,
verstild, verstijfd. Plots wist ik dat ik eenzaam was.

En vele vragen over leven en dood schoven
onder de donkerende wolken door me heen:
Zou er daarboven een kippenhemel bestaan
of gaan ze terug naar het Enige Ei

waaruit ze zijn ontstaan? En waar belanden wij?

Wordt de inhoud beperkt door de vorm?
Neen. Kijk naar een voetbalveld of een basketbalveld. De afmetingen van die ‘speelvelden’ liggen vast. Op dat terrein moet het gebeuren. Als je als dichter jezelf een vorm oplegt, bijvoorbeeld die van een sonnet, dan kan die vorm je houvast bieden, veiligheid zelfs.
En bovendien kan zo’n vorm je een discipline opleggen om het karige maal van de woorden niet te laten ontsporen in een bacchanaal waarin je alle controle verliest.

Uw samenwerking met kunstenaars uit andere disciplines heeft tot doel ‘Poëzie uit haar boeken te laten treden!’ Waarom is dit noodzakelijk volgens u?
Eerst en vooral haalt zo’n samenwerking de poëzie uit het verdomhoekje, uit de sloppenwijk van de literatuur. Poëzie moet ongemeen hard tekeergaan tegen de vele vooroordelen die haar blijven achtervolgen. Die vooroordelen zijn de hardnekkige restanten van – ik ga kort door de bocht – een romantische perceptie en de postmoderne chaos. In onze Lage Landen heeft de poëzie amper een politieke of sociale urgentie gekend. Als je ‘onze’ situatie vergelijkt met de kapitale rol die de poëzie heeft gespeeld in de landen achter het voormalige IJzeren Gordijn, moet je toegeven dat de relevantie van ‘onze’ poëzie amper verder ging dan voer te zijn voor een zekere fine fleur die aan de academische genoegdoening haar bestaansrecht ontleende. De urgentie in de landen achter het IJzeren Gordijn is met het vallen van de Berlijnse Muur ook in elkaar gestuikt. De verkoop van dichtbundels kelderde en viel terug op 5 à 10 procent. Het kapitalisme blijkt een aantrekkelijke en vergeetachtige lichtzinnigheid te hebben die het snelle consumeren prefereert boven het langzame degusteren van bijvoorbeeld poëzie.

‘Poëzie moet uit haar boeken treden’ is een dwingende versregel van Ivo van Strijtem. We hebben van dit aforisme onze lijfspreuk gemaakt door toegankelijke bloemlezingen te maken en lezingen te geven in scholen, rusthuizen, jeugdclubs noem maar op, gewoon om de poëzie zo accuraat mogelijk te socialiseren en zo de drempelvrees te verkleinen.

U heeft zo dapper gebroken met het zakenleven (1995) en gekozen voor het volledig schrijverschap. In hoeverre was dat een keuze, was het niet pure noodzaak?
Het drong zich op en gaandeweg werd het een noodzaak. Ik kon het bedrijfsleven niet meer aan. Ik voelde mij een bedrieger, geloofde niet meer in het concept van slim aankopen en met een redelijke winstmarge dan doorverkopen. Ik was de corruptie ook beu, je kon geen deftige overheidsopdracht krijgen zonder mee te spelen met de schimmigheid van de met omkoopgeld gevulde briefomslagen. Let wel, ik heb enkele goede en koosjere klanten tot 2016 gediend, mensen die door de jaren heen vrienden geworden waren en die ik als verkeersexpert heb kunnen helpen in hun gemeentelijk verkeersbeleid. Maar ik ben blij dat dat alles nu achter de rug is. Ook al heeft die stopzetting van zaken me op de rand van de armoede gebracht.

Wilt u toch niet een nieuwe bundel met eigen werk overwegen?
Ja hoor! Ik heb de laatste jaren zeer veel geschreven. Er komt een ‘lijvige’ bundel van me uit bij Atlas-Contact, Amsterdam. Eind 2019 of begin 2020. De werktitel is Eindwerk. Eindwerk zal ongeveer 140 gedichten bevatten, opgedeeld in twee bundels met als titel Hemelingen en Wis de sporen.

Veel succes nog met jullie tijdschrift.

 

Geplaatst in Interviews.