Vladimir Nabokov – Verzamelde gedichten

Nabokov herdicht, en naar onze tijd gebracht

door Johan Reijmerink

Net zoals een schrijver de werkelijkheid liegt, zo liegt een vertaler het origineel. Of zoals de vertaler Harrie Lemmens het omschrijft: vertalen is verzinnen wat er staat, juist door het feit dat de vertaler zijn verbeeldingskracht moet inzetten om tot een aanvaardbare vertaling te komen. Daarom meent de hispanist en vertaler Maarten Steenmeijer dat de vertaler niet kan blijven binnen de grenzen van zijn eigen stem: ‘Hij waart rond binnen de schemerzone tussen zijn eigen stem en die van de schrijver.’ Dichter en essayist Huub Beurskens is zich daarvan zeer bewust en biedt ons als lezer in de tweetalige Verzamelde gedichten (2018) van Nabokov de kans hem als vertaler op de vingers te kijken. Hij heeft zijn ‘deels eigenwijze’ vertaling gebaseerd op de Selected Poems (2012). Evenals Nabokov heeft Beurskens zich niet de wet willen laten voorschrijven door de vormelijke kanten van de Engelstalige gedichten, die deels vertalingen uit het Russisch zijn. Hoewel deze vertaling geen academische pretentie heeft, heeft hij de gedichten niet willen ‘ontvreemden’. Hij heeft ernaar gestreefd zich de wereld van Nabokov toe te eigenen en diens wereld zo goed mogelijk in een andere taal, in een andere tijd tot zijn recht laten komen.

Hoewel Nabokov (1899-1971) meer bekend is als prozaschrijver dan als dichter, had het dichterschap echter zijn voorkeur. De tweetalige bundel bestaat uit vier secties: gedichten die door de zoon Dimitri Nabokov vanuit het Russisch in het Engels zijn vertaald; Russische gedichten uit de bundeling Poems and Problems, samengesteld door Vladimir Nabokov; Engelse gedichten daaruit en Engelse gedichten die niet zijn opgenomen in Poems and Problems. Beurkens wijst er in zijn inleiding op dat deze opzet de lezer per afdeling telkens weer terugzet in de tijd. De bundeling kent geen lineaire opzet van 1914 tot 1971. De eerste afdeling heeft in deze bundeling twee vertalingen ondervonden: een tweede hertaling van het Russisch naar het Engels en van het Engels naar het Nederlands. De meeste gedichten zijn uit het Engels v(h)ertaald. In het gedicht ‘Over het vertalen van Jevgeni Onegin‘ geeft Beurskens in zijn voetnoten aan dat hij ‘als vertaler sowieso ten opzichte van het Engels vaak in de breedte heeft vertaald, al is dat in sommige gevallen, zoals in dit gedicht, zowel inhoudelijk als vormelijk misschien zo erg nog niet’ is. In dit gedicht valt te lezen dat Nabokov ‘als vertaler wel degelijk ook een (her)dichter wil zijn’, zoals Beurskens dat eveneens wil zijn. Aangezien Beurskens het Russisch niet machtig is, heeft hij zich in zijn vertaling voornamelijk op Engelse, Duitse en Franse edities gebaseerd.

Nabokov weet zich zijn leven lang achtervolgd door een nimmer-aflatend heimwee. Het gedicht ‘Ut Pictura Poesis’ geeft daarvan een mooi voorbeeld, waarin Nabokov de stad Sint-Petersburg voor ons oproept: ‘O herinnering, priemende schicht, / transformeer mijn ballingschap, / raak me diep, herinnering aan / de schuitachtige Petersburgse wolken.’ Daarin stemde hij overeen met zijn landgenoot, evenknie en generatiegenoot Joseph Brodsky die overigens weinig waardering kon opbrengen voor de poëzie van zijn collega. Na de vlucht uit Rusland en een korte studieperiode in Cambridge besluit de familie Nabokov zich in Berlijn (1922-1936) te vestigen. De nazidreiging brengt Nabokov tot het besluit naar Parijs (1937-1940) te vertrekken. In mei 1940 vertrekt hij met vrouw en zoon naar New York. Nabokov is als Engelsman, Duitser, Fransman, Amerikaan onomkeerbaar een Rus gebleven. Zijn leven lang heeft Nabokov zich verzet tegen overheersende politieke en culturele doctrines.

Zijn thematiek gaat alle kanten uit: van het persoonlijke naar het politiek-maatschappelijke, van de werkelijkheid naar de droom, van de micro- naar de macrowereld, van de grote stad naar de natuur, van de aarde naar de hemel. Door de tijden heen heeft hij altijd vormvaste gedichten geschreven waarin rijm, ritme en metrum bepalend zijn gebleven. Dat heeft Beurskens overigens bij het vertalen de nodige hoofdbrekens gekost. Het lijkt wel alsof de Engelse gedichten meer muzikaliteit in zich dragen dan de Nederlandse vertalingen.

Nabokovs oog voor het kleinste detail is opmerkelijk, zoals blijkt uit het omvangrijke gedicht ‘Het Universiteitsgedicht’ waarin hij onder meer aandacht geeft aan een hoorcollege: ‘ten slotte trad de kalmte binnen / in het kille amfitheater toen / de anatomieprofessor het podium betrad – / een wijze man die onbevangen kinderogen had; / met kleurkrijtjes maakte hij / een Japanse tekening van / het vlechtwerk van aderen / of van een hersenpan’.

Voor Nabokov was de kunst de enige mogelijkheid om nog geloof te hechten aan het leven. Het is misschien elke dichter wel eigen dat hij vreest dat zijn poëzie een vluchtig bestaan is beschoren, zoals in de versregel en het gelijknamige gedicht ‘Mijn poëzie is als het bleke ochtendgloren, / teer van toon, vluchtig van bestaan’. En toch kan hij niet genoeg tegen zichzelf te zeggen door te gaan met het schrijven van poëzie om ‘de schaduw Gods [te] kunnen zien deinen / alsof die ademt door onze gekleurde gordijnen, / hoe de dag en de nacht kostbare bokalen zijn / met leven brengend water en siderische wijn.’ Altijd maar weer in de hoop – net zoals Shakespeare – dat zijn ‘meesterschap verschoond zou blijven / van schaamteloze schandvlekken van publiekelijk geklets, / dat je voor immer, in het wentelende stof der eeuwen, / gezichtloos blijven zou, als de onsterfelijkheid zelve’. Telkens weer is daar de noodzakelijke aanwezigheid van ‘De Demon’ als bemiddelende en inspiratievolle kracht: ‘Vanwaar kwam je gevlogen?’ Het antwoord klinkt in de zwijgende stilte op. ‘Hij verdween. De nacht vergaat. God gebiedt me te klinken.’

Dikwijls vertelt Nabokov een verhaal, waarin hij zijn ervaringen en gewaarwordingen onderbrengt. Droom en werkelijkheid strijden dikwijls om de voorrang, zoals in het gedicht ‘Droom’ waarin opnieuw heimwee opspeelt: ‘En in een blauwheid van mijn sluimer, / haalde ik werkelijkheid en droom door elkaar’.

In de langere gedichten is het anekdotische nog belangrijker dan in de kleinere zoals in het omvangrijke ‘Het Universiteitsgedicht’ waarin de ik als student zich met botanische microwereld moet bezighouden, maar ‘door iets anders werd (…) afgeleid: / iets wat in mijn herinnering oplichtte, / alsof ik niet had scherpgesteld, helderder / dan, om meteen weer te vervagen. / Opeens vond ik het toen saai, / (…) het bekijken / van de fluctuerende structuur / van kleurloze trilhaardiertjes, het ontleden van ringslang darmweefsel.’ De herinnering dient zich voortdurend aan, ‘de verbeelding weet van geen ophouden.’ Op een gegeven moment is zijn ‘ziel ruimer gaan wonen’. De liefde doet op speelse wijze haar intrede. Nabokov weet in zijn gedachtespinsels een lichte en heldere toon aan te slaan. De aardse geluiden zijn heilzaam voor hem: ‘ontvankelijk / werd mijn ziel voor alles onder de maan, / voor zowel het oude als het nieuwe bestaan. / (…) / O, Heer; laat me niet zo’n dichter worden, zo’n / dwaas die het aardse heden niet kan lijden!’.

De vrees van de ik om de verbinding met de werkelijkheid te verliezen steekt telkens de kop op. Nabokovs liefde voor en bevangen raken door de vlinder, deze ‘gele demon’, vinden we niet alleen in zijn proza maar ook in zijn poëzie terug: ‘Zo was het ook eens in het jodelende wielwalenpark, / op een gelukzalige namiddag, winderig en warm, / dat ik voor een hoge en buigzame seringenstruik / te staan kwam, in extase door de geurigheid ervan’. Hij zag tegen het diep blauw van de hemel ‘aan een bloemtros hangend, trillend, / (…) de page, een goudgevleugelde gast, / beschonken, terwijl de wind de vlinder / en zijn bloemtros blindweg dienen liet.’

De grote schrijvers en dichters lichten op diverse plaatsen in zijn gedichten op: ‘De achternaam “Poesjkin” / is met poëzie begroeid, als met klimop, / en de muze somt almaar namen op / die luid rondom hem resoneren’. Wat dat aangaat staat Nabokov in een rijke traditie waarin de visioenen om hem heen zinderen en zijn reflecties voeden. Hij is zeer goed in staat de werkelijkheid met zijn nachtelijke verbeelding een mysterieuze gloed mee te geven, zodanig dat onze eigen verbeelding erdoor in werking treedt. Als dichter is hij in staat blind zijn schaakstukken te verzetten en zich te kunnen voorstellen hoe het taalspel verder zal verlopen.

Nabokov beschikt over een meesterlijke verbeeldingskracht die hem in staat stelt over zijn ballingschap heen te komen, zoals hij dat in het gedicht ‘Ik houd van die berg’ doet: ‘Hoe hoger de donkere en vochtige paden / zich opwaarts slingeren, des te helderder / de herinneringen, gehoed sinds de jonge jaren, / aan mijn noordelijk laagland worden. Met een serie ongedroomde dromen gaat de dichter op reis. Hij sluit zijn ogen voor ‘wat voor andere ogen is verborgen’. Hij wil niet alle ‘tover en kwelling van de wereld zien.’ Hij wil de drempel van de wereld overstappen ‘in een gebied – (…) [waar] wildernis, dood, ontkenning van je taal, / of eenvoudiger wellicht: de liefdesstilte’ heerst.

In het lange gedicht ‘Het Parijse Gedicht’ gaat de ik op zoek niet naar de ‘gemeenplaatsen van zijn hunkeringen’ of ‘de nostalgische vertekeningen’, maar naar het ‘vinden van gelijkenissen / met eens en ooit, [om] weer bij mijn bron te kunnen, / (…) en in mijn kindertijd / het begin van de in de war geraakte draad te vinden.’ De dichter wil als Theseus zijn draad van Ariadne vinden en volgen om zodoende zichzelf in de kracht van ‘het moment van / mijn nu te herkennen en ermee één te worden.’

Dat Nabokov op een bijna Britse manier zijn ironische grondtoon ‘with tongue in cheek’ fijntjes weet uit te spreiden over een situatie blijkt onder meer in het gedicht ‘Een literair diner’. Die ironie laat zich aflezen aan de wijze waarop de ik zijn gastvrouw typeert. ‘Kom, zei mijn gastvrouw, haar gelaat gaf alle ruimte / aan de groei van zo’n roze introducerende lach die, / als een dal met fruitbomen in bloei, tussen de hellingen / van twee namen verbinding vermag te maken.’ Al met al ligt er een selectie uit een rijk oeuvre voor ons.

Hoewel ik Beurskens niet nauw op voet heb gevolgd in zijn vertaalavontuur, meen ik toch dat hij erin geslaagd is de poëzie van Nabokov naar onze tijd toe te brengen. Hij heeft er een zeer soepel leesbare en op diverse plaatsen eigenzinnige wending aan weten te geven. Woordkeuze, woordschikking en zinsconstructie in de grondtaal noopten hem tot eigen oplossingen die leiden tot gedichten waarin hij de lezing en grondtoon van de oorspronkelijke teksten goed heeft weten te treffen. In die zin is de worsteling tussen de stem van Nabokov en zijn eigen stem aan de vertaling af te lezen. Beurskens geeft met deze verfrissende vertaling de poëzie van Nabokov een nieuwe kans in ons taalgebied.
___

Vladimir Nabokov (2018). Verzamelde gedichten. In vertaling van Huub Beurskens. Uitgeverij Koppernik, 400 blz. € 34,90. ISBN 9789492313546

Geplaatst in Recensies.