Jan Baeke – Houvastvergankelijkheidsleer

Kouwenarigheid

door Peter J.R. Vermaat

Wat bij het vinden van enige achtergrond opvalt, is dat de website van De Bezige Bij de bundel Houvastvergankelijkheidsleer van Jan Baeke 96 pagina’s toedicht in plaats van de 80 die mijn bespreekexemplaar telt. Op basis daarvan zou ik me kunnen afvragen of de eBook-versie, mogelijk als een soort van bonus, deze extra pagina’s wel bevat. Een andere mogelijkheid is uiteraard dat de dichter op het laatste moment een forse ingreep in zijn manuscript heeft gedaan. Het antwoord op deze vragen zal ik waarschijnlijk zelfs in de loop van deze bespreking niet op het spoor komen.

Ook op andere vragen, die rezen tijdens de verschillende lezingen van de bundel, worden niet in of door de teksten beantwoord. Zoals de titel van de bundel al zegt, is hij opgebouwd als een soort filosofisch tractaat, opgebouwd uit de afdelingen ‘Paradigma’, ‘De wereld is het geval’, ‘Respons’, ‘Het gemak waarmee wij denken’, ‘Begripsverbastering’, ‘De lange vlucht het woord uit’ en ‘Index’. Die laatste afdeling mag enige verbazing wekken, maar hij verwijst naar het voorkomen van termen als ‘Geloof’ en ‘Hoop’ (er zijn geen verwijzingen naar ‘Liefde’), waarbij dit zowel een letterlijke vermelding als een thematische verwijzing kan zijn. Opmerkelijk dat een dichter achterin zijn bundel op deze manier een duiding wil geven. Eveneens opmerkelijk is dat noch ‘Klank’, noch ‘Ritme’, noch ‘Betekenis’ in de index gevonden worden. Zouden we de duiding van de dichter aldus moeten volgen, dan volgt de slotsom dat deze bundel in het geheel geen gedichten bevat.

Wat dan wel? Een voorbeeld:

9 juni, notitie 11

Onrust in de decors. De omstandigheden beschrijven
dient zoals we weten de waarheid
en het falen dat bij ons bescherming zocht.
Gelukkig hoeven we van de palmen niets te verwachten.
De rest van de tabellen klopt.

Vrijdag valt opnieuw op vrijdag.
De wereld is zover wij kunnen gokken kalm.

(p. 14)

De argeloze lezer zou bij ‘palmen’ en ‘vrijdag’ kunnen denken aan Robinson Crusoë, maar die associatie biedt geen houvast voor wat volgt:

8 juli, notitie 4

Het is een stadium, deze ideeën over palmen
in een betoog over de bloeiwijzen
de vertakkingen van verwante soorten.

Ze staan op dezelfde manier bij elkaar
de ouderen waarvan de gerimpelde lichamen opvallen.

Het is onbeschrijfelijk koud.
Alle bloed is weggehaald om de ideeën te verwarmen.

Zoals longen fluiten, de treinen.

(p. 15)

Ik vind het feit, dat bovenstaande tekst de lezer als ‘gedicht’ voorgeschoteld wordt, problematisch. Op primair, zo je wilt anekdotisch betekenisniveau staan hier vijf losse zinnen zonder onderlinge samenhang. Op secundair niveau zou je iets langer kunnen stilstaan bij ‘palmen’ en ‘vertakkingen’, maar dat leidt nergens naartoe. Het gebruik van ‘onbeschrijfelijk’ door een dichter is met nadruk een zwaktebod. Mijn grote bezwaar tegen dit soort ‘hermetische’ teksten is dat de opzettelijke raadselachtigheid ervan als een kwaliteit gesuggereerd wordt, terwijl er zelfs voor de meest doorgewinterde, vasthoudende en onvermoeibare close reader ook na duizenden malen herlezen geen touw aan vast te knopen is. We hebben hier, zoals Du Perron het zo bruikbaar formuleerde, te maken met lullax.

In de rest van de bundel, waarin van het modieuze ‘we’ veelvuldig gebruik wordt gemaakt, gaat het over van alles en over niets. Alleen de laatste tekst, voorafgaand aan de index, lijkt te moeten gaan over de taal:

De taal als vanzelf

Zoals zenuwachtig gegiechel, het brak ons uit
op weg naar de stad, het haalde voor even
de ernst uit onze beweringen.

Ze had ons eerder in de weg gezeten
die late autorit naar een stad waar het allemaal zou blijken.
We waren er opeens en of het nu te lang te kort geduurd had
konden we niet uitrekenen.

Ook van de zenuwen zagen we de noodzaak in.
Dat gold dan weer niet voor de poëzie
of de leuzen die we niet konden laten.

Alsof we toen pas het stotteren hadden overwonnen
zo viel de taal als vanzelf in de juiste regels.
We schreeuwden uit overtuiging, sloegen de angst
voor de komende jaren erdoor, hadden ideeën over schaamte.

Nu doet het gegiechel pijn en alles wat we als alternatief
hadden bedacht. Zoals spijt.
De stad, onze jeugd erbij halen bleek gemakkelijk en hielp.

We hebben het zeker twintig keer geroepen.
En toen nog eens vierentwintig keer.
En tien keer, tot besluit.
En nog een keer.

(p. 77)

De afdeling ‘De lange vlucht het woord uit’ bestaat uit dit en twee andere gedichten, die in ieder geval wel in primair betekenisniveau te volgen zijn. Dit slotgedicht, in brugklasmeisjesdagboekstijl, geeft je het beeld van bakvissen op een bakfiets, die zich aan het eind van hun giechelrit beschaamd realiseren dat ze de luidruchtigheid allemaal niet helpen kunnen. Helaas komt de bedoeling van Baeke om er een anti-poëzie-gedicht van te maken al meteen door de kieren tevoorschijn (‘… Dat gold dan weer niet voor de poëzie…’).
Je zou erom kunnen lachen wanneer deze tekst als zelfrelativering het sluitstuk vormde van een reeks gedichten op het scherpst van de snede. In de huidige context en op deze plek is het weinig meer dan een gevalletje valse bescheidenheid. De auteur steekt zijn tong uit naar de lezer, zoals een dwarsig schoolmeisje ‘Lekker puh!’ zegt.

Van begin tot eind is Houvastvergankelijkheidsleer een aaneenschakeling van interessantdoenerigheid. Het koketteren met Fontane, het meerijden op de rug van Nietzsche (p. 25), het Kant voor je karretje spannen (p. 75), het is allemaal kermis en poppenkast. Hier wil iemand filosoofje spelen zonder in debat te durven gaan. Wie de werkelijkheid of de verbeelding filosofisch te lijf wil, bediene zich van de ironie of het ontleedmes zoals Schopenhauer of van de vermomde parabel zoals Nietzsche, maar hij dient te staan voor zijn zaak en behoort zich, met zijn argumenten als zwaard of schild, op te stellen in het strijdperk.
Een dichter, met welke pre-occupatie met de taal dan ook, heeft aan klank, ritme en betekenis ruim voldoende om in zijn eigen reeks van ewige Wiederkehr de poëzie voor zich te winnen of haar met anti-dichtkunst hardhandig te lijf te gaan.

Vanzelfsprekend is taal problematisch. Juist de werking van ritme en klank, die zeggingskracht hebben ondanks het niveau van betekenisvolle mededeling, geeft een gedicht lees- en vooral herleeswaarde. Denotatieve en connotatieve aspecten van de taal kunnen met elkaar in fase of in tegenfase raken, de muzikaliteit versterkt of relativeert de ernst van de woorden. Maar om te kunnen fungeren als kunst, moet die taal altijd een verankering, een aangrijpingspunt hebben in een basale beleving van de lezer. Hermetisme omwille van zichzelf, gewild onthouden van betekenis en andere kouwenarigheid maakt de vermelding van het woord ‘gedichten’ op het voorblad van een bundel tot een gotspe. Dat geldt ook voor deze.

Een gedichtenbundel zonder poëzie? Een wit doek als schilderij? Een zwerfsteen als beeldhouwwerk? De schepping als Gesamtkunstwerk? Het is allemaal al een keer geprobeerd. Overtref het. Of laat het na.
____

Jan Baeke (2018). Houvastvergankelijkheidsleer. De Bezige Bij, 80 blz. € 20,99. ISBN: 9789403138008

Geplaatst in Recensies.