Ivo van Strijtem – Een kamer met een tafel en schrijfgerei

Bij het ademen van poëzie. Pure lyriek

door Paul Roelofsen


In het Vlaamse dorpje Strijtem geboren, er verknocht aan geraakt en er nog altijd woonachtig, is het niet verwonderlijk dat Ivo Evenepoel zich het pseudoniem Ivo van Strijtem heeft eigengemaakt. Iemand die dicht bij huis blijft zou je denken, maar Van Strijtem is behalve dichter en leraar Engels een groot pleitbezorger voor poëzie van over de grens en vertaler van onder meer William Wordsworth, Emily Dickinson en Heinrich Heine. Daarnaast is hij van mening dat poëzie er is voor allen en dat in iedereen een dichter schuilt – zijn verzamelde essays draagt de titel Iedereen dichter.

In deze bundel Een kamer met een tafel en schrijfgerei is hij, zoals de titel al suggereert, meer gericht op het nabije, blijft hij ‘dicht bij zichzelf ‘ en schrijft in heldere taal over wat en wie hij liefheeft, over het schone en verrukkelijke van het leven en – onontkoombaar – over de dood. Wat direct opvalt is zijn subtiele humor, die speels tussen de regels doorhuppelt. Uit het openingsgedicht ‘Stilleven’:

(…)

ik stilleef
met appels en kruik

(…)

geen gemooipraat geen
geschoonschrijf deze keer

een meisje huppelt door
de woonkamer

zij valt op mijn papier
straks wordt ze vier

wat ik nog zeggen wil is
het is niets

of wacht eens even nee
ik weet het niet

De bundel bestaat uit drie delen: ‘De hele tijd’, ‘De wachtkamer’ en ‘Een kamer met tafel en schrijfgerei’. Wanneer men deze tussentitels onder elkaar plaatst ontstaat een gedichtje, Strijtem ten voeten uit. Hij ondergaat, heeft geduld, en beschrijft wat elementair is voor een schrijver.

In het eerste deel ‘De hele tijd’ komen gebeurtenissen aan de orde die in een slaapdronken roes worden vervormd tot sprookjesachtige vertelsels.

2016

Wat mij is overkomen
ik werd wakker en daar ging de zomer
iemand had hem opgeslokt

(…)

ik miste de zomer heel erg
maar kreeg hem niet terug
dat jaar

(…)

Ook is hij herhaaldelijk in gesprek met zijn alter ego. In ‘Afscheid’: ‘Daar zat ik dan en wachtte tot ik nader / kwam en plaatsnam naast mezelf. Ik zag / eruit als iemand die ik amper kende / bovendien sprak ik lachwekkend als destijds (…) ‘Keert gij nog terug?’ vroeg ik. / Ik denk het niet, dacht ik. / Ik kwam en stak over. / Ik had me niet gekust.’

Het middeleeuws gerelateerde gedicht ‘De zeven beuken’ behoeft enige uitleg. De kapel van de zeven beuken ligt even buiten het dorp Strijtem. De beuken waarnaar het domein van de kapel verwijst, lieten het een paar jaar geleden afweten en werden vervangen door jonge beuken. Aan elk van die boompjes hangt een miniatuur kapelletje; deze zouden volgens de legende het kwaad weren dat wordt aangericht door heksen, die onder elke boom liggen begraven. Hier de draai die Van Strijtem eraan geeft:

De zeven beuken

Onder elke beuk
lag een heks begraven
zeven waren er ze
stonden om een kapel heen

en boden beschutting aan
wie er leerde beminnen
betoverd werd of pijn
leed waardoor van

langsom meer beweerd
werd dat in de kapel zeven
beuken groeien waaronder
telkens een heks begraven ligt

en dat dát de liefde is

Het tweede deel ‘De wachtkamer’ wordt voor een aanzienlijk deel bevolkt door vogels met menselijke trekjes en mensen met iets vogelachtigs.

Uit ‘Wielewaal’: ‘Mijn moeder was een wielewaal / zij was de voorjaarswind die als / een eeuwig kind haar kinderen / mild bejegent dikke vlokken / sneeuw was zij de kachel / in de winternachten haar nest / van gras en bast dat wij het / zwerven moe weer inpalmden / (…)’

Ook staan in deze afdeling gedichten die op Bijbelse verhalen zijn geënt en mijns inziens komt de pure lyriek van Van Strijtem hier het best tot zijn recht. Prachtige enjambementen en zeer muzikaal.

Anna en de blinde

(…)

Hoe heet jij vraagt Anna.

Adam zegt hij Adam van Steen.
Kon ik nu maar zien en zie: hij ziet
het zand van haar armen het brood

van haar adem de hand op zijn wang.
Ik ben Anna ik ben zwanger.
Van een dochter zegt hij. Vragend

slaat zij de ogen op maar de hemel
slaapt als een gezeglijk kind.

(…)

In het laatste deel van Een kamer met een tafel en schrijfgerei (met de gelijkluidende subtitel) borduurt Van Strijtem voort op eerdere onderwerpen maar nu komt het schrijfproces zelf ook ter sprake. Uit ‘Landweg’: ‘Meermaals schrijf ik mij een landweg / op zoek naar het gedicht dat niet meteen / komt opdagen ook al zit het / in de binnenstad op mij te wachten’. Drie pagina’s weidt hij tenslotte in verrassende distichons uit over zijn bedenkingen omtrent de poëzie en over zijn verlangens: ‘want ik wil vrede in de wereld vrede en ook / naakte vrouwen die mij afschermen van de dood’.

Er zijn dichters die niet alleen poëzie schrijven maar ook ademen. Ivo van Strijtem is er zo een. Een weldadige bundel.

____

Ivo van Strijtem (2019). Een kamer met een tafel en schrijfgerei. Uitgeverij Atlas Contact, 80 blz. 21,90. ISBN 9789025454203

Geplaatst in Recensies.