Klassieker 230: Jan Hanlo – De Mus

door Jeroen van den Heuvel

Meander Klassieker 230

Het zou niet goed gaan met de mus in Nederland. In de Nederlandse letteren zingt het beestje er echter lustig op los. Vorig jaar verscheen ‘Mussenlust – de huismus in 50 gedichten en 150 tekeningen van Peter Vos’. Een ereplaats in dit boek viel natuurlijk toe aan ‘De Mus’ van Jan Hanlo. Een omstreden maar inmiddels klassiek geworden gedicht. Jeroen van den Heuvel buigt zich over twintig keer ‘tjielp’.

De Mus

Tjielp tjielp – tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp – tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp

Tjielp
———————etc.



Jan Hanlo (1912-1969)

uit: The varnished – Het geverniste (1951)
uitgever: Holland (Windroos-reeks)

Ik werk in een technische omgeving, waar poëzie geen dagelijks onderwerp van gesprek is. Toch dringt het af en toe bij collega’s door dat ik me met gedichten bezighoud. Dat levert leuke gesprekken op. Zo had ik een tijdje geleden een gesprek met mijn collega Jeffrey waarbij hij vooral geïnteresseerd bleek in slam en rap. Van poëziebeschouwing moest hij weinig hebben. Een vriend van hem had een literaire studie gedaan, maar was gestopt toen hij een beschouwing moest schrijven over een gedicht “waarin alleen maar meerdere keren ‘tjielp’ stond.” Dit vond hij het toppunt van belachelijkheid. “Zoiets kun je toch niet serieus nemen.”

Tijdens zo’n gesprek gaat mijn hoofd ratelen en bedenk ik wat er in zo’n beschouwing zou kunnen staan. Na het gesprek dacht ik verder en ik werd steeds enthousiaster. Wat een goed idee! Ik ging zoeken naar beschouwingen over ‘De Mus’ op internet. Er was een stukje van Adriaan Morriën in de NRC en een vermelding in een beschouwing van Rutger Cornets de Groot in de Meander Klassiekers reeks over een ander magistraal gedicht van Hanlo, ‘Oote’. Allebei goede besprekingen, maar er valt genoeg aan toe te voegen.

Laten we het dus hebben over tegenstellingen.

Om te beginnen is het een erg eenvoudig gedicht. Er staan geen moeilijke woorden in. Het is kort en daarmee overzichtelijk. Het is in één oogopslag duidelijk wat het inhoudt. We hoeven het gedicht daarvoor niet eens te lezen. Tegelijk is dit gedicht erg moeilijk. Want wat betekent het nou eigenlijk? Op die vraag zijn diverse antwoorden mogelijk, maar definitief uitsluitsel hoeven we niet te verwachten. Omdat het gedicht niet zozeer uit woorden bestaat als wel uit klanknabootsingen, is het semantisch gesloten. Rutger Cornets de Groot heeft het in dit verband over “niet-communicatieve taal”.

En daarmee komen we op een volgende tegenstelling. Is er een opener einde denkbaar dan ‘etc.’? Wat hier staat is duidelijk niet het enige. Er is meer van hetzelfde. Dit gedicht is enkel de opening. Hoewel semantisch gesloten, is dit gedicht zo tevens open. Dat ‘etc.’ is een afkorting voor “et cetera”, Latijn voor “en overige”. We gebruiken het in het hedendaagse Nederlands als synoniem voor “enzovoort”. We geven er meestal mee aan dat een opsomming niet uitputtend is. Dat brengt ons bij een volgende tegenstelling. Een opsomming heeft twee elementaire eigenschappen: herhaling (hetzelfde) en variatie (verschil). De elementen van de opsomming hebben iets gemeenschappelijks, dat met ieder element herhaald wordt, dat voor ieder element gelijk is. Daarnaast verschilt elk element in de opsomming in meerdere of mindere mate van alle andere elementen in de opsomming.

Dit gedicht kent een grote mate van herhaling. Het woord ‘tjielp’ staat er 20 keer. De variatie zit in dit gedicht in een hoofdletter of niet (2 keer wel, 18 keer niet), en in de groepering (groepjes van 1, 2, 3 of 6). Of moeten we het gedicht als opsomming zien – en daarmee de groepering anders? Eerst 2x ‘tjielp’, dan na het gedachtestreepje 6x ‘tjielp’ en na het volgende gedachtestreepje 11x ‘tjielp’? En dan 1x om de tweede strofe met een nieuwe variatie van de opsomming af te trappen? Ook Adriaan Morriën erkent de kracht van de combinatie herhaling en variatie. Hij schrijft: “Door een loutere herhaling zou de mus in Jan Hanlo’s gedichtje niet tot leven komen, wat nu door die afwisseling juist wel gebeurt.”

We kunnen dat ‘etc.’ aan het einde dus zien als een oproep tot het blijven genereren van variaties. Hiermee stuiten we op weer een tegenstelling: vaststaand versus veranderend. Dit gedicht staat vast. Er komt geen ‘tjielp’ meer bij en er gaat er geen meer af. Jan Hanlo heeft dit gedicht zo geschreven en het blijft precies zo. Tegelijk kunnen we het gedicht zien als een soort partituur. Dit is een aanzet tot een voordracht. En iedere voordracht is -hoe minimaal ook- anders dan alle andere voordrachten. De oproep aan het einde van het gedicht tot variatie is een oproep om bij die voordracht na de twintigste ‘tjielp’ vooral niet te stoppen, maar door te blijven gaan met eigen variaties op het ‘tjielp’ thema. Het beschouwen van dit gedicht als partituur helpt ons om de gedachtestreepjes in de eerste en tweede versregel een andere mogelijke betekenis te geven. In een partituur duiden die op een rust.

De term ‘tjielp’ bootst de klank na die een mus maakt bij het tjilpen. Zo beschrijft het gedicht geluid, en roept op tot geluid. We kunnen ons daarbij afvragen of we bij het voordragen het tjilpen van een mus moeten nadoen, of dat we steeds ‘tjielp’ moeten zeggen. Bij al deze sterke associaties met geluid zouden we bijna vergeten dat het gedicht zoals het hier staat puur visueel is. We zien letters (op een bladzijde, op een scherm). We zien hoofdletters en kleine letters. We zien gedachtestreepjes. We zien een indeling in strofen en versregels. Eerst een versregel met 2x ‘tjielp’, een gedachtestreepje en 3x ‘tjielp’. De volgende versregel precies andersom: 3x ‘tjielp’, een gedachtestreepje en 2x ‘tjielp’. De derde versregel bestaat uit 6x ‘tjielp’; de vierde uit 3x ‘tjielp’. Dan komt er een witregel. Daarna begint de tweede strofe. Die bestaat alleen uit de term ‘Tjielp’ op de eerste versregel en de ingesprongen afkorting ‘etc.’ op de tweede versregel.

Maar misschien moeten we dat anders zien. De gedachtestreepjes zijn gedachtestreepjes. De 6x ‘tjielp’ tussen die streepjes zijn een terzijde van degene die aan het woord is. Daarna wordt in de derde versregel dat terzijde herhaald – en daarmee gepromoveerd tot hoofdonderwerp. Maar wie is hier eigenlijk aan het woord? Is dat ‘de mus’ uit de titel? Of is dat toch een menselijke schrijver? Of voordrachtskunstenaar?

Misschien is dit gedicht wel een vrije uiting van “pure expressie” zoals Rutger Cornets de Groot schreef in zijn eerdergenoemde bespreking van ‘Oote’. Maar wederom kunnen we het gedicht net zo makkelijk zien als het tegengestelde van die vrije expressie. Want het kan ook een conceptueel gedicht zijn, het resultaat van een strenge procedure. De dichter luistert naar ‘de mus’ gedurende een bepaalde tijd en schrijft zo goed mogelijk op wat ij hoort. Misschien duidt het ‘etc.’ aan het einde op een overweldigende kakofonie aan getjilp, bijvoorbeeld omdat de eenzame zanger ineens gezelschap kreeg van meerdere soortgenoten. De dichter is in deze opzet niet vrij, maar voert slechts slaafs de procedure uit.

En wat te denken van de lezer? Er valt eigenlijk weinig te lezen. De titel bevat twee woorden; ‘tjielp’ is strikt genomen geen woord in de Nederlandse taal, en verder staat er alleen een afkorting op het einde. De Nederlandse taal kent wel het werkwoord “tjilpen” om het geluid van mussen aan te duiden. Is dit een spellingsvariant waarbij de “i” vervangen is door “ie”? En is het dan gebiedende wijs enkelvoud? Draagt het gedicht ons meerdere malen op om te tjilpen? Zoiets als “jump!, jump!, jump!, jump!”? Of is het eerste persoon enkelvoud en staat het onderwerp “ik” er gewoon niet voor? Is het een opdracht voor de lezer om een mus na te doen? Of moet de lezer wel gewoon lezen, ‘tjielp’ na ‘tjielp’, en zich verliezen in het vervreemdende effect van klank en letters dat door de herhaling ontstaat? Adriaan Morriën merkt op dat ‘tjilp’ beter het geluid van een mus weergeeft dan ‘tjielp’. Ik weet niet of dat waar is. In mijn beleving klinkt ‘tjielp’ hoger en langer dan ‘tjilp’. Voor het geluid van een mus zouden we een combinatie van die twee moeten hebben: het hoge van ‘tjielp’ en het korte van ‘tjilp’. Maar misschien doet het gedicht niet het geluid van een mus na. Misschien koos Hanlo voor ‘tjielp’ omdat dat meer lijkt op hoe een mens een mus nadoet.

De term ‘tjielp’ is dus eigenlijk geen woord. Er zijn goede redenen waarom we in het verband van dit gedicht geneigd zijn om het wel een ‘woord’ te noemen. Natuurlijk zijn we gewend dat gedichten uit woorden bestaan. We denken dat dit een gedicht is omdat het in de context van gedichten staat. Het staat bijvoorbeeld in een dichtbundel. U leest het nu op een website die gewijd is aan gedichten. Daarnaast zien we een titel, versregels, en strofen – precies wat we van een gedicht verwachten. Ook laat Hanlo heel listig iedere strofe met een hoofdletter beginnen. Dat doen we zo ook met woorden die deel uitmaken van zinnen. Maar misschien is het interessantste geval van de tegenstelling hoofdletter versus kleine letter in dit gedicht de hoofdletter ‘M’ in de titel. In het Nederlands is het -in tegenstelling tot het Engels- niet gebruikelijk om meer dan alleen het eerste woord van een titel met een hoofdletter te beginnen. Nu bestaat het gedicht ook niet uit Nederlandse woorden, dus misschien is het geen Nederlands gedicht. Misschien in het Mussiaans, of hoe we de taal van de mussen ook willen noemen. Maar de titel lijkt toch echt Nederlands. En dan wijst ‘De Mus’ erop dat het gedicht niet ‘een mus’ probeert te beschrijven of na te doen, maar ‘De Mus’. Probeert het gedicht de essentie van het Mussendom, de Platoonse Idee van ‘Mus’, te vangen of er iets over te zeggen? En is dat dan simpelweg dat het vocabulaire van de taal der mussen een stuk beperkter is dan die der mensen? Of nog simpeler dat we het getjilp van mussen als een taal moeten zien? Of dat essentie alleen voorkomt in variatie?

Al met al is het een onduidelijk gedicht. Wat het betekent, wat we ermee moeten, welke taal het is, zelfs of het wel een gedicht is. Alles is onduidelijk. Maar tegelijk is het erg herkenbaar. Laten we om dat inzichtelijk te maken eens kijken naar een gedicht van A.H.J. Dautzenberg uit zijn onlangs verschenen bundel Niet het krassen van de kraai:

———-Zjiiiyy zjiiiyy – zjiiiyy zjiiiyy zjiiiyy
———-zjiiiyy zjiiiyy zjiiiyy – zjiiiyy zjiiiyy
———-zjiiiyy zjiiiyy zjiiiyy zjiiiyy zjiiiyy zjiiiyy
———-zjiiiyy zjiiiyy zjiiiyy

———-Zjiiiyy
———-ch

Ik kan dit niet anders zien dan als een vertaling van ‘De Mus’. Maar welke taal is het? Het massief-visuele valt er in ieder geval extra door op. Maar ook, met terugwerkende kracht: hoe herkenbaar de term ‘tjielp’ is, of dat nu een woord is of niet.

Vooruit, laten we ook maar de tegenstelling modern versus traditioneel op het gedicht loslaten. Je zou kunnen zeggen dat het een modern gedicht is. Het is een schoolvoorbeeld van een klankdicht, volgens Wikipedia “de meest extreme vorm van de atonale poëzie”, waarbij de betekenis van de woorden losgelaten wordt. Denk aan de vijftigers. En inderdaad: dit gedicht had niet tweehonderd jaar geleden geschreven kunnen worden. Aan de andere kant: dichters vergelijken al eeuwenlang hun métier met het zingen van vogels. In die zin staat het gedicht in een rijke en lange traditie.

Als we aan moderniteit denken, moeten we daarbij dan ook de tegenstelling natuur versus kunst in ogenschouw nemen? De schilderkunst verliet de nabootsing van de natuur in de moderne tijd en verkende niet-figuratieve wegen. Dit gedicht bootst een klank uit de natuur na, of beschrijft die op zijn minst. Toch komt het gedicht kunstmatig over. Misschien omdat er menselijke inspanning nodig is om de betreffende klank ook echt na te bootsen. Misschien omdat de geschreven vorm niet in de natuur voorkomt. Misschien door het gegoochel met hoofdletters, gedachtestreepjes en de afkorting. We zouden aan de andere kant kunnen zeggen dat het gedicht juist de tegenstelling natuur versus kunst (en kunstmatigheid) probeert op te heffen door een element uit de natuur rechtstreeks aan het woord te laten. De keuze voor ‘de mus’ is in dit verband veelzeggend. Is er een huiselijker vogeltje denkbaar, dat net zo makkelijk zingt in de vrije natuur als in een door mensen volgebouwde omgeving?

Tot slot moet het duidelijk zijn dat dit een serieus gedicht is. Lees het bovenstaande er maar op na. Het gedicht werpt vragen op over het doel van de kunst, de rol van de tekst, de rol van de dichter, etc. Maar ondanks dat is dit gedicht bovenal een grap. Je gaat ervan tjilpen, of je moet er -al dan niet hoofdschuddend- om lachen. Dat kan iedereen in één oogopslag zien.

Dank je wel, Jeffrey.

____

afbeelding uit: Mussenlust – de huismus in 50 gedichten en 150 tekeningen van Peter Vos. Peter Müller (samensteller, 2018)

Geplaatst in Klassiekers.