“de woorden krijgen naar mijn gevoel opnieuw ruimte om te ademen”

Laura G. Tack (Kortrijk, 1988) is theologe, kunsthistorica en dichter. Al in de middelbare school nam ze geregeld deel aan poëziewedstrijden. Het bracht haar als 17-jarige onder andere in Amsterdam, waar ze de eerste prijs won in de jongerenwedstrijd VERS. In 2011 stond ze op Dichters in de Prinsentuin in Groningen en een jaar later werden enkele van haar gedichten samen met het werk van vier andere dichters door Jeugd en Poëzie gepubliceerd in de bundel Misschien zijn we een ziekte (2012).
Ze woont in Leuven, waar ze als postdoctoraal onderzoeker werkt. In 2019 werd ze genomineerd voor de eerste Zeef Poëzieprijs.
Alja Spaan ging in gesprek met haar.

foto Stijn Demaré

 

Hoe werk je?
Ik werk over het algemeen heel regelmatig en gestructureerd, maar het schrijfproces zelf start vaak met een absolute wildgroei aan ideeën. Dat is verrassend, want ik ben van nature een asceet, die overal in wil gaan snoeien. Mijn gedichten lijken daardoor vaak op bonsaiboompjes, waar de woorden naar mijn gevoel opnieuw ruimte krijgen om te ademen. De lezer heeft daarom vaak geen idee welke vloed aan de oorsprong ligt, en misschien maar goed ook.

Op zeer jonge leeftijd (13 jaar) werden je gedichten al bekroond (Jeugd en Poëzie) gevolgd door de VERS-poëzieprijs in 2006. Wat deed dat met je?
Ik was helemaal overdonderd. Poëzie was lang onbekend terrein. In mijn directe omgeving las haast niemand en al zeker geen gedichten. Jeugd en Poëzie was een welkome ontdekking. Voor de VERS-poëzieprijs in Amsterdam kregen de genomineerden een workshop voordragen, wat ik toen een bijzonder goed idee vond. Als enige Vlaamse in de selectie vreesde ik bovendien dat men mij niet zou verstaan, maar dat bleek achteraf reuze mee te vallen.

Je zegt in een artikel in NRC, 2006, dat dichten een mooie hobby is. Is het nu een innerlijke noodzaak?
Natuurlijk is dichten niet zomaar een hobby. Dichten is ondanks alles een drang. You cannot fold a Flood – And put it in a Drawer, schreef Emily Dickinson. Die drang is duidelijk niet te bedwingen in een handvol huis-, tuin- en keukengedichten, die als borduurwerkjes keurig in een lade dienen te passen. Het overstroomt alsmaar en je bent als schrijver met niets anders bezig dan indijken.

HANDEN

. Laisse moi tes doigts
. Martha Wainwright

in je brief zie ik je handen schrijvend
met zwart dat in vingers vloeit

bloed dat terug een lichaam sluit
dat open schijnt op briefpapier
als zonlicht door gesloten raam

als zonlicht stromen je handen door regen
reiken in uitgelopen woorden
naar einder van gestalte die me binnenhaalt

tot ik je helemaal voor ogen in de ruimte krijg
waar je handen het licht openen
in het oog dat zich sluit

in het oog dat diep achterover
in de fluwelen fauteuil leunt
als in een veel te groot hart
waarin je verdrinkt

Ben je opgevoed met kunst en literatuur?
Thuis was er veel aandacht voor beeldende kunst, film en fotografie. De literatuur heb ik zelf ontdekt. Het moment waarop ik als achtjarige van mijn ouders mijn eigen abonnement op de openbare bibliotheek kreeg, staat nog steeds helder in mijn geheugen.

Wanneer las je voor het eerst een gedicht?
Op een van mijn eindeloze strooptochten door de zolder van mijn grootouders stootte ik als tienjarige op het boek Declamatorium der Nederlandse poëzie. Ik herinner me nog twee regels uit een gedicht van A. Roland Holst. ‘Maar sluit uw ogen…//Hoort gij de zee achter mijn hart?’ Die woorden waren zo wonderlijk anders dan de taal die mijn ouders spraken, dat ik op slag aangetrokken werd door de dubbele bodem in de werkelijkheid die dat gedicht voor me opende. Ook ontstond toen bij mij de verkeerde indruk dat dichters hoogdravende zeelieden waren die in een declamatorium hun bulderende bijeenkomsten hielden.

In een eerder interview met Meander, (Sylvie Marie, 2007) zeg je dat je ging schrijven ‘als er geen tekendoos of muziekinstrument voorhanden was’. Herken je dat nog?
Dat is nog meer dan vroeger het geval. Ik heb een tijdje in het buitenland gestudeerd en gewerkt. Het is een sober leven, dat voortdurend onderweg zijn. Je kan maar weinig meezeulen, laat staan een piano of schildergerei, maar er was altijd wel plek voor een zwart notitieboekje en een pen. Toen ik als docent in Parijs werkte had ik maar weinig vrije tijd, behalve op de Thalys tussen Gare du Nord en Brussel-Zuid. Ik merkte dat ik als ontspanning spontaan begon te schrijven, terwijl het landschap voorbijgleed.

De kracht van poëzie, zeg je in dat gesprek, is dat het je ‘helpt de zaken op een rijtje te zetten.’. Zo jong als je was, had je daar dus behoefte aan. Heeft de poëzie die kracht behouden?
Zeer zeker. Het lezen en schrijven van poëzie ordent nog steeds mijn gedachten op de meest vrije manier. Beroepshalve kom ik als theologe en kunsthistorica in contact met een heel ander kaliber teksten, wat ik dan het zware geschut van de academische literatuur zou noemen. Ik val echter nog steeds als een blok voor de frêle charme van de poëzie. Die lenige taal weet als geen ander mee te groeien met de complexe menselijke gevoelens die ons zo overspoelen en verrassen dat geen enkele wetenschappelijke analysedrang ze kan bedwingen. De poëzie is in die gevallen een bijzonder krachtig medium, zeker als ze deel wordt van een soort impliciet gesprek. Het lezen van gedichten die vrienden op mijn pad brengen vind ik daarom bijzonder zinvol. Zo was ik laatst van mijn sokkel geblazen door Ingeborg Bachmanns gedicht An die Sonne, dat een goede vriendin me aanraadde. Van de andere kant vind ik het heel mooi als ik vrienden die niet noodzakelijk vertrouwd zijn met poëzie een gedicht kan aanraden waarin ze zich herkennen.

Waardoor raak je geïnspireerd?
Ik werk vaak met wat per toeval op mijn pad komt. Zo sprokkel ik de meest uiteenlopende inspiratiebronnen bijeen en maak daarin meestal geen onderscheid tussen het banale en het verhevene. De manier waarop mijn buurman spontaan een komisch verhaal met een prachtige spanningsboog vertelt, een flard uit een liedjestekst op de radio, maar evengoed een gedicht van Hesse, dat een vriendin me op een moeilijk moment laat lezen, of het ritme van bewegend beeld in een experimentele film. Al deze prikkels waren ooit de aanleiding voor een gedicht. Deze gevoeligheid voor een diversiteit aan indrukken, voor die onophoudelijke stroom aan invloeden, stamt eigenlijk uit mijn enorme fascinatie voor het werk van Virginia Woolf. Ik las Mrs. Dalloway voor het eerst als tiener. Mijn kennis van het Engels was in ieder geval onvoldoende, waarop ik besloot de tekst hardop te lezen, zoals ik om andere redenen vaak ook gedichten hardop lees. Ik werd bij het voorlezen toen echt getroffen door het ritme en de klanken in Woolfs tekst, door die overweldigende woordenstroom waarmee ze de lezer in de greep houdt. The Waves is mijn favoriete werk van haar, al heb ik me onlangs weer heel erg geamuseerd tijdens het lezen van Orlando. Het idee dat een tekst tegelijkertijd moet wortelen en stromen, heeft Woolf me bijgebracht en neem ik als het vertrekpunt voor mijn eigen werk.

 

TIJDING

Mare, hoe je me om de vinger
van de tijd windt. Adembenemend
hoe een boom onder je greep vertakt.

Morgen ben je maanzee, mare, krater
van zwaartekracht onthecht.
Laat ons daarom deze nacht.
Laat ons het korenveld, dit wild gevecht

waar we worstelen, mare, tot de halmen
zee worden en de zee weer de storm tot
we waaien

en ’s morgens de sikkel blinkt.

Hoe men jou snijdt, mare,
hoe je verdwijnt.

Een merrie stuift al door de nacht.

Durf je over alles te schrijven? Ken je schaamte?
Ik durf over alles schrijven, maar ik laat daarom nog niet alles lezen.

Houd je rekening met de lezer?
Uiteraard, maar niet tijdens het schrijven, wel tijdens het selecteren en redigeren.

 

TRANSFIGURATIES

zullen we ooit een dag
waarop we volop
van de zon zullen we
ooit baden in het licht een dag
waarop de zon
klatert door de bladeren
zullen de bomen waaiend scherm
van water in tegenlicht
de vorm een zon
geven zullen we
met onze huid tegen de zon
liggen wij kabbelend
met schaduw bevlekt

zullen we zeggen
dit hemellichaam
het vloeit over

 

Geplaatst in Interviews.