Carl De Strycker & Yves T’Sjoen (red.) – Diep en binnensmonds. Over Hercules, Richelieu en Nostradamus van Paul Snoek

Niemand weet waarom ik tenger werk aan de verte

door Herbert Mouwen

De bundel Diep en binnensmonds heeft een in het oog springende, gevarieerde samenstelling van beschouwingen over het drieluik Hercules (1960), Richelieu (1961) en Nostradamus (1964) van de dichter Paul Snoek. Het boek neemt als uitgangspunt voor de analyse van deze poëzie de structuralistisch-merlynistische opvatting, zoals die is weergegeven in De poëtische wereld van Paul Snoek. Proeve van close-reading van Lieve Scheer uit 1966, maar latere benaderingen komen ook aan bod. In de loop der jaren heeft er in de poëziekritiek en -analyse een verschuiving plaatsgevonden van close-reading naar “thematische en tekstgenetische lezingen van gedichten en bundels, een filosofische, psychologisch-analytische en ‘barbaarse’ interpretatie’”. In feite wordt de aandacht verlegd van een inductieve benadering van het gedicht naar een aanpak waarin de relatie van de dichter en zijn tekst centraal staat. Daarmee biedt deze studie een goed overzicht van toegepaste analysemodellen van de laatste halve eeuw aan de hand van de poëzie van deze Vlaming.

Als lezer van deze beschouwingen doe je er verstandig aan om het drieluik Hercules, Richelieu en Nostradamus vooraf (nogmaals) goed te lezen. De ogenschijnlijk toegankelijke poëzie met algemeen bekende onderwerpen als zee, zout, zand, aarde, orde, leven, zon, maan en mens bevatten een diepe persoonlijke symboliek, die de gedichten niet zomaar prijsgeven zonder een gedegen tekstanalyse met aandacht voor intertekstuele gegevens en Snoeks eigen poëticale opvattingen. Het drieluik wordt literair-historisch gezien als belangrijk beschouwd in het oeuvre van de dichter. Het is tevens een mijlpaal in de ontwikkeling van de naoorlogse Vlaamse poëzie. Zelf zag de dichter deze drie bundels ook als het hoogtepunt van zijn dichterschap.

Het voert te ver om in deze recensie alle beschouwingen – het zijn er negen – te bespreken. Ik ga kort in op drie studies die opvallen en op de wijze van uitgeven van de bundel zelf. In ‘Van zoeken en zien. Dichter bij de heilige waarheid’ van Alicja Gescinska verzet de auteur, die het werk van Snoek filosofisch interpreteert, zich tegen de opvatting ‘dat literatuur het mysterie van het bestaan moet vergroten, niet ophelderen’, daarmee verwijzend naar de opvattingen van Iris Murdoch en Harry Mulisch. Zij gaat in op ‘De waarheid van de dichter’, een korte tekst van Snoek die in 1962 in Dietsche Warande & Belfort verscheen, toen hij dus al twee delen van zijn drieluik gepubliceerd had. Snoek ziet volgens Gescinska de dichter als een waarheidszoeker en een ziener, die steeds bezig is met zichzelf als dichter te vernieuwen. ‘De taak van de dichter is niet die van entertainer’, stelt Gescinska. In zijn poëzie geeft Snoek een nieuwe, persoonlijke betekenis aan de begrippen ‘waarheid’, ‘spreken’ en het ‘heilige’. De schrijfster van dit essay vindt dat de metafysica van Snoek in interviews en eigen beschouwingen van zijn werk enigszins zweverig overkomt, maar dat vindt zij eerder een voordeel en een uitdaging dan een probleem: ‘Niet over de rechte paden van de rede, maar over de kronkelwegen van de verbeelding voert de dichter naar een stukje waarheid: een hogere verborgen waarheid.’ ‘Van zoeken en zien’ is een wijsgerige benadering van Snoeks poëzie met veel ruimte voor typische literaire aspecten van zijn werk. Enkele van de volgende analyses sluiten aan op dit essay.

Johan Reijmerink bespreekt in “Het creatief proces of de Zelfwording. Over ‘Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten’” de studie De zwarte doos van Icarus (1990) van dichter, prozaïst en toneelauteur Frans De Peuter. Deze studie inspireert hem tot een analyse van het derde titelloze gedicht uit de afdeling ‘De zilveren dichter’ van de bundel Nostradamus aan de hand van ‘enkele begrippen en archetypische beelden en gestalten, ontleend aan de analytisch-psychologische inzichten van Carl Gustav Jung’. Een opvallende keuze, die je anno 2019 als lezer niet verwacht, maar die voor het begrijpen van de poëzie van Paul Snoek veel oplevert. Reijmerink stelt dat de verbeelding van Snoek wordt aangedreven en gestuurd ‘door een sterk associatief vermogen’; dat leidt tot een vorm van ‘onbewust innerlijke waarneming’ en uiteindelijk tot ‘Zelfwording’. De auteur poneert de stelling dat de dichter zelfs vanaf zijn bundel De Heilige gedichten uit 1959 ‘de analytisch-psychologische inzichten over de inrichting en werking van de psyché systematisch in zijn poëzie heeft verwerkt’. Het gedicht dat hij zowel inhoudelijk als formeel uitgebreid en nauwgezet analyseert – met veel aandacht voor de semantiek en symboliek van bepaalde woorden en versregels – geeft antwoorden op de vragen van Snoeks scheppings- en ontwikkelingsproces. Deze bijdrage maakt duidelijk dat de denkbeelden van Jung zeker geen gepasseerd station zijn wanneer het gaat om het analyseren van poëzie die het experiment niet schuwt.

Carl De Strycker gaat in “‘Barbaar in mijn mond’. Over het slotgedicht van Nostradamus” in op het slotgedicht van de gehele trilogie. Na stevige kritiek op de hierboven genoemde studie van Lieve Schier leest De Strycker “het gedicht als een poëticaal credo en als het poëtisch pendant van de poëticale tekst ‘De waarheid van de dichter’.” De versregel ‘Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten?’ verwijst voor hem naar het schrijfproces in termen van alchemie. De tweede versregel is daarvan een voorbeeld: ‘ik verkondig de bloedende tondel der waarheid’. Het vuur maken, dat aan de goden toebehoort, en een woord als ‘verkondigen’ refereren ook aan het waarheidszoekende en profetische karakter van dit gedicht. Wanneer de dichter als ‘ik’ aan het begin van zijn scheppingsproces begint met spreken, is hij (nog) een barbaar die geen werkelijkheid beschrijft, maar hij ontwikkelt zich tijdens het scheppingsproces tot een dichter die zijn eigen werkelijkheid creëert.

Diep en binnensmonds is in een klein, handzaam formaat uitgegeven en bevat een korte, instructieve inleiding. Ook is aan het begin van een beschouwing de te analyseren tekst afgedrukt. Dat geeft de lezer de mogelijkheid om snel woorden en tekstfragmenten in het gedicht op te zoeken. De bijdragen bevatten noten die in de primaire tekst van de auteurs zijn opgenomen, geen voet- of eindnoten. In enkele artikelen zijn het soms grote reeksen van noten die in een enkele alinea vermeld worden en de tekst onleesbaar maken. Dat gebeurt met name in de bijdrage van Yves de Maesschalck. Wat mij betreft is er een moment dat een redacteur moet ingrijpen om de tekst overzichtelijk te houden. De bundel bevat personalia van de auteurs en een zorgvuldig opgestelde lijst van bibliografische gegevens die zij voor hun beschouwing gebruikt hebben. Het boek is een veelkleurig palet van invalshoeken om de poëzie van Paul Snoek te bestuderen. Persoonlijk had er voor mij nog meer ingegaan mogen worden op het drieluik als eenheid, in plaats van in te gaan op losse gedichten die staan voor het totale werk. Niettemin draagt Diep en binnensmonds op positieve wijze bij aan de hernieuwde aandacht voor het werk van deze markante Vlaamse dichter.

____

Carl De Strycker & Yves T’Sjoen (red.) (2019). Diep en binnensmonds. Over Hercules, Richelieu en Nostradamus van Paul Snoek. PoëzieCentrum, 155 blz. € 20,00. ISBN 9789056551377

Geplaatst in Recensies.