“Een klein, flikkerend licht in de duisternis”

Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja vertaalde in de loop der jaren vele gedichten van de Duitser Ralf Thenior. Onlangs leidde dit tot de publicatie van de fraaie, tweetalige bundel De verheerlijking van de champignon (Azul Press).
Sander de Vaan sprak met deze ‘wereldhongerige’ dichter voor wie poëzie meer dan springlevend is.

 

Wat betekent poëzie voor u?
Gedichten bestaan uit woorden en ik was als kind al door woorden gefascineerd. Ze hebben een vorm en een klank, een smaak en een geur en kunnen iets in je hoofd activeren.
Voor het schrijven van een gedicht heb je aandacht, duidelijkheid en vindingrijkheid nodig. Al een leven lang werk ik met (en aan) woorden om kleine, ademende woordmachines te bouwen. Het is een tweede natuur geworden en ik kan niet meer zonder.

Een boeiend gedicht is Hij zag er heel gewoon uit:

Aan een tafeltje zitten met een theeglas voor je

En de tijd voorbij zien gaan hij draagt een wollen muts
een mobieltje aan het oor en denkt niet aan de toekomst

Geel goud en bruin ruikt de tabak uit het open
plastic zakje De Tijd heeft een snor en draagt

Palamut naar huis De Tijd heeft een tandenstoker tussen
de lippen en lacht listig De Tijd draagt een hoofddoek

en rijdt in een tafeltje-dekje richting Arakli voorbij De Tijd
heeft een doorleefd gezicht en een rode ruchesblouse

De Tijd rookt shaggies schudt de vriend
een minuut te lang de hand De Tijd jaagt met jankende

sirenes over de snelweg naar Rize voorbij De Tijd
koopt asbakken in Osmaanse stijl De Tijd lacht

Hoe ontstond deze tekst?
Reizen is voor mij een belangrijke inspiratiebron. Hij zag er heel gewoon uit werd geschreven in de haven van Trabzon in Turkije. Ik dronk thee, keek naar de voorbijgangers en bedacht hoe elk van hen zijn eigen verhaal heeft en dat die verhalen toch allemaal met elkaar verbonden zijn. Daaruit is het gedicht ontstaan.
De aanleidingen voor het schrijven van een gedicht verschillen, maar ze hebben altijd iets te maken met de wereld waarin ik leef. Ik ben een wereldhongerige dichter.

Heeft u ooit geprobeerd de wereld met een gedicht te verbeteren?
De wereld is oké zoals ze is, het zijn de mensen die haar veranderen. En vaak niet ten goede. Neem plastic: wat een zegen leek die uitvinding indertijd…
Ik ben geen wereldverbeteraar. Ik weet dat poëzie niets kan veranderen, maar ze ontsteekt een lucifer in de duisternis, een klein, flikkerend licht.
Een geslaagd bestaan is een combinatie van vele dingen. Als bewoner van deze aarde ben ik een regionalist, als drôle de citoyen ben ik een wereldburger en als dichter ben ik erfgenaam van het universum… Daarover schrijf ik.

Is er een licht uit een van uw gedichten dat – naar uw gevoel – extra schijnt in de duisternis?
De vlammende lucifer in de duisternis is een metafoor voor licht in een donkere tijd, dus het kan niet één-op-één worden gelezen. Ik zal voor u een gedicht citeren dat toont hoe ‘iets’ afzonderlijke mensen kan verlichten.

Ogenblik in de lente

Op deze smerige jasmouw
fladdert haar hand neer
en vliegt meteen weer op –
een vleugje vingertop
heeft de stof aangeraakt.

De woorden, doorzichtige
vissen, borrelen op uit een
bron, die niet
zal opdrogen.

Hier gebeurt iets tussen twee mensen. ‘Haar vingertoppen’, ‘zijn vuile jasmouw’ – bijna iedereen kent het. Maar wat er precies tussen hen gebeurt, welke sluizen van herinnering en verlangen zich openen, waarom men deze ontmoeting niet wil beëindigen, blijft een mysterie.

Welke dichters hebben u beïnvloed?
Er zijn veel dichters aan wie ik inzichten, technieken en retorische trucs verschuldigd ben. Dylan Thomas was mijn Elvis. Voor zijn stervende vader schreef hij een gedicht met het refrein: Do not go gentle into that good night / Rage, rage against the dying of the light.
Verder waren er Barthold Hinrich Brockes – een laat-barokke dichter uit Hamburg, met zijn grillige wit, het witste wit van alle witheid in het licht van God – en de Japanner Basho, die mijn ogen opende voor haiku.
Bloemendood van Annette von Droste-Hülshoff: Wie sind meine Finger so grün? / Blumen hab ich zerrissen; / Sie wollten für mich blühn / Und haben sterben müssen. (Hoe komen mijn vingers zo groen? / Ik heb bloemen geplukt; / Ze wilden bloeien voor mij / En moesten sterven.)
De Engelse Stevie Smith, die het prachtige gedicht Not waving, but drowning schreef. En toen ik in het spoor van Dylan Thomas door Wales liep, zong de jonge Bob Dylan op zijn eerste elpee See that my grave is kept clean.
Voorkeuren veranderen met de jaren. Ik wil steeds weer iets nieuws ontdekken, gedichten lezen die mij iets van de wereld tonen, die mijn blik verruimen en mij daarmee genoegen scheppen. Mijn huidige favorieten zijn August Kleinzahler (San Francisco), Tsead Bruinja (Amsterdam), Lia Sturua (Tiflis), Jürgen Brôcan (Dortmund), Lütfiye Güzel (Duisburg), Ivette Kunkel (Dortmund) en Arnold Maxwill (Dortmund).

Drie dichters uit Dortmund, toeval?
Misschien, maar dan wel een mooi toeval. Als regionalist ben ik blij in een stad te leven waar meerdere dichters fantastische, ademende woordmachientjes bouwen. En natuurlijk spreken we met elkaar over poëzie en nieuwe ontdekkingen. Schrijven is een eenzame bezigheid, het is fijn om er met mensen over te kunnen praten.

U hebt zelf ook gedichten van Tsead Bruinja vertaald. Wat bevalt u vooral aan zijn poëzie?
Zijn gedichten zijn levendig, vol kracht en beweging. In alle teksten herken je de alertheid, empathie en het gemak waarmee de dichter ervaringen, gebeurtenissen en feiten op papier zet. Telkens wanneer ik zijn gedichten lees, ontdek ik nieuwe perspektieven die me een verbazingwekkend inzicht geven in de oerwouden en woestijnen van de 21ste eeuw. De energie in zijn gedichten wordt bijzonder duidelijk wanneer hij ze voordraagt.

Dichtbundels staan – anders dan proza – vaak in een hoekje in de boekwinkel en dat terwijl goede poëzie je in je hart kan treffen. Bent u optimistisch over de toekomst van de dichtkunst?
Poëzie bestaat al enkele duizenden jaren en is nog altijd springlevend. De roman is echter nog maar een baby. Én er zijn kritische stemmen die beweren dat hij zijn beste tijd gehad heeft. Er is dus geen enkele reden tot bezorgdheid.
Zolang er mensen zijn die zich dingen kunnen herinneren, die met al hun zintuigen leven en hun nieuwsgierigheid niet opofferen voor eenvoudigweg ‘funktioneren’, zolang er mensen zijn die woorden kunnen ruiken en proeven, zal er ook gesproken en geschreven poëzie zijn.

Welk advies heeft u voor Nederlandse lezers die graag Duitstalige gedichten willen lezen? Waar zouden ze het beste kunnen beginnen?
Het pantheon van de Duitse poëzie is groot en gevarieerd. Dit is een moeilijke vraag die ik niet kan beantwoorden zonder oneerlijk te zijn of iemand te vergeten die ik absoluut zou moeten noemen. En het gaat natuurlijk ook om smaak. Toch zal ik er hier drie noemen, omdat hun boeken nu op mijn nachtkastje staan: Else Lasker-Schüler (1869 – 1945), Joachim Ringelnatz (1883 -1934) en Mascha Kaléko (1907 – 1975). Alle drie verrijken de lezer met verrassende beelden, prachtige woordgrappen en onverwachte inzichten.

En met welk gedicht zou u zich graag aan onze lezers willen voorstellen?

Oude man in het winterpark

Onder zijn muts de hemel,
in zijn milt een vlucht meeuwen,
dun ijs in zijn broekzakken.
en schimmel in zijn rechterschoen,

Een winterig licht in zijn kniegewricht,
Dat luchtig de leegte draagt,
Hij staat daar recht als een pijnboom,
spoedig tot planken verzaagd.

Ik heb dit gedicht gekozen omdat het past in mijn huidige leefsituatie. Ik ben vierenzeventig jaar, ik kan nog steeds lopen en lachen, maar het einde is in zicht.

(vertaling van bovenstaande drie gedichten: Tsead Bruinja)

Geplaatst in Interviews.